Ondervinding van een gelovige
december 24, 2015
Ik kan niet doen wat ik wil
december 28, 2015
Show all

Derde brief van John Newton aan een edelman. April, 1770.

Mijn heer,

Ik wil graag mijn blad vol maken, en moet daarom gebruik maken van het middel; dat ik onlangs melde.

Heerlijke dingen worden gesproken van de stad Gods, of, naar mijn mening, van de staat der heerlijkheid, Openbaringen 21 van vers 10 tot het einde. De beschrijving, die daar voorkomt, is zonder twijfel geheimzinnig, en misschien, dat een gelukkige ondervinding en een dadelijk genot, ons er een rechtmatige uitlegging van kunnen geven. Eén uitdrukking in het bijzonder, heeft, geloof ik, een wijzer hoofd dan het mijne, veel moeite gekost om haar te verklaren: En de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk (vs. 18). De woordvoeging in het Grieks is ook moeilijk. Sommigen zetten het over als: zuiver goud, doorschijnende als glas. Als ons lezen goed zou zijn, dan moeten wij het verstaan als, of van zuiver goud, dat helder en schitterend is, als het fijnste doorschijnend glas — want niet al het glas is doorschijnend; of, als twee onderscheiden gelijkenissen: blinkend en duurzaam, als het zuiverste goud; klaar en doorschijnend, als het fijnste glas. In die zalige wereld zullen de schoonheden en voorrechten, die hier verdeeld en onbestaanbaar zijn met elkaar, verenigd zijn en samen stemmen. Ons glas is helder, maar toch breekbaar; ons goud is glansrijk en vast, maar het is ondoorschijnend, en laat slechts een oppervlakte zien. En zo is het met onze geest gesteld. De krachten van de verbeelding zijn levendig en uitgebreid, maar kortstondig en onzeker; de vermogens van het verstand zijn vast en geregeld, maar tegelijkerijd traag en bepaald, en gaan niet verder dan tot de uitwendige eigenschappen van de weinige voorwerpen rondom ons. Maar als we binnen het voorhangsel komen, dan zullen de volkomenheden van het goud en van het glas verenigd worden, en de onvolmaaktheden van beide zullen dan helemaal ophouden. Dan zullen wij meer kennis bezitten, dan wij ons nu verbeelden kunnen. Het glas zal enkel goud zijn. En dan zullen wij de waarheid begrijpen in al haar betrekkingen en gevolgen; niet zoals nu, door die langzame en gebrekkige weg, die wij redenering noemen, maar door een enkele daad van ons verstand, net zoals het gezicht in een ogenblik door het grootste doorschijnend lichaam heen dringt. Het goud zal enkel glas zijn.

Ik geef dit niet op als de betekenis van die plaats, maar als een overdenking, die mij eens onder het lezen ervan voorkwam. Ik zucht dagelijks onder een oppervlakkige, ontembare verbeelding, en een tastbare donkerheid van verstand, hetwelk mij grotendeels hindert in mijn pogingen om de waarheden van God te beschouwen. Misschien zijn deze klachten, in meerdere of mindere trap, verbonden aan heel het gevallen menselijk geslacht; terwijl zij treurige bewijzen opleveren, dat onze natuur wezenlijk bedorven is. De genade van God verschaft ons hulp, tot verbetering van de wildheid der verbeelding, en tot uitbreiding van de vermogens van de geest; maar de genezing is in het tegenwoordige leven slechts oppervlakkig. Maar straks zullen we in de grond genezen worden, en onze klachten zullen dan voor eeuwig ophouden. Nu kost het ons veel moeite, een beetje grondige en nuttige kennis te verkrijgen, en de denkbeelden die wij verkregen hebben, zijn er verre van om in de macht van ons oordeel te staan; zoals mensen in een gedrang, zijn ze steeds ondereen verward, en tegen elkander aanbotsende. Maar zo zal het niet zijn, wanneer wij volmaakt van de zonde bevrijd zullen zijn. Verwarring en donkerheid zullen ons niet volgen in de wereld waar licht en orde heerst. Dan, en niet eerder, zal onze kennis volmaakt zijn, en wij zullen haar onafgebroken en veilig bezitten.

Naar hoedanig de wortelvermogens van onze ziel dus verzwakt en ongesteld zijn, is het geen wonder, dat de beste mensen, hoe ver zij ook gevorderd zijn in de genade, altijd reden vonden, om met de Apostel te erkennen: Als ik het goede doen wil, ligt het kwade mij bij. Maar, geloofd zij God! Terwijl wij ieder uur stof van schaamte en verootmoediging hebben over hetgeen wij in onszelf zijn, wij hebben oorzaak om ons geduriglijk te verblijden in Christus Jezus, die, zoals ons geopenbaard is onder de verscheiden namen, eigenschappen, betrekkingen en ambten, die Hem in de Schrift toegekend worden. Ons geloof in Hem is een balsem voor alle wonden, een hartsterking tegen alle moedeloosheid, en een voldoende oplossing van iedere tegenwerping, welke de zonde of de Satan tot verstoring van onzen vrede inbrengt. Zijn wij schuldig, Hij is onze Geregtigheid; zijn wij krank‚ Hij is onze onfeilbare Geneesmeester; zijn wij zwak, hulpeloos en weerloos, Hij is de meêdogende en getrouwe Herder, die ons voor Zijn rekening genomen heeft, en niet zal dulden, dat iets onze hoop zal verijdelen, of ons van Zijn liefde scheiden zal. Hij kent ons gestel; is gedachtig dat wij maar stof zijn, en heeft Zich verbonden, om ons te leiden door Zijn raad, ons staande te houden door Zijn macht, en ons uiteindelijk op te nemen in Zijn heerlijkheid, opdat wij eeuwig mogen zijn waar Hij is.

Ik ben met de grootste achting, enz.

April, 1770.

Send this to friend

Spring naar werkbalk