Gehoorzaamheid uit lijden – C.H. Spurgeon
maart 29, 2016
Hij is onder de overtreders geteld – C.H. Spurgeon
maart 30, 2016
Show all

Gelooft niet een iegelijken geest

 

Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn 1 Johannes 4:1a:

 

Er zijn twee beginselen in het menselijk hart, die, wanneer zij volkomenlijk meester worden en de overhand bekomen, het ene tot grof bijgeloof en het andere tot openbaar ongeloof uitbreken. Bijgeloof gelooft alles, schoon ook de kennelijkste onwaarheid; ongeloof gelooft niets, hoewel ook ontwijfelbaar zekere waarheid zijnde. Deze twee tegenovergestelde beginselen, zo vast aan een ieders hart gebonden, matigen zich, vooral bij de natuurlijke mens, onderscheidene gedaanten en vormen aan; maar bereiken bij ieder mens niet dezelfde hoogte, noch breiden zich even ver uit. En inderdaad, gemeenlijk wordt hier het ene, elders het andere dezer beginselen het meest opgemerkt, dewijl de één meer overhelt tot bijgeloof, en een ander meer openlijk tot ongeloof geneigd is. Over het algemeen kunnen wij opmerken, dat de zwakste gemoederen het meest tot bijgeloof, en de sterken veel lichter tot ongeloof vervallen en uitbreken. Letten wij slechts op de uitgangen van onze harten, en indien God de Heilige Geest aan onze consciëntie is werkende, Hij zal ons doen acht geven op derzelver innerlijke bewegingen, wij zullen deze twee beginselen in meer of mindere mate geduriglijk in ons ontwaren; en indien wij acht geven op de gemoederen en bewegingen van anderen, wij zullen deze twee beginselen op gelijke wijze zien werken. Er  zijn  bijvoorbeeld  in elke  gemeente  mensen, die  elke  leraar, welke opstaat om te prediken, als een gezondene Gods bijgelovig aannemen. Zij bezitten zoveel overgeloof, een goede naam voor bijgeloof, – dat wie opstaat in de naam des Heeren, boezemt hun een verborgen ontzag in, en zij aanbidden hem schier als een dienstknecht Gods, schoon hij ondanks veel licht de grootste huichelaar is, die immer zijn belijdenis oneer aandeed. Bij  anderen  vindt  men daarentegen  een  tegenovergesteld  beginsel, namelijk een geest van ongeloof en wantrouwen, zodat zij bijna niemand als een ware Evangeliedienaar aannemen.  Ware het beheer  van  de bediening der kerk en de verkiezing van dienaars enkel en alleenlijk in de handen der eersten gesteld, de predikstoel zou genoegzaam voor allen toegankelijk zijn; ware het bij de laatsten berustende, bijkans niemand zou daar plaats vinden. Dus is er tussen deze twee beginselen van ons gemoed, en van andere harten, een gedurig verschil; en alleen Gods Geest kan ons een recht oordeel geven in alle dingen, en ons bewaren, om ter ener zijde niet door bijgeloof noch ter anderen zijde door ongeloof overwonnen te worden. De apostel Johannes zag in zijn dagen deze geest des bijgeloofs en des ongeloofs werkende. Daar waren sommigen, die “een iegelijk geest” geloofden; en er waren anderen, die “loochenden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen was”. Gelijk elke munt van het rijk nagemaakt wordt, en het gouvernement geen nieuwe munt zou kunnen uitgeven, welke niet onmiddellijk nagebootst werd, alzo, naarmate de kracht en diepte van God ontdekt in de tijden der apostelen, richtte de satan een krachtig en diep namaaksel op. Ontblootte de Heere God te dier tijde krachtiger Zijn arm, en werkte Hij meer openbaar en duidelijker dan in andere tijden, de satan richtte zijn namaaksel op. en verwekte krachtige tegenstrevers om het wondervolle werk Gods tegen te staan. Dus waren in de eerste gemeenten boze geesten uitgegaan, hadden dwaalgevoelens opgewekt, ‘s mensen gemoed in bedrog en dwalingen verstrikt, en hen gevangen genomen in de leer der duivelen.

En, gelijk de geest van God krachtig werkte in de kinderen Gods, zo wrocht de boze geest krachtiglijk in de kinderen des satans. De apostel Johannes leefde ten tijde van, of in de apostolische eeuw en schreef deze brief slechts korte tijd voor zijn dood; en ziende hoeveel van deze verleidende geesten toen alrede waren uitgegaan, waarschuwde hij de gelovigen, aan wie hij schreef, tegen een bijgelovige verering van allen, die opstonden in de naam des Heeren: “Geliefden, gelooft niet een iegelijk geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want”, zo voegde hij er bij, “vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld”. Het bevel dus is niet te geloven, een iegelijk geest, maar de geesten te beproeven, of zij uit God zijn. Gij zult opmerken, dat de apostel zijn geliefde broeders niet zegt, dat zij niet des mensen woorden, maar hun geesten moesten beproeven. Het zijn niet zozeer de woorden, als wel de geest, waarin dezelve gesproken worden, die wezenlijk kracht uitoefent op het gemoed. Woorden komen en gaan gelijk het gemene spreekwoord zegt: – zij komen het ene oor in en gaan het andere oor uit – zij laten geen blijvende indruk achter; maar de geest, hetzij goed of kwaad, dat is, de werking van God de Heilige Geest in het hart, of de werking des satans, de boze geest, in het vleselijk gemoed, laat een blijvende indruk van goed of kwaad. Johannes gebiedt ons derhalve niet ons te wachten van ‘s mensen woorden; want een mens kan iets zeggen, ja, hoe bozer en vuiler huichelaar, des te vrijmoediger en stouter kan hij vaak spreken. Ook beveelt hij ons niet ‘s mensen daden te wegen, hoewel daden menigwerf grote aanwijzingen zijn van het gemoed; maar hij voert ons heide boven woorden en handelingen; en door het waarschuwen voor des mensen geest, leidt hij ons in de binnenkameren, waaruit woorden voortkomen, en de verborgen oorsprong van alle handelingen en daden. “Beproeft de geesten!” Weegt en onderzoekt de geest van een mens, of hij uit God is. Nu, in alzo te doen zal een van God geleerde eerst zijn eigen geest beproeven; en wanneer  hij  zijn  eigen  geest  onderzocht  heeft,  dan  zal  hij  enigszins bekwaam zijn, en ook niet eerder, om de geesten van anderen te beproeven. Met Gods zegen dan, zal ik ter dezer ure trachten aan te wijzen, hoe een kind van God geroepen is zelfs niet zijn eigen geest te geloven, maar te beproeven, of hij uit God is; wanneer hij dit gedaan heeft, en tot enige beslistheid in zijn eigen gemoed gekomen is, hoe hij dan kan voortgaan met die schalen, die in zijn eigen gemoed het recht hebben aangewezen, en de geesten van anderen beproeven; om in dezelfde weg en onder dezelfde invloeden, die hem aangaande zichzelf deden beslissen, tot enig resultaat bij anderen te geraken.

Wanneer de Heilige Geest eens mensen ziel tot het geestelijke leven wederbaart, dan neemt Hij bezitting van hem, maakt zijn lichaam Hem ten tempel, woont in hem, beweegt, ademt en handelt in en op hem. Dit is het voorrecht van elke levende ziel, dat de Geest van God in hem is, zijn

lichaam tot Zijn tempel makende. Nu, Gods Geest kan in de ziel niet werkeloos neerliggen; Hij kan niet bewegenloos Zich daar houden; Hij moet werken, en wel krachtig en volkomen. Gelijk dan Gods Geest licht en leven in de consciëntie uitstort, zo deelt hij ook kracht, wijsheid en onderscheiding aan de ziel mede, waarin Hij woont. In  het  licht  van  Zijn  eigen  indaling,  in  het  leven  van  Zijn  eigen levendmaking, zien en gevoelen wij Zijn werking in ons hart en geweten. En wanneer wij, als Hij ons licht geeft om te zien en leven om te gevoelen. Zijn bedelingen in het hart vergelijken met hetgeen wij in de H. Schrift lezen, en dus het Woord van God bevestigt wat de Geest in ons werkt, zo hebben wij een tweevoudig bewijs waarop wij staan, en onze hoop zal niet beschaamd worden. Doch, naar die mate als de Geest Gods op een gevoelige en bevindelijke wijze in eens mensen hart werkt, zal de satan, die boze geest, in zijn vleselijk verstand en bedenken werken, en door zijn invloeden op onze bedorven natuur, die boze vruchten vóórtbrengen, welke zo bitter en pijnlijk zijn voor iedere tedere en geoefende consciëntie. Laat ons dan zien, wat de Geest des Heeren is en doet in een mens, en hoe wij onze eigen geest zullen beproeven, om te zien of hij uit God is.

  1. Waar de Geest woont, daar is ook de Geest der wijsheid en des verstands. Wij lezen alzo van de Geest, die op Jezus rustte: “Op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN. En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN” (Jes. 11:2-3). De Geest woonde in Christus zonder mate; maar Hij woont met mate in Zijn leden. Zijn gaven en genaden waren Christus zonder mate toegedeeld, maar zij worden met mate aan Jezus’ volk gegeven. De Heilige Geest rustte op de menselijke natuur van Christus als een Geest der wijsheid, der kennis, en des verstands; en alzo is Hij in Zijn leden een Geest van wijsheid, kennis en verstand, en geeft hun de kennis der waarheid Gods. En de waarheid Gods gezien in het licht en gevoeld in het leven van de Geest Gods, als onze inwendige Onderwijzer, leert ons zien en gevoelen, dat de verklaringen Gods in Zijn Woord, eeuwige waarheid zijn. Alzo dat Zijn dreigingen en waarschuwingen, Zijn reinheid en heiligheid, gelijk die in Gods wet ontdekt zijn, en wat Hij ook aangaande Zichzelven in het Evangelie geopenbaard heeft, worden als waarheid gekend, geloofd en omhelsd.
  1. De Geest des Heeren is in het hart des gelovigen niet alleen de Geest der wijsheid, der kennis en des verstands, maar ook de Geest der vreze; gelijk wij lezen van de Geest, die op Christus rustte, welke was “de Geest der kennis en der vreze des HEEREN”. Niet die vreze, die pijn heeft, maar die kinderlijke en Goddelijke vreze, welke is ‘‘een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods” (Spr. 14:27). Zodat, waar de Geest Gods Zijn woning neemt in het hart des gelovigen, daar is Hij in hem een fontein des levens, in alle gewaarwordingen en bewegingen van Goddelijke vrees opwellende.
  2. Wederom, de Geest in het hart van Gods kind is een geest des gebeds. De belofte luidt in het bijzonder: ‘‘Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal lk uitstorten den Geest der genaden en der gebeden” (Zach. 12:10). En de apostel zegt: “Want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen” (Rom. 8:26). De Geest der gebeden wordt aan de ziel gegeven, wanneer God de Heilige Geest eerst in haar daalt; en de Geest des gebeds zal nooit uit het hart scheiden, totdat het gebed in eeuwige dank verwisseld wordt. Die Geest moge inderdaad, gelijk het water in een wel, zo laag zinker, dat het schier onzichtbaar  blijft;  en  altijd  blijft  dezelve  aan  golven  en  afwisselen onderworpen. Somtijds schijnt het met hem te zijn als een rivier bij laag tij, bijna droog geëbd; maar dan verheft zich ook de vloed en de stroom dijt opnieuw in de hoogte, – alzo openbaart zich nog eens de Geest des gebeds in de oren van God en ontvangt een antwoord van Hem. Wat een barmhartigheid, welk een onwaardeerbare zegen, iets van de Geest der gebeden in onze ziel te hebben, Hem krachtiglijk in ons voelende werken, ja, dagelijks te verstaan wat het zegt, toe te gaan tot een troon van genade met hijgingen, verlangen en zuchten naar Gods kennelijke tegenwoordigheid; en al die inwendige gewaarwordingen, welke altijd met de geest der gebeden vergezeld gaan, gedurig- lijk te voelen ontspringen; en dus, niet voor de Heere te komen met dode plichtplegingen of lippendienst, maar met Hanna zich tot Hem te wenden, en onze harten uit te gieten “voor het aangezicht des HEEREN”. Somtijds kan de Geest der gebeden, schoon wij koud, dodig en onverschillig tot de Heere gaan, krachtiglijk ontspringen, en wij mogen al onze smekingen uitstorten voor Zijn troon. Somtijds komen wij belast, en door het uitstorten onzer harten voor de Heere, verliezen wij onze last aan Zijn voeten. Maar ook, wanneer de Geest der gebeden oprijst in het hart, dan ontvangen wij vaak licht over onze weg, de verzoeking, die ons wachtte, wordt verbroken, en de strikken onzer ogen blootgelegd; en licht, leven en gevoel worden in onze ziel ondervonden.
  3. Wederom; waar de Geest van God in eens mensen hart woont, daar geeft Hij hem dat kenmerk, hetwelk zo zichtbaar was in de koning Josia, gelijk God zegt: “Omdat uw hart week geworden is” (2 Kron. 34:27). Wat een barmhartigheid, ja, onwaardeerbare barmhartigheid een teder en week hart te hebben; en de vervulling van die belofte in ons: “En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven” (Ezcch. 36:26). Wat een barmhartigheid een enigszins week hart voor God te hebben; weg te  smelten  onder  een  besef  Zijner  goedertierenheid  en  genade;  een inwendig overgeven onzer ziel aan de werkingen Gods, gelijk het was zich aan het zegel, en het leem zich de pottenbakker onderwerpt; een verbrokenheid van een rebellerend hart, zodat wij niet meer met de verzenen tegen de prikkels slaan, noch zorgeloos en roekeloos voorthollen; enigszins teder te zijn voor de Heere, om over de zonde als een bitter ding te wenen; en wanneer de snode afwijkingen en afkeringen van ons hart geopend zijn, en haar schuld op onze consciëntie ligt, onder dezelve te vallen, en ontzenuwd aan onze eigen gerechtigheid, vertederd en boetvaardig te zijn aan Zijn voeten! Welk een oordeel is een hard hart, dat niets gevoelt, zich aan niets onderwerpt, onder niets zich vernedert, maar gewapend is, gelijk de Leviathan, tegen de verschrikkingen en pijlen des Almachtige! O! wat een barmhartigheid voor u en mij, als wij iets hebben mogen kennen en bevinden van een teder hart voor de Heere, zodat wij niets behoeven dan de bevindingen Zijner hemelse vingeren in onze zielen, om ons te vormen naar Zijn gezegend beeld, gelijk de pottenbakker het leem formeert tot een hem welgevallig vat!
  4.  Waar de Geest Gods woont, daar woont Hij als Geest des geloofs. Zo lezen wij: “Dewijl wij nu dezelfde Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook” (2 Kor. 4:13). Niet maar dat een levende ziel gevoelt, ja, diep gevoelt de tegenstrevende werkingen van de geest des ongeloofs in hem; niet slechts dat hij beproefd, ja, somtijds krachtig beproefd is, met de werkingen van Godloochening en wantrouwen; niet alleen dat het bij tijden hem ónmogelijk schijnt, de eenvoudigste waarheden van Gods Woord te geloven; – maar in spijt van alle deze, is er in de consciëntie een geest des geloofs, die gans verschillend is van het blinde vertrouwen des bijgeloofs, waardoor een mens alle bedrog, dwalingen en misleidingen aanneemt. De Geest des geloofs leert niet alle ding geloven, maar alleen het geopenbaarde door de Geest van God. Het is niet een dood geloof, om ook des satans leugen zijn vertrouwen te schenken; integendeel, als de Geest des geloofs in de ziel werkt, dan neemt dat geloof alleen zulke waarheden aan als God de Heilige Geest der consciëntie ontdekt, haar met Goddelijk gezag toebrengt, en met Zijn hemelse getuigenis aan het hart verzegelt. Wat  een  barmhartigheid somtijds  deze  Geest  des  geloofs  inwendig  te gevoelen, – bij het brengen der belofte des Heeren een hand te hebben, om die  aan  te  nemen;  wanneer  Hij  Zijn  bestraffingen  toepast  aan  de consciëntie, dat er een inwendige onderwerping daaraan is; en wanneer de waarheid met kracht tot het hart komt, er een inwendige geest gevoeld wordt, waardoor de waarheid aangenomen wordt in liefde, tederheid en toegenegenheid, terwijl zij in haar schoonheid, heerlijkheid en kracht in de consciëntie omhelsd wordt! Dit is even wijd verschillende van het bijgelovig vertrouwen der Roomsen of der Putschisten, als het licht van de duisternis, de hemel van de hel.
  5. Waar de Geest des Heeren in de ziel is, daar is Hij als de Geest van een gezond verstand; gelijk de Heilige Geest spreekt: “Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde, en van een gezond verstand” (l Tim. 1:7, naar de Engelse overzetting). En wat een barmhartigheid, ja, zeer grote genade, een gezond verstand te bezitten! Een gezond verstand, dat niet afgetrokken wordt door elke komende en voorbijgaande nieuwigheid, dat niet iedere verwoestende leer omhelst, dat niet gevangen genomen wordt door elke rukwind van geestdrijverij, noch terzijde afgeleid wordt door de bedriegelijke rechten des satans, zich veranderende in een engel des lichts! De Geest des Heeren in de ziel als een geest van een gezond verstand zijnde, neemt alleen gezonde waarheden aan, alleen zulke waarheid, als de consciëntie aanprijst, als het geestelijk verstand ziet, het geestelijk geloof omhelst, en de geestelijke liefde geniet. Welk een voorrecht voor het volk als de dienaar de geest van een gezond verstand heeft, die niet verstrikt wordt door elke leer, welke zo telkens overwaait met de wind van nieuwigheid en mode; die niet afgetrokken wordt door ieder vals licht, dat de satan ontsteekt; die zich niet  laat misleiden door bedriegelijke bevindingen, noch door de schitterende stralen van vleselijke heiligheid, – maar door de geest van een gezond verstand het wezen van het namaaksel ontdekt, en voortbrengt datgene, wat hij getast, gevoeld en gehandeld heeft van het Woord des levens. Deze geest van een gezond verstand zal hem standvastig en oprecht bewaren, temidden van alle bedriegerijen van de dag, en in de heen- en wederslingeringen van de winden der dwalingen zeker en onbevlekt doen wandelen.
    1. Waar de Geest in eens mensen hart woont, daar zal Hij zijn een Geest van liefde, omdat “de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest” (Rom. 5:5). Dit zal vóórtbrengen, liefde tot Jezus als de enigste hope der zaligheid; liefde tot het volk van God, omdat het hart met

    hen verenigd is door de banden van medegevoel en toegenegenheid; liefde tot de waarheid, omdat zij met kracht in de consciëntie gedaald is, en meerder zoetheid daarin wordt gevonden dan in honig en veel honigzeem.

    Maar laat ons nu een weinig onderzoeken naar die geest, welke niet uit God is,  welke  Gods volk  enigermate  in  zichzelf  gevoelt, en meer duidelijk in anderen ontdekt. Een merkteken van de geest, welke niet uit God is, is een geest vanWaar de Geest der waarheid woont, daar is Hij eindelijk een Geest van vroomheid en oprechtheid. Zulken zal nooit kwaad goed, of goed kwaad noemen; zal nooit licht voor duisternis, noch duisternis voor licht stellen; zal nooit bitter voor zoet, noch zoet voor bitter kiezen. Maar er zal in hem zijn een geest van oprechtheid, vroomheid en Goddelijke eenvoudigheid, waardoor hem, hetzij in zichzelf, of in anderen, recht recht, en verkeerd verkeerd is; zodat geen kunstmatige bedekselen, geen valse versierselen, geen geveinsdelijke onderwerpingen, geen vrijzinnige aanmatigingen hem kunnen misleiden in wat waarheid of dwaling is, hetzij dat werkt in zijn gemoed, of zich ontdekt in anderen. Door deze geest der oprechtheid ontdekt hij zijn dwalen en vallen, beweent hij zijn afkeringen; en doet hem, verstrikt zijnde in des satans strikken, over dezelve treuren en zuchten. Nu, zulke en dergelijke kentekenen zullen er in een iegelijk gevonden worden, die de Geest van God ontvangen heeft. En aan deze kenmerken, voor zover Jehova de Heilige Geest daarop schijnt, kunnen wij onszelf en anderen beproeven. Ware godsdienst, levende godzaligheid, zal altijd een bijzondere getuigenis in de consciëntie achterlaten; in haar is een kracht, welke moge nagebootst worden, maar nooit kan zij door haar bezitters misgetast worden.Als een mens leeft onder de getuigenissen en verlichtingen des Heiligen Geestes, zal hij, schoon dan ook niet een blijvende, want er is grote strijd, gevaar van de pijlen des satans, en verontrusting door de ongelovigheid der bedorven natuur, toch bij tijden een inwendige getuigenis hebben dat hij deelgenoot der genade Gods is, door de gewaarwording van de werkingen des Geestes, deze genade en vruchten in zijn ziel voortbrengende. Door de bezitting van deze inwendige getuigenis des Geestes, ziet hij zijn bevinding voorgesteld op elke bladzijde der H. Schrift; en zijn verstand verlicht zijnde in de waarheid, bemerkt hij in de Psalmen en de Profeten, in het O.T. en in het N.T., dat de mannen Gods op even gelijke wijze onderwezen en geoefend werden. En zijn bevinding zo krachtvol bevestigd vindende door de  getuigenis  van  Gods heiligen  in  het  Woord, zo  gaat  hij met  deze tweevoudige getuigenis henen, om Johannes’ bevel in oefening te brengen: “Geliefden, gelooft niet een iegelijk geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn”.Dat is de grote zaak, welke hij te doen heeft, de geesten te beproeven; dat is, de geesten te wegen, te onderzoeken, te beproeven, te toetsen en te ontdekken, voor zover de Heere hem wijsheid geeft, of zij uit God zijn; niet de dingen op het zeggen van anderen aan te nemen; niet maar alles wat men gelieft te prediken met onbetwistbare onderwerping aan te nemen; niet de domper van priesterlist over zijn oordeel te laten zetten; maar zover God de Heilige Geest hem bekwaam maakt en onderwijst, de geesten, die hem voorkomen, te beproeven, of zij uit God zijn. Dit nu geeft niet te kennen, dat hij, die alzo beproeft zich in een ijdel vertrouwen roemende in zichzelf voorgeeft; neen, integendeel kan hij de geesten van hemzelf en anderen niet beproeven, tenzij hij bekleed is met nederigheid. Alleen zover hij een verbroken hart en verslagen geest bezit, kan hij de geesten recht beproeven; want hij heeft ze niet te beproeven in het vlees, niet als degene, die zichzelf van een wonderlijk oordeel waant, niet met vleselijke inbeelding van zijn eigen verbazende kunde en wetenschap, zeggende: Ik zal deze of die beproeven! Maar met ootmoedigheid bekleed, aangedaan met de werking van Goddelijke vrees, en  de  geest der  boetvaardigheid  in de  ziel  hebbende,  zo  is hij  teder, voorzichtig en waakzaam en in het geheime hof der consciëntie, waar God hem beproefde, en met dat hart, waarin God de Heilige Geest woont, beproeft hij de geesten of ze uit God zijn.Er is zoveel hard beoordelen, een haastig, roekeloos, onvoorzichtig afsnijden van velen, hetwelk voortvloeit uit een boze aard, uit nijd, achterdocht, hoogmoed, wantrouwen, ongeloof, gebrek aan liefde, een gemelijke en knorrige natuur, inbeelding en zelfzucht. Men moge maar ter rechter- en linkerhand afsnijden en doorhalen, en dat beproeving der geesten noemen, maar dat is veel licht niets anders dan een lucht geven aan eigen hoogmoed en belangzucht, en alzo een instrument te zijn in de handen des satans, om het volk van God te plagen en te benauwen. Dit is niet het beproeven der geesten waarvan Johannes spreekt. hardigheid. Ik gebruik het woord geest, omdat de H. Schrift op dezelfde wijze spreekt van een geest der dwaling (1 Joh. 4:6); de geest van de antichrist (vs. 3); de geest der hoererij (Hos. 4:12), enz. Wij lezen in Exodus 10:20: “Doch de HEERE verstokte Farao’s hart, dat hij de kinderen Israëls niet liet trekken”. En Paulus zegt: “God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen” (Rom. 11:8). Een geest van hardigheid en verstoktheid dan, is een onfeilbaar teken van de geest, die niet uit God is. Door hardigheid versta ik het tegenovergestelde  van  tederheid.  Tegenstaan  van  Gods  waarheid,  een onwilligheid en een onvermogen om te bukken voor derzelve kracht; een stellen van het oordeel van de hoogmoed, van eigen meningen tegen het plechtig gezag van God, en een ruwe, onbuigzame en wederspannige aard voorstaande. Nu, dit is gans wat anders dan standvastigheid. Evangelische standvastigheid en rechterlijke verstoktheid zijn twee verschillende zaken. Een mens kan onder de weekmaking zijns harten en de dierbaarschatting van Gods waarheid door de Heilige Geest nooit te vast staan; maar hij mag geen hardigheid des geestes hebben; hij moet ogenblikkelijk voor de waarheid vallen. Laat God alleen iets op het hart van Zijn volk drukken, laat Hij slechts zijn consciëntie aanraken, en hij is verbroken en verslagen. Maar zo is het niet met het harde hart; noch wet, noch Evangelie heeft daarop enige kracht, maar zelfs een belijdenis van de godsdienst kan er zijn, bij een hard, een verwaand, een verkeerd hart.

    1. Wij worden geroepen de geesten te beproeven. Welke geest er in de mens zij, hij zal zich aan anderen mededelen. Geest is van een verspreidende aard en natuur. Zo is het in het natuurlijke. De wind die op onze aangezichten blaast en de schepen op de wilde zeeën voortdrijft, verspreidt zich van plaats tot plaats, en vervult elke hoek; er is met dezelve een zekere aandrift, die hem overal kenbaar maakt en gevoelen doet. Alzo is geest iets verspreidends, hetzij de Geest van God ten goede, of de geest des bozen ten kwade. Daarom, beproeft de geesten des mensen op deze wijze. Beproeft de geesten der metgezellen met welke gij verbonden zijt, die de godsdienst belijden; ziet of er in hen hardigheid of een onbuigzame aard is; ziet of hetgeen tot hen gezegd wordt over de godsdienst enige indruk op hen maakt; of er verbrokenheid, weekheid, tederheid, of overgegevendheid tot de waarheid Gods bij hen zij.En als gij onder een rechtzinnige bediening verkeert, ziet toe, of de prediker een harde geest heeft, gij zult het al ras ontdekken, indien God maar uw consciëntie zacht en teder gemaakt heeft, gelijk Job zeide: “Want God heeft mijn hart week gemaakt” (Job 23:16). Ziet toe, of zijn woorden ook als uit een hard hart komen. Is dit zo, zij zullen u enigermate dezelfde verstoktheid mededelen. Gij zult ondervinden, dat er in plaats van die tevoren ondervonden tederheid, weekheid en boetvaardigheid, een trapsgewijze vermeerdering is van ongevoeligheid, hardigheid, dorheid, waardoor de waarheid haar kracht schijnt verloren te hebben; zij daalt niet met kracht in de consciëntie, noch heeft die vernederende indruk zoals in het verleden. Hoe zeer zijn de beginselen van dit vreselijk kwaad gelijk aan de doorbreking van het water! Wanneer eens mensen hart begint te verstokken door de bedriegelijkheid der zonden, of wanneer een harde geest aan het volk wordt medegedeeld van de prediker, het is het beginsel van dit ontzaggelijke kwaad, en, tenzij (God het verhoede, zal het leiden tot vreselijke afwijkingen. Wij gevoelen wel eens een geest van dodigheid in ons, maar o! hoe verschillend is die nog bij een geest van verharding! De mensen plegen te zeggen: Ach! wat ben ik hard en dodig! – maar dat zijn inderdaad twee onderscheidene zaken. Iemand kan zich dodig gevoelen, en onbekwaam zijn om zijn ziel Godewaarts te verheffen, en evenwel niet verhard, niet verstokt zijn. Want hij weet het, dat zo God Zijn kracht betone, zijn hart zal zijn gelijk was

      voor het zegel. Dodigheid is het afwezen van goede en rechte gewaarwordingen en gevoelens; hardigheid daarentegen stelt voor slechte en verkeerde gevoelens, zodat tussen die beide veel verschil is. Maar soms is er ook in ons een geest van hardigheid, welke onze harten verstokt tegen de bedelingen Gods met ons in Zijn voorzienigheid, welke die ook zijn mogen, en bederft die weekheid der consciëntie, welke wij eens hadden. Maar hoe bevreesd is een kind van God voor deze hardigheid.

      Een geest van ijdel vertrouwen is uit de duivel; en gij zijt geroepen te beproeven, of de geesten, die u voorkomen, alzo zijn. Somtijds gevoelen wij een ijdel vertrouwen over ons komen; een geest van ingebeelde verzekering, welke niet ontspringt van des Geestes inwendige getuigenis; een soort van vleselijke vrijmoedigheid, die door haar werking de ziel doodt. Ik ken maar al te goed deze ongestalte; een trotse, stoute vermetelheid, zo zeer verschillend van Gods onderwijzingen en leidingen als de hel van de hemel. Nu, als wij de werkingen van dit ijdel vertrouwen in onszelf gewaar worden, zo kunnen wij het ook in anderen bemerken; en als wij die geest in onze eigen harten verfoeien, kunnen wij die niet dan verafschuwen in anderen. Wat mijzelf aangaat, van alle personen zou ik voor het minst dezen tot mijn gezellen verkiezen, die veel van dit ijdel vertrouwen hebben; en van alle predikers, zoude ik dezen het minst wensen te horen, in wien hetzelve meest openbaar wordt.

      Er is een ware vrijmoedigheid en vertrouwen, gewerkt en onderhouden door de Geest. Iedere genade en vrucht des Geestes gaat hiermede gepaard; en nederigheid, ootmoed. Goddelijke vreze, boetvaardigheid, tederheid der consciëntie, sterven aan de wereld, gebed en hemelsgezindheid kan niet achterwege blijven. Maar het vertrouwen, dat alleen op de uitwendige letter van de leer der genade berust, is geen gave Gods. Het is gemeenlijk weinig anders dan gezonde, sterke en goede geestvermogens, gebracht in de godsdienst; en wereldsgezindheid, hoogmoed, hebzucht, beuzelarij, wispelturigheid, toegeven aan zichzelf en vleselijkheid volgen meestentijds. Weest verzekerd, dat dit ijdel vertrouwen in leraars of in het volk alles goeds dodende is. Wanneer eens zulk een geest hen aangrijpt, en zij hun rust kunnen vinden in een dode verzekering, en geloven en spreken alsof zij ten hemel gingen, terwijl zij niets weten van des Geestes inwendige onderwijzingen en getuigenissen, zonder verbrokenheid in Goddelijke vreze, – het zal de dood zijn aan alle goede en geestelijke dingen in dat volk en die vergadering. Waar het bij de predikers gevonden wordt zal het zich verspreiden. Elke geest, – ik zeide het reeds tevoren, – zal zich mededelen, en waar gij zulk één oren en hart geeft, tenzij God de Heilige Geest genadiglijk de strikken verscheurt, zijt er van verzekerd, dat gij welhaast daaraan deel zult hebben. Onderzoekt en ziet of gij ook in dit ijdel vertrouwen staat. Wellicht had gij in voorgaande tijden meer twijfelingen, oefeningen en vreze dan nu, en gij zegt: Thans heb ik deze alle verloren, en kan meer vrijmoedig spreken van mijn weg ten hemel! Maar lieve vrienden! wat was de oorzaak van derzelver wegneming? Wat deed haar wegvlieden, en bracht u uit dezelve tot deze staat van vertrouwen, waarin gij nu zijt?

      Geschiedde  het  door  de  verheffing  van  het  licht  van  des  Heeren aangezicht? Heeft de Heere Zelf u uit het stof opgericht, u gevende de inwendige getuigenis des Heiligen Geestes, u door Zijn onderwijzingen vertederende en week makende? In één woord, wordt uw vrijmoedigheid gevoeld in een verbroken hart en verslagen geest? Is uw ziel bij tijden verbroken in Goddelijke droefheid, en in liefelijke gemeenschap gebracht met een nederige Jezus? Of rust uw vertrouwen alleen op de uitwendige kennis van de waarheden des Bijbels? Hebt gij het aan de een of andere leraar ontleend? Spreekt gij zo vrijmoedig, omdat uw medebelijders het alzo doen; en omdat twijfelingen en vreze gemeenlijk zo bespottelijk en verachtelijk zijn? Rust uw verzekering op de letter des Woords zonder de inwendige getuigenis en verzegeling des Geestes? Rekent er op, indien zij niet bestaat in de inwendige getuigenis des Geestes, het is een geest van ijdel vertrouwen, hoe zuiver en gelouterd die ook zij, en het ware u beter uw ganse leven lang met twijfelingen en vreze geplaagd te worden, dan uit dezelve gered te worden is een andere weg, dan des Heeren.

      Een geest van vermetelheid en oneerbiedigheid in Goddelijke dingen is een zeker merkteken, dat die geest niet uit God is. Van alle pijnlijke dingen voor een levende ziel is, – mijns bedunkens, – een der eerst te noemen, een geest van oneerbiedigheid in Goddelijke dingen. Lichtvaardigheid, beuzelarij, en oneerbiedigheid op de predikstoel; een spreken van God als van zijn gelijken, in plaats van als smekeling aan Zijn voetbank neder te liggen, – welk een pijnlijk toneel voor de ziel, die geleerd heeft voor Zijn Woord te beven. Ik zeg niet dat een kind van God niet in deze strikken kan verward geraken; maar waar kan zijn consciëntie zijn, als hij niet ziet het vreselijke van tot een heilig God te naderen, zonder eerbied voor Zijn ontzaggelijke majesteit? Wat zegt de Schrift? – “Laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. Want onze God is een verterend vuur” (Hebr. 12:28-29). Hoe heeft de Heere met de heetste tekenen van Zijn ongenoegen de volken bezocht, die zonder eerbied voor Hem durfden naderen! Hoe werden Nadab en Abihu verteerd, omdat zij vreemd vuur offerden! (Lev. 10:1-2). Hoe werd Uza, op het aanraken van de Ark, daar hij geen Leviet was, onmiddellijk door God met Zijn oordeel getroffen! (2 Sam. 6:7). Hoe werden op eenmaal, meer dan vijftig-duizend van de lieden van Beth- Semes geslagen met een grote slag, omdat zij oneerbiedig in de Arke Gods durfden zien! (1 Sam. 6:19). Is Hij nog niet dezelfde heilige, jaloerse Jehova? Zal Hij enig mens in Zijn tegenwoordigheid toelaten, die vermetel, en tot Hem als zijns gelijke durft spreken? O, waar kan eens mensen consciëntie zijn, die voor de Heere durft komen zonder de beoefening van eerbied en Goddelijke vreze?

      Nu, deze geest is, gelijk elke andere geest, van een verspreidende aard. Tedere, eerbiedige gewaarwordingen worden weldra beneveld; en indien wij niet vroegtijdig te wapen staan en bij de eerste waarschuwing des Geestes zorg nemen, wij weten niet hoe spoedig dezelfde oneerbiedigheid ons zal aankleven. Een mens mocht zo wel menen zijn aangezicht aan de wind te kunnen blootstellen, zonder zijn geblaas :e gevoelen, als dat hij zijn consciëntie aan een oneerbiedige geest overgeeft, en denken dat het geen nadelige gevolgen zal achterlaten. Beproeft de geesten dan, en ziet of ze uit God zijn; ziet of deze gemeenzaamheid van toenadering tot de genadetroon in uzelf of anderen een geest van oneerbiedigheid en vermetelheid zij, of dat het de inwendige onderwijzing des Heiligen Geestes zij in een tedere consciëntie.

      Hen licht achten van de zonde; over dezelve sprekende alsof zij nooit een levende ziel behoefde te smarten of te benauwen; roekeloos daarvan te getuigen, alsof het van geen betekenis ware, of wij leven tot Gods eer of tot ons eigen zinnelijk vermaak en voordeel; in één woord, de zonden schijnbaar iets anders makende dan dat schrikkelijke, hetwelk God haat – dat verfoeilijke, afschuwelijke, dat oorzaak was van de foltering, het lijden en het sterven van de Zone Gods; – dat is een geest, die niet uit God is. De Heilige Geest zal nooit iemand de zonden licht doen achten, neen, Hij zal bij tijden zijn hart zelfs doen bloeden onder dezelve. Er zijn sommigen, die loochenen, dat de gelovige kan afwijken. Indien zij immer gevoeld hadden, wat mijn ziel ondervonden heeft, zij zouden schier bloedtranen wenen, indien het bloed langs hun wangen kon vloeien, dat zij zulk een snood overspel, en zulke vuile afgoderij in hun vleselijk gemoed steeds om de heerschappij zien streven. Het is zeer te vrezen, dat een antinomiaanse geest zich in de Gereformeerde kerken zal opdringen, en voor het grootste gedeelte van de predikers tot de toehoorders zal voortplanten.

      Een ongeoefend leraar, met een rechtzinnige belijdenis, vervalt weldra tot vleselijkheid en toegeven aan zijn hart; de zonde wordt de oude mens en de duivel ten laste gelegd, en de leer der genade verkrijgt al licht de plaats van de kracht der genade. Maar een prediker, die zijn hoorders toestaat of zelfs aanmoedigt om in verboden wegen te wandelen, zijn vlees toe te geven, biddeloos en zorgeloos te leven, de bevelen des Woords gering te achten, en alle vermaningen en bestraffingen in de wind te slaan, bij een voortdurende verdediging en vasthouding ener hoge belijdenis, is niet de Geest van God, maar een geest des duivels, – een geest, zwanger van de aller verderfelijkste gevolgen. Wij worden geroepen de geesten te beproeven. Wij behoeven niet zo spitsvondig uit te pluizen, wat elk prediker goed vindt te zeggen. Niet alle boeken, die men ons belieft in handen te geven als een godsdienstig werk, hebben wij aan te nemen als door de Heilige Geest geschreven. Wij zijn niet gehouden ieder woord van hem, die een rechtzinnige waarheid belijdt, te geloven. Wij hebben een bevel, God de Geest roept er ons toe, om de geesten te beproeven bij onze eigen ondervinding, en bij de waarheid, de bevinding en de geboden der H. Schrift. Nu, doet alzo, mijne vrienden! Ik wilde dit op uw consciënties binden. Ziet welke indruk de godsdienstige dingen op uw gemoederen hebben. Welke indruk laten de godsdienstige boeken, die gij leest, aan uw hart achter? Ziet op de personen, die met u belijdenis van de godzaligheid doen, welke uitwerkselen gaan met hun verkering gepaard? Bovenal, ziet op de leraars, die gij hoort, en ziet welke indruk hun bediening op uw consciëntie uitoefent. O! indien ik door mijn prediking het volk meer verhardde, verhovaardigde, roekeloos en zorgeloos maakte, ik zou nimmermeer deze predikstoel wensen te beklimmen. Mijn begeerte is, – God weet het, – dat mijn arbeid iets geestelijks, iets voordeligs, iets blijvends voortbrengt; dat de geest mijns monds zij een geest ten goede, een geest van ootmoed, nederigheid, verbrokenheid, boetvaardigheid, Goddelijke vreze, afzondering en sterven aan de wereld en al haar begeerlijkheden, een geest van liefde, van gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, een geest, in flauwe mate gelijk aan een benauwde, lijdende, nederige Jezus.

      En zo wie iets anders op het oog heeft, dan een middel en werktuig in Gods hand te wezen, om Zijn volk zegeningen mede te delen, waardoor sommigen geroepen, anderen vertroost, en al des Hceren volk het werk der genade te dieper in hun consciënties gewaar worden, het Woord Gods te krachtiger in hun harten gevoerd en te sterker uitgedrukt in hun leven, ik zeg, zo wie iets anders op het oog heeft, en in een andere geest het predikambt bekleedt, hij is de naam van Evangeliedienaar onwaardig. Onderzoekt dan welke vrucht de leraars, die gij hoort, op u hebben. Gij die een geopende consciëntie hebt, onderzoekt welke indruk zijn prediking op uw hart heeft. Vindt gij het bij het verlaten des heiligdom, dat er regen en dauw op uw consciëntie gevallen is? Schijnt de Geest des gebeds aan te wassen, de boosheden van uw vuil hart meer geopenbaard, uw toevlucht der leugenen meer ontdekt, de Heere Jezus meer dierbaar, de kracht der eeuwige dingen meer kennelijk aan uw ziel? Is er in uw hart een begeerte naar de eenzaamheid, opdat gij in het verborgen uw ziel voor de Heere zou mogen uitgieten en op Hem zien, opdat Hij kennelijk nederkwam en u zegene? Wanneer gij deze plaats verlaat, en met de prediking uw hart werd bevochtigd, verfrist, vertederd, de liefde tot de wereld gedood, de zonde gekruist, uw ziel meer den beelde van Christus gelijkvormig gemaakt, uw genegenheden hemelwaarts getrokken, gij hebt iets goeds genoten; en de Geest, welke uit God is, is u enigermate medegedeeld geworden. Maar wanneer gij deze of enige andere kerk verlaat, en u hard, zorgeloos, ijdel vertrouwende, opgeblazen gevoelt met ik weet niet welke denkbeelden; en gij u de volgende dag met verdubbelde ijver kunt begraven in de wereld, en de prediking u een nieuwe beweegreden zij, om u geheel en al in de dingen van het zin en zienlijke te verdiepen, o! wacht u voor dc strikken die u gespannen zijn. Dat het bestuur dezer gemeente mannen Gods kieze, en alle andere leraars vliede  als  de  pest; dat  ze  de  geesten  beproeven, en  niet  naar  grotere vergaderingen zoeken, om uitwendige voordelen of iets dergelijks. Laat deze vleselijke beweegredenen vallen. Wanneer zij God vrezen, en de Heilige Geest hun Onderwijzer is, zij zullen die leraars zoeken, welke de zielen des volks het meest voordelig zijn, en het meeste bewijs hebben, dat de Heere hun woord wil zegenen. Zij hebben acht te geven en te waken over de vrucht der bediening; welke vruchten ter ere Gods daar zijn; wat Goddelijke droefheid, verbrokenheid des harten, liefde Gods en des broeders,  geest  des  gebeds,  sterven  aan  de  wereld,  als  vruchten  zich voordoen; en hun begeerte zal zijn, dat alle goed woord en werk overvloedig zij in de gemeente tot heerlijkheid van God.

      Dus zijt gij, voor zover God de Heilige Geest uw Onderwijzer is, geroepen de geesten te beproeven, of zij uit God zijn; en zo zal een kind van God gedurige oorzaak hebben tot inwendige beproeving. Somtijds zal hij zijn eigen hart beproeven aangaande de bedelingen Gods met hem; en het zal zijn gelukzaligheid zijn een zoete getuigenis te vinden, dat des Heeren handelingen met Hem in barmhartigheid zijn. Somtijds zal hij de boeken beproeven, die hij in handen krijgt; want “het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt” (Job 34:3), en hij zal ieder boek onvoldaan terzijde leggen, hoe rechtzinnig ook, dat hem geen genade zijner  ziel mededeelde. Boeken als die van Hart, Bunyan, Huntington en andere godzalige mannen, zullen een aangename indruk op hun ziel achterlaten, gelijk die onder de bevochtiging des Geestes geschreven zijn. En onder de beproeving der geesten zal hij meer afgebracht worden van de naam van te leven, met slechts weinige rechtzinnige waarheden in zijn oordeel; en velen zullen hem gans anders toeschijnen dan vroeger. Deze zullen zijn voorname vrienden en metgezellen zijn, die ootmoedig en teder zijn, en het meest bevrijd van een praat-christendom; welke gesprekken het meest met zou besprengd zijn; welke gedrag en wandel onbesproken en zelfverloochenend is; die meest eenzaam en afgescheiden van de wereld wandelen, en een inwendig gevoelig leven bewijzen, aan zulke gevoelt hij een nauwe vereniging en wenst met hen te leven en te sterven. Naarmate de Geest hem meer en meer in de levende godzaligheid inleidt, zal hij uitgezuiverd worden van het vlees in al zijn vormen, meer begeren te leven onder de bedamping des Geestes, en tot dit besluit komen, dat vijf minuten in de gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, en een leven onder Zijn onderwijzing en zalvende invloeden, beter is, dan alle onderhandelingen met de wereld, of alle verkeer en omgang, die hij zelfs met Gods volk mocht hebben. Dus zal zijn godsdienst in engere kring besloten zijn, namelijk in de eenvoudige en bijzondere inwendige handelingen van God met zijn ziel, En als hij meer en meer in de oven gebracht wordt, zal de droesem en het schuim zijner valse godsdienst wegvallen, en hij zal uitkomen als een vat, bekwaam tot des Meesters gebruik, meer gereinigd en gelouterd, met’ bet beeld, de zin en de gelijkenis van Christus gekenmerkt.

      Vele jaren kunnen er toe nodig zijn om deze dingen met een geestelijk oog te zien en dezelve kracht te gevoelen, Wij mogen die, schoon niet zeer diep, vroeger gekend hebben; on dit weet ik van mijzelf te zeggen, dat sedert ik de kracht der eeuwige dingen gevoelde, ik gestreden heb voor het leven en de kracht der godzaligheid. Toen ik in de kerk van Engeland was, begraven onder een ganse stofhoop van formaliteiten, pleegde ik dezelfde dingen te prediken als thans, voor zover ik daarin geleid werd, schoon ik toen niet wist van bevindelijke leraars en boeken Maar toen de Heere mij onderwees, toen sprak ik gelijk ik gevoelde, – het is zo, ik belijd het, inderdaad in zwakheid en in veel onkunde en duisterheid, maar toch in oprechtheid en eenvoudigheid,  En heden is het de begeerte mijner ziel, steeds eenvoudiger te kleven aan, en te Strijden,  niet  voor  denkbeelden  en  vormen,  maar  voor  de  inwendige onderwijzingen, leidingen en besturingen van God de Heilige Geest in de consciëntie; niets te weten, dan door Zijn onderricht; niets te zijn, dan wat Hij maakt; niets te hebben, dan wat Hij geeft. En als de Heere onze Leermeester is, dan zullen wij meer de Zone Gods en minder onszelf begeren te leven, van alle creaturen af te laten en als het leem te zijn in de handen van de grote Pottenbakker; en onzer ziele begeerte zal steeds toenemen, dat Hij in ons werke het willen en het werken naar Zijn welbehagen, en ons maake datgene, waarin Hij lust heeft. Amen.

       

       

       

       

       

       

Send this to friend

Spring naar werkbalk