Gerechtigheid in Hem – C.H. Spurgeon
april 4, 2016
De doop als uitwerking van het geloof in Christus, Door: J.C. Philpot
april 4, 2016
Show all

De betekenis van de doop

De betekenis van de doop overgenomen uit: ‘En dit is het eeuwige leven, overdenkingen over de heilige menselijke natuur van de Zaligmaker’ door J.C. Philpot, hfst. 7.

 

Welnu, daar het de Heilige Geest belieft ons in te leiden in een bevindelijke kennis van de Heere Jezus en ons een mate van vereniging en gemeenschap schenkt met Zijn heilige Majesteit, leidt Hij ons in een verbond met Hem in Zijn lijden, dood en opstanding. Dit is het waarvan de apostel zegt dat het gesymboliseerd wordt door de verordening van de doop als een gevestigd beeld en een vaste afbeelding van de doop van de Heilige Geest. ‘Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden. Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding’ (Rom. 6:3-5). De verordening van de doop wordt zo voorgesteld als beeld van die hogere, heiligere en geestelijkere doop, waardoor in levende bevinding gelovigen één gemaakt worden met Christus in Zijn dood, begrafenis en opstanding. En hier wordt Zijn mensheid echt gezien in Zijn bijzondere deugd en onderscheidende heerlijkheid, want het is alleen als ‘leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen’

1 Dr. Tattam heeft onlangs in Egypte enige oude Koptische vertalingen ontdekt van de eerste Kerkvaders, uit welke de heer Cureton, van het Britsck Museum, klaarlijk heeft bewezen dat de welbekende plaatsen gewoonlijk gebezigd ten gunste van het Episcopaat enz. door de monniken zijn ingeschoven.

2 Ik daag iedereen uit, die bekend is met de Grieksche taal, mij een enkele plaats van enige auteur, gewijden of ongewijden, te leveren, waar βαπτιζϖ de betekenis heeft van begieten of besprengen. Lidell en Scott geven in hun bewonderenswaardig woordenboek, het nieuwste en beste dat in de Engelse taal bestaat, de volgende beteekenis aan het woord ‘to dip repeatedly – dipunder’ (herhaaldelijk indiepen – onderduiken) ‘to bathe’ (baden), baptize (dopen).

 

(Ef. 6:30). Dit is het fundament van de vereniging dat zij gedoopt zijn in deze geestelijke gemeenschap met Hem. Dit deel van ons onderwerp echter moet verder worden opengelegd. De Kerk heeft dan een mystieke maar niet minder wezenlijke vereniging met Christus, vanwege het feit dat Hij het vlees en bloed der kinderen verenigd heeft met Zijn eigen Goddelijke Persoon. Krachtens deze vereniging met Hem, als lidmaten met het Hoofd, deelde zij met Hem in alles wat Hij deed en waarin Hij voor haar leed. Deze persoonsvereniging hebben alle uitverkorenen, zelfs zij die nog onbekeerd of ongeboren zijn. Deze vereniging geeft daarom niet van zichzelf gemeenschap, hoewel het er het fundament van is. Een ander soort vereniging dan is noodzakelijk, die bijzonder is voor de wedergeborenen, en die zij hebben naar de precieze afmeting van hun aandeel van de Geest van Christus, want ‘indien iemand de Geest van Christus niet heeft, Hij is niet van Hem’, dat is door innerlijke of uiterlijke openbaring.

Door deelgenoten gemaakt te zijn van de Geest van Christus hebben de leden van Zijn symbolische lichaam een levende vereniging met Hem, want ‘die de Heere aanhangt, is één geest met Hem’ (1 Kor. 6:17). Door alzo gedoopt te zijn door de Heilige Geest zijn ze eensgeestes gemaakt met de Heere en hebben zo een gemeenschap met Hem in Zijn lijden, dood en opstanding. Zoals Hij stierf onder de vloek der wet en de schuld en last van de zonde, ja, de dood stierf aan de wet en de zonde, door de dood bevrijd zijnde van de vloek der wet en de straf der zonde, zo sterft de gelovige onder de vloek van de wet en de last van schuld en zonde in zijn geweten.

En ja, krachtens zijn vereniging met Christus als lidmaat van Zijn lichaam en van de gemeenschap met Hem door de doop door Zijn Geest, sterft ook hij aan de wet en aan de zonde en hoeft de straf van de ene niet meer te ondergaan, of te leven in de macht van de ander. Hoewel hij echter aldus verlost is, nochtans wordt hij tot het eind van zijn dagen, terwijl hij treurend en gebukt gaat onder de zonde en lijdt onder de verbergingen van Gods aangezicht, door satan verzocht en aangevallen, gehaat en vervolgd door de wereld, vaak in de steek gelaten door volgelingen en vrienden, gekruisigd met Christus en heeft omgang met Hem in Zijn lijden en dood. Zijn leed, zijn beproevingen, zijn verzoekingen, zijn lijden, alles gelouterd voor het welzijn van zijn ziel, leiden hem tot het kruis van Zijn lijdende Heere, om leven te verkrijgen uit Zijn dood, vergeving en vrede door Zijn verzoenend bloed, rechtvaardigheid uit Zijn Goddelijke gehoorzaamheid en overgave aan Gods wil uit Zijn heilig voorbeeld.

Hier is de wereld hem gekruisigd en hij de wereld (Gal. 6:14), hier de zonde gedood (Rom. 6:6; 8:13) en de heersende macht ervan onttroond (Rom. 6:12), de oude mens gekruisigd en afgelegd (Rom. 6:6; Ef. 4:22) en de nieuwe mens aangedaan. Zo heeft de door de hemel onderwezen gelovige een geestelijke vereniging met zijn lijdende en stervende Heere, zo lijdt en sterft hij met Hem en door dit deelgenootschap aan Zijn lijden en sterven wordt hij hier op aarde gelijkvormig gemaakt aan Zijn lijdende beeld (Rom. 8:17,29; 2 Tim. 2:12) en aan Zijn dood (Filip. 3:10). Dit is niet slechts een leerstelling, een artikel van een zuivere geloofsbelijdenis, maar een levensfontein voor de ziel van iedere gelovige naar de mate van de Geest waardoor hij is gedoopt in de dood van Jezus. Maar meestal is het alleen door een lange reeks van droefenissen, verliezen, teleurstellingen, kwellingen, ziekten, pijnen van lichaam en ziel, hete vuurproeven, diepe wateren, als geheiligd door de Heilige Geest voor het voordeel van Zijn ziel, dat het kind van God in dit deel van christelijke bevinding komt.

Deze dingen zijn werkelijk de dood voor het vlees, en zijn daar ook voor bedoeld, opdat het gekruisigd en gedood zal worden; het zijn doodslagen voor ieder plan van aardse vreugde, werelds geluk, alsmede voor alle wettische hoop en farizeïsche gerechtigheid; zij zijn echter de hand van de Geest, het leven van de gelovige ziel. Want ‘bij deze dingen leeft men en in dit alles is het leven van mijn geest’ (Jes. 38:16). Kruisiging is een lange, pijnlijke, trage dood. De natuur sterft moeilijk en worstelt, maar worstelt tevergeefs tegen de vastberaden, gezegende hand die hem aan het kruis van Jezus Christus nagelt. Maar genade Hem Die daar leed en bloedde meer en meer aanhangend, put leven en kracht uit Zijn bloed en liefde. Deze ervaring deed de apostel zeggen: ‘Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. Want wij die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijke vlees zou geopenbaard worden’ (2 Kor. 4:10,11). Hier lag het geheim van al zijn. kracht, al zijn heiligheid, al zijn geluk. Deze innerlijke bevinding van de kracht en zegening van het kruis zette hem aan met standvastige en heilige beslotenheid niets te weten onder de mensen dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Dit deed hem zeggen als de voornaamste toets die de verlorenen en de verlosten onderscheidt: ‘Want het woord des kruises is wel dengenen die verloren gaan dwaasheid, maar ons die behouden worden is het een kracht Gods’ (1 Kor. 1:18). Want dit was niet alleen de ervaring van Paulus, een verborgen geheim waarvan alleen hij door genade gelukkige deelgenoot gemaakt was. Allen die door dezelfde Geest onderwezen worden en dezelfde vereniging en gemeenschap met de gekruisigde Heere hebben, hetzij Jood of Griek, weten dat Hij de kracht Gods en de wijsheid Gods is.

We lezen van de gelovigen dat zij zijn ‘eikebomen der gerechtigheid, een planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde’ (Jes. 61:3). Deze planting is een geplant worden in Christus om die vereniging en gemeenschap met Hem te hebben, zoals de levende ranken met de wijnstok. De apostel zegt daarom dat ze ‘met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods’ (Rom. 6:5). Wat de wijnstok is, dat zijn de ranken. Waar de wijnstok is, daar zullen de ranken zijn. De wijnstok lag eens verslagen ter aarde; de ranken eveneens. De wijnstok rees van de aarde op naar de hemel, de ranken rijzen mee omhoog. Zoals dan een in goede aarde geplante boom van de sappen daarvan drinkt, of eerder als een geënte loot zo vergroeid raakt met de moederstam dat deze er één mee wordt, niet alleen in uiterlijke kracht en stabiliteit van een eenheid, maar er zo één mee is dat deze er geneeskracht, sap en vruchtbaarheid uit put, zo put de ware gelovige, geplant zijnde in gelijkmaking van de dood van Christus, uit Zijn volheid voorraden van genade en kracht.  Uw toegenegen, J.C. Philpot

 

avatar
 
smilegrinwinkmrgreenneutralarrowshockunamusedcooloopsrazzrollcryeeklolmadsadexclamationquestionideahmmbegwhewchucklesillyenvyshutmouth
  Inschrijven  
Abonneren op