Houd sterk aan in het gebed.
januari 2, 2016
De Edele Olijf (Deel 2)
januari 2, 2016
Show all

Achste brief van John Newton aan een edelman. April, 1773.

 

Mijn heer!
Ik ben de vijf of zes laatste weken vrij onpasselijk geweest. De oorzaak van mijn ongesteldheid was verkoudheid, die gepaard ging met een ‘lichte koorts, en gedurende enige tijd, aan hoest, waardoor het prediken moeilijk ging; hierop volgde een doofheid, zo groot, dat mij het spreken met anderen haast geheel belet was, terwijl ik geen woord kon verstaan, tenzij het zeer hard in mijn oor gesproken werd. Maar de Heere heeft genadiglijk de koorts en hoest weggenomen, en mijn oren geopend, zodat ik thans wederom nagenoeg tot vorige gezondheid hersteld ben. Ik vond in deze weg stof tot ‘dankzegging, en wel voor twee dingen in het bijzonder: eerst: dat ik in staat mocht zijn, hoewel somtijds met enige moeite, mijn openbaar dienstwerk te blijven waarnemen. Het is een bijzonder voorrecht, waarvoor ik dankbare erkentenis schuldig ben, dat in de tijd van bijna negen jaren gedurende dat ik het Woord bediend heb, onze openbare Godsdienstoefeningen, op de dag des Heeren en in de week, niet éénmaal zijn verhinderd geweest; terwijl ik, in diezelfde tijd, verscheidene van des Heeren dienaars voor een aanmerkelijke periode buiten staat gesteld zag om hun werk te verrichten.

 

Mijn andere grote voorrecht was, dat het de Heere behaagde, mij in een stille en gelaten gemoedsgestalte te houden, zodat ik, doof was, en niet verzekerd of ik ooit mijn gehoor terug zou krijgen, steeds even gerust en welgemoed was, als in andere tijden. Dit was een uitwerksel van Zijn goedheid — want hoewel mij Zijn vrijmacht, wijsheid, en getrouwheid, Zijn recht, om te doen al
wat Hem behaagt, en de zekerheid dat alles wel doet, genoeg bekend zijn, om mij overvloedige bewijzen op te leveren dat onderwerping aan Zijn wil onze onvermijdelijke plicht is, ben ik nog
thans bewust, dat ik, wanneer de beproeving dadelijk komt, niet tegenstaande al de raad en het onderwijs, die ik aan anderen gegeven heb, zou te werk gaan als een wild dier dat in een net
gevangen is, misnoegd en ongeduldig zijn, en vergeten dat ik een zondaar ben, en dat Hij de vrijmachtige Opperheer is —zo zou het, zeg ik, altijd en onveranderlijk met mij gesteld zijn, indien
het Hem niet genadiglijk behaagde, Zijn Woord te vervullen, dat de ‘ sterkte Zijns volks zal zijn gelijk hunne dagen. Ik hoop dat mijn doofheid voor mij leerrijk is geweest. De werking van onze
zintuigen geschiedt zo gemakkelijk en aanhoudend, dat het schijnt, alsof dit zo moest zijn; maar toen werd ik indachtig, hoe wij die voorrechten, die ons het meest gewoon lijken, en allernoodzakelijkst zijn tot een genoegelijk slijten van het leven, alleen bij vergunning kunnen genieten. De uitwendige zinnen, de vermogens van de geest, gezondheid van het lichaam, en vrede van het gemoed, zijn zeer hoog te schatten; maar de duur  van deze dingen voor een enkele ogenblik, hangt af van Hem, die opent en niemand sluit, en die sluit en niemand opent. Een minuut is meer dan lang genoeg, om ons te beroven van hetgeen ons het dierbaarst is, of, zo het ons niet ontnomen wordt, ons te beletten er enig gebruik of genoegen van te hebben. Mijn doel is niet, uw Lordschap te onderwijzen, maar alleen de gedachten te vertellen die het meest in mijn geest omgingen, toen ik niet in staat was om met iemand te spreken. Het zijn zekerlijk eenvoudige en bekende waarheden, die ik lang als onbetwistbaar erkend heb; maar ik vind reden om dankbaar te zijn, wanneer de Heere die met nieuwe kracht op mijn gemoed drukt, al is het dat Hij het goedvindt dit te doen door middel van tegenspoed.

 

Ik heb onlangs iets gezien van het gewicht en de aangelegenheid van de vermaning, die wij lezen in Jeremia 9: 23, 24:‘ Z0 zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijne wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijne ‚sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom. Maar die zich beroemd, beroeme zich hier in, dat hij verstaat, en kent, dat’ Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht, en gerechtigheid op aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere. Een plaats, welke, schoon meer bijzonder voor de wijzen, de sterken, en de rijken, nochtans van
een algemene toepassing is — de eigenliefde toch, tenzij bedwongen en gedood door de genade, zal altijd iets vinden waarop zij roemen wil, in de geringste karakters, en in de laagste stand. En inderdaad, wanneer men de zaken weegt in de weegschaal des Heiligdoms, dan hebben de krankzinnigen die in het gesticht zitten, en van welke sommigen roemen op hun stro of op hun ketenen,
‚als tekenen van pracht, of van koninklijke waardigheid, zoveel reden vóór zich, als iemand op aarde, die in zichzelven roemt. Dit alleen is de gepaste grond van roem en blijdschap, dat wij de
Heere kennen — dan is alles veilig voor het tegenwoordige, en alles zal eindigen in eeuwige zaligheid; welke veranderingen ook onze tijdelijke zaken‚ ondergaan mogen, dan zijn onze beste belangen en uitzichten verzekerd, boven het bereik van alle verandering; en al wat wij in dit enge perk des tijds verliezen of lijden mochten, zal dan overvloedig “erfgoed worden in de heerlijken staat der eeuwigheid, die zeer nabij is.

Ik ben, enz. April, 1773

Send this to friend

Spring naar werkbalk