Wat ik niet wil, dat doe ik
december 28, 2015
De prijs der hoge roeping
december 30, 2015
Show all

Zesde brief van John Newton aan een edelman. April, 1772.

Mijn heer!

Mijn twee laatste brieven gingen over een treurig onderwerp, de verdorvenheid van het hart, dat ons een hinderpaal is, wanneer wij het goede willen doen, dat onze beste pogingen en verrichtingen besmet zijn door het kwade. Wij hebben reden, om steeds bedrukt heen te gaan, al onze dagen; maar wij behoeven niet bedroefd te zijn, zoals hen die geen hoop hebben. De Heere heeft Zijn volk hulp beschikt tegen al die bezwaren; en leert ons, een nuttig gebruik daar uit af te leiden. Wanneer de boosheden, die wij in ons vinden, niet konden worden bestuurd ten onze beste, zou de Heere het niet toelaten dat ze in ons bleven; dit mogen we aannemen uit Zijn afkeer van de zonde, en de liefde die Hij zijn volk toedraagt.

Wat het hulpmiddel betreft, noch onze stand, noch Zijn eer, wordt benadeeld door de werkingen van de inwonende zonde 1), in de harten van hen, die Hij geleerd heeft te worstelen met, te arbeiden tegen, en te treuren over hetgeen zij in zich gevoelen. Hoewel de zonde strijd voert, zal zij niet heersen; en hoewel ze onze vrede verstoort, kan zij ons van Gods liefde niet scheiden.” Het is ook niet onbestaanbaar met Zijn Heiligheid en volmaaktheid, Zijn gunst te betonen aan zulke ellendige, onreine schepselen, of hen toe te laten tot Zijn gemeenschap. Want zij worden niet aangemerkt als in henzelf, maar als één met Jezus, tot wie zij de toevlucht genomen hebben, en door wie zij leven een leven des geloofs. Zij zijn Gode aangenaam in de Geliefde; zij hebben een Voorspraak bij de Vader, die eenmaal verzoening over hun zonden heeft teweeg gebracht, en altoos leeft om voor hen te bidden. Kunnen zij de Wet niet onderhouden; Hij heeft ze voor hen vervuld. Is de gehoorzaamheid van de leden bevlekt en onvolkomen; de gehoorzaamheid van het Hoofd is vlekkeloos en volmaakt. En hoewel er veel kwaad in hen is, er is ook iets goeds in hen; de vruchten van de genade van Zijn Heilige Geest. Zij handelen uit een beginsel van liefde; zij beogen geen minder doel dan Zijn eer; en de hebbelijke begeerte van hun hart zijn boven alles tot Hem bepaald. Er is een wezenlijk onderscheid tussen de zwakste pogingen van het geloof in een waar Christen, terwijl hij op het denkbeeld van zijn gebreken met schaamte overdekt wordt, en de hoogste en schitterendste gaven of verrichtingen van hen, die in hun eigen ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn. Ook zal deze strijd niet lang duren, noch de vijand eindelijk de overhand op hen hebben. Zij worden‘door een oneindig vermogen ondersteund, en zullen gewis de overwinning behalen. Zij zullen niet altijd blijven zoals zij nu zijn; nog maar een kleine tijd, en dan zullen zij verlost worden van dit lichaam der zonde, dat, net als het melaatse huis, ongeneeselijk besmet is, en geheel moet afgebroken worden. Dan zullen zij Jezus zien zoals Hij is, en Hem gelijk zijn, en met Hem zijn, voor eeuwig.

1) [Noch onze stand, noch Gods eer, wordt door de werkingen van de inwonende zonde benadeeld. — Men versta dit, met opzicht tot Gods goedertieren oogmerken, en allerheiligst en hoogwijs bestuur — zoals uit het vervolg ten klaarste blijkt — en geenszins met opzicht tot de zonde zelf; welke, uit haar eigen aard, altijd onzen stand en de eer van God benadeeld]

De goedertieren oogmerken, waartoe de Heere ons het diep bederf van onze natuur steeds doet voelen en ondervinden, zijn veel. Zijn macht, wijsheid, getrouwheid, en liefde, worden hierdoor duideljker geopenbaard. Zijn macht, in het staande houden van Zijn werk, te midden van zoveel tegenstand; gelijk een sprank die in het waterbrandende blijft, of als een doornbos dat niet verteert in het midden van de vlammen. Zijn wijsheid, in het verijdelen en bedwingen van al de aanslagen, die de Satan, aangemoedigd door zijn kennis van de boosheid van onze natuur, tegen ons in ’t werk stelt. Hij heeft menig schoon lijkende naam christen neergeveld, en als Goliath, tart hij het ganse heirleger van Israël. Echter ziet hij, dat er enkele zijn, die hij, hoe geweldig hij hen ook aanvalt, niet overwinnen kan; hoewel hij soms enig schijnbaar voordeel op hen behaalt, zij worden gedurig gered, want de Heere is met hen. De onveranderlijkheid van des Heeren liefde, en de rijkdom van Zijn barmhartigheid, worden insgelijks veel heerlijker betoond, door de menigvuldige vergeving, welke Zijn volk schenkt, dan wanneer zij geen vergiffenis behoefden.

De Heere Jezus Christus wordt hierdoor voor de ziel veel dierbaarder; alle roem wordt krachtdadig uitgesloten, en de eer van eenvolkomen en vrijgunstige behoudenis aan Hem alleen toegebracht. Wanneer een zeeman, door storm bestookt, na een nacht in gevaar doorgebracht te hebben, de volgende morgen zich in een veilige haven bevindt, dan zal hij zich wel verblijden over zijn behoudenis; maar het zal hem zo gevoelig niet aandoen, als een ander, die een lange tijd tegen de stormen en baren heeft geworsteld, en na menigmaal op het punt gestaan heeft om te vergaan, eindelijk als te nauwernood gered wordt, en de gewenste haven bereikt. De rechtvaardige wordt gezegd, nauwelijks zalig te worden – niet ten aanzien van de zekerheid van de uitkomst, want het voornemen Gods ten hunne opzichte kan niet falen —maar met betrekking tot hun eigen gewaarwordingen, en de grote moeilijkheden, waar door zij heen geholpen worden. Maar wanneer zij, na een langdurige ondervinding van de bedriegelijkheid van hun hart, na herhaalde proeven van hun zwakheid, wederspannigheid‚ ondankbaarheid, en ongevoeligheid, bevinden dat dit alles hen niet scheiden kan van de liefde Gods in Christus; dan wordt Jezus meer en meer dierbaar aan hun ziel. Zij hebben veel lief, omdat hun veel vergeven is. Zij durven, en willen niets aan zichzelf toeschrijven, maar erkennen graag, dat zij duizendmaal hadden moeten omkomen — zo dit mogelijk ware 1) — indien Jezus niet hun Zaligmaker, hun Herder, hun Schild geweest was. Als zij afzwierven, bracht Hij hun weer terecht; als zij gevallen waren, hielp Hij hen opstaan; waren zij gewond, Hij heelde hen; en als zij bezweken, schonk Hij hun nieuwe kracht. Door Hem verkregen zij uit zwakheid krachten; Hij leerde hun handen ten oorloge, en bedekte hun hoofd ten dage des strijds. In één woord, sommige van de kennelijkste bewijzen van Zijn voortreffelijkheid‚hebben zij verkregen door aanleiding van de vernederendste proeven van hun eigene boosheid. Zij zouden zoveel van Hem niet gekend hebben, indien zij niet zoveel van zichzelf hadden leren kennen.

1) [Namelijk van de zijde Gods gezien]

Tijdens; een geest van verootmoediging, die de Decus et Tutamen, de sterkte en schoonheid van het Christendom, uitmaakt, wordt grotelijks daardoor bevorderd, dat wij voelen, en zowel lezen: Dat wanneer wij het goede doen willen, het kwade ons bijligt. Een gebroken en verslagen geest is den Heere aangenaam; Hij heeft beloofd te wonen bij hen, die zulk een geest hebben; en de ondervinding toont, dat de oefening van al onze genadegaven evenredig is aan het verootmoedigend gevoel van het diep bederf van onze natuur. Maar dat wij zo geheel bedorven zijn, is een waarheid, die niemand ooit door alleen van het horen zeggen recht geleerd heeft. Inderdaad, zo wij, uit hetgeen in Gods Woord duidelijk geleerd wordt, een rechtmatig oordeel over onszelf konden verkrijgen, en hebbelijk behouden, het zou ons waarschijnljk menig droevig uur besparen. Doch de ondervinding is des Heeren school; en zij, die door Hem onderwezen worden, leren gemeenlijk‚ door de misslagen die zij begaan, dat zij geen wijsheid hebben, en door hun gedurig struikelen en vallen, dat zij geen kracht bezitten. Elke dag vertoont hun de een of andere nieuwe verdorvenheid, welke van te voren nauwelijks opgemerkt was, of althans, vertoont zich aan haar in een sterker licht dan voorheen. Dus wordt hun trapsgewijs afgeleerd, te steunen op enige vermeende wijsheid, sterkte, of goedheid in zichzelf. Zij voelen de waarheid van Jezus woord: Zonder Mij kunt gij niets doen- en de noodzakeljkheid, om met David te roepen: Leid mij en voer mij, om Uws Naams wil. Het is voornamelijk door deze gemoedsgestalte, dat de ene Christen van de anderen onderscheiden is. Want schoon het een inwendig gevoel is, het heeft echter zeer merkbare uitwerkselen naar buiten.

Dit wordt uitdrukkelijk te kennen gegeven, Ezech. 16:63: Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uwen mond opent, vanwege uwe schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen dat gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere. Alsof God zei: ‚ “De kennis van Mijn volkomen en vrijgunstige vergeving van uw ontelbare afwijkingen en overtredingen, zal u beschaamd maken, en de ongeregelde bewegingen van uw hart doen ophouden. Gij zult uw mond openen in lof— en dankzegging, maar gij zult niet meer roemen in uzelf, noch anderen berispen, noch morren tegen mijn bestuur.” In deze opzichten zijn wij uitermate geneigd, om onbedachtzaam te spreken met onze lippen. Maar een gevoel van diepe onwaardigheid, en van Gods menigvuldig vergevende genade, bedwingt deze boosheden. die‘ waarlijk ootmoedig is, zal niet snel toornig worden; hij zal niet voorbarig zijn, noch sterk op zijn stuk staan; hij zal medelijdend en zachtmoedig zijn omtrent de zwakheden van zijn medezondaren, bewust, dat indien er enig onderscheid tussen hen en hem is, hij dit aan Gods genade heeft te danken, en dat hij de zaden van allerlei boosheid in zijn hart omdraagt. Onder alle beproevingen en verdrukkingen, zal hij op de hand des Heeren zien, en zijn mond in het stof steken, erkennende, dat hij veel minder lijdt, dan zijn ongerechtigheden verdiend hebben. —– Dit zijn enige van de voordelen en goede vruchten, die de Heere ons van die bittere wortel, de inwonende zonde, leert plukken.

Ik ben met zeer veel hoogachting‚ enz.  April, 1772.

Send this to friend

Spring naar werkbalk