Zij aten van de opbrengst
januari 1, 2016
Houd sterk aan in het gebed.
januari 2, 2016
Show all

Bijbelstudie over

DE EDELE OLIJF – HAZAYIT HATOV

bvuh tyzh

DOOR WERNER STAUDER

DEEL 1

Mijn bijbelstudie over de Joodse identiteit van de Gemeente (studie nr. 004) ben ik begonnen met een anekdote uit het leven van onze geliefde Joodse zuster Rebecca de Graaf-van Gelder en ook deze keer wil ik beginnen met een citaat van tante Rebecca: “G’d heeft met Israël een verbond gesloten en als teken daarvan de besnijdenis gegeven als een eeuwige inzetting. Daar is niets voor in de plaats gekomen. De besnijdenis blijft dus een eeuwige inzetting voor Israël. De volken die erbij komen, komen erbij door geloof! Iemand drukte het eens zó uit: Israël komt door het verbond tot het bloed (Leviticus), de volken komen door het bloed tot het verbond (Golgotha). Of met de woorden uit Genesis 12:3: “In het nageslacht van Abraham, Izaäk en Jakob (het volk Israël dus) worden alle geslachten van de aarde gezegend.” De gelovigen uit de volken komen op individuele basis tot het verbond. Door geloof! Paulus zegt het in Romeinen 3:30 zo mooi: “Die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof.” De volken worden dus ingelijfd bij dat deel van Israël dat gelooft dat Yeshua [Jezus] de beloofde Messias is! In Yeshua haMashiach is de G’d van Israël niet opgehouden met Israël, maar er juist verder mee gegaan. De kerken zij vergeten, of hebben het niet gezien, dat ze bij het gelovige deel van Israël zijn ingelijfd (zie Efeziërs 2:11-22). Dat is de echte Gemeente! Geen Israël zonder de gelovigen uit de volken en geen gelovigen uit de volken zonder Israël. Het is G’ds bedoeling die twee, die gescheiden waren, één te maken. Dat is gebeurd op Golgotha. En wat Hij daar samengevoegd heeft scheide de mens niet. Toch zijn velen daar nog steeds mee bezig. Bijvoorbeeld door uitdrukkingen als ‘Kerk en Israël’, en dan vooral de ‘kerk’ voorop terwijl het eigenlijk andersom moet zijn. Ook hier geldt de goede volgorde: ‘Eerst de Jood en dan ook de Griek’. Ons denken moet vernieuwd worden. Israël moet niet tot de Kerk komen, maar de Kerk is bij Israël gekomen, bij het niet verharde deel van Israël. In de Messias zijn we, ieder naar onze aard, in volledige balans gebracht. En zo kunnen we tot volle ontplooiing komen. Dat geldt niet alleen voor de verhouding tussen Jood en heiden, maar ook tussen werkgevers en werknemers, man en vrouw – balans in Hem (zie Galaten 3:28). Wel onderscheiden, maar niet gescheiden. Zo behoren we in de Gemeente, het lichaam van de Messias, met elkaar te verkeren. Elkaar respecterend, ieder naar zijn geaardheid en bestemming. De Jood wordt geen Griek (christen!!!) en de gelovige uit de volken wordt geen Jood! Ik hoor zo vaak zeggen: ‘Maar dan zijn we dus toch geestelijk Israël?’ Daar is naar mijn oordeel geen bezwaar tegen, mits het niet betekent: ‘in de plaats van’! We mogen die uitdrukking best gebruiken, zolang we maar blijven inzien dat de gelovigen uit de volken worden ingelijfd bij Israël, en wel bij dat deel van Israël dat Hem als Messias mag zien. Dan blijft het door G’d gemaakt bestek bestaan.” – Tot zover tante Rebecca de Graaf. Helaas ziet nog steeds niet iedere christen zo helder als zij het deed, dat de gelovigen uit de volken geënt zijn op de edele olijf. Vandaar deze bijbelstudie. Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] moest drie hele hoofdstukken in zijn brief aan de Romeinen besteden om aan de heidenen duidelijk te maken, dat zij beslist niet in de Gemeente de plaats van de Joden hebben ingenomen, maar dat zij slechts erbij zijn gekomen. Geen vervanging dus, maar een toevoeging! In Romeinen 9-11 gaat Sha’ul diep in op de plaats van zowel Joden als gelovigen uit de volken in G’ds heilsplan, alsof hij toen reeds had voorzien in welke richting de Israël-theologie zich onder de gelovigen uit de volken later zou gaan ontwikkelen. Laten we derhalve nu zorgvuldig van vers tot vers bekijken welke argumenten Sha’ul aanvoert om aan te tonen dat de Eeuwige Zijn volk niet verstoten heeft, maar Zijn beloften aan Israël gestand zal doen – op Zijn eigen manier en op Zijn eigen tijd!

 

De verkiezing van Israël (Romeinen 9:1-29)

 

“Ik spreek de waarheid in de Mashiach, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door Ruach haQodesh [de Heilige Geest]: Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van de Mashiach verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de Verbonden (let op het meervoud: Verbonden, want óók het Nieuwe Verbond is met Israël gesloten: Jer. 31:31-34) en de wetgeving en de eredienst en de beloften; hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Mashiach, die is boven alles, G’d, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen.” (Romeinen. 9:1-5). – Sha’ul [Paulus] begint hier met te zeggen dat hij niet liegt en hij voegt er direct aan toe dat Ruach haQodesh [de Heilige Geest] in zijn geweten spreekt. Het moet derhalve uitermate belangrijk zijn wat hierna zou volgen! Hij heeft groot verdriet vanwege het deel van zijn volk dat niet heeft begrepen dat Yeshua de Mashiach is waarvan de profeten hebben gesproken, want: “Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 1:11). Yeshua heeft zelf gezegd: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (]nxvy Yochanan [Johannes] 14:6), en daarom beseft Sha’ul maar al te goed dat veel van zijn volksgenoten voor eeuwig verloren zullen gaan als zij Hem blijven afwijzen. Daarom heeft hij zo een groot verdriet en durft zelfs zo ver te gaan, dat hij liever van de Mashiach verbannen wil zijn dan dat een deel van zijn volk verloren gaat. Herman Goudswaard vroeg wel eens in samenkomsten, wie er van Christus verbannen wil zijn ter wille van zijn broeders en zusters. Die mag gaan staan. Nog nooit heeft Herman meegemaakt, dat iemand dat deed! Het is overigens opvallend dat het Griekse woord anaqema anathema in deze tekst met “verbannen” wordt vertaald, terwijl het elders “vervloekt” betekent. Het gaat Sha’ul als een zwaard door zijn ziel dat zijn broeders naar het vlees ondanks hun vele voorrechten als volk van G’d het wezen van Zijn verlossing en genade niet hebben begrepen en is zelfs bereid om zelf, ten behoeve van zijn volk, de vloek der verbanning op zich te nemen en te verkiezen boven de eeuwige zaligheid! Op dezelfde manier pleit ook Moshe [Mozes] voor zijn volk. Toen G’d plannen maakte om het volk te vernietigen, gebruikte Moshe bijna dezelfde woorden als Sha’ul: “Delg mij maar uit Uw boek, maar laat Uw volk leven!” (tvm> Sh’mot [Exodus] 32:32). Moshe pleit op het verbond dat haShem met Zijn volk heeft gesloten. Als de Eeuwige Israël zou verdelgen, zou Hij verbondsbreuk plegen. G’d verhoort dit gebed omdat Hij doet wat Hij belooft! Nu wordt ook duidelijk waarom Sha’ul van Yeshua verbannen wil zijn omwille van zijn volk: omdat niet de betrouwbaarheid van het Joodse volk op het spel staat, maar de geloofwaardigheid van G’d zelf! Het voortbestaan van Israël is het bewijs dat G’d bestaat! De Joden zijn uniek omdat de Eeuwige hen heeft uitgekozen om redding te brengen aan de wereld. Yeshua zegt immers zelf: “Het heil is uit de Joden!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 4:22). De Joden zijn G’ds volk op een wijze die niet van toepassing is op enig ander volk op aarde. Wat een adembenemende roeping! Maar nu rijst onmiddellijk de vraag: heeft G’ds woord dan afgedaan? Want als het Joodse volk inderdaad het speciale voorrecht van G’ds beloften geniet, waarom hebben zo veel Joden hun eigen Mashiach [Messias] dan verworpen? Waarom staan zij dan buiten h>dxh=tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Verbond], terwijl zij juist tot het verbondsvolk behoren? Sha’ul geeft daar een eenvoudig antwoord op: “Maar het is niet mogelijk, dat het woord G’ds zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Avraham [Abraham] zijn, maar: Door Yitz’chaq [Isaak] zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen G’ds, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht.” (Romeinen 9:6-8). Met name op deze tekst is de vervangingsleer gebaseerd, want men denkt er uit te halen dat gelovige heidenen geestelijke Joden zijn omdat volgens Gal. 3:19 de beloften van Abraham op Jezus Christus sloegen en via Hem op de Kerk zijn overgegaan. Samen met de gelovige Joden vormen de gelovige heidenen volgens Galaten 3:29 het zaad van Abraham en wordt zo tot het “nieuwe Israël” of het “geestelijk Israël”, dat in de plaats van het “ongelovige, natuurlijke Israël” is gekomen. Zo is de nieuwtestamentische Kerk de voortzetting van het oudtestamentische Israël geworden en sinds die tijd geldt voor dat oude natuurlijke Israël hetzelfde als voor alle andere volken: behoudenis is alleen mogelijk voor degenen die Jezus Christus als Heer en Verlosser aannemen en zich bij de Kerk voegen. De door de aanhangers van de vervangingsleer aangehaalde tekst Romeinen 9:6-8, die zich inderdaad makkelijk lijkt te lenen voor deze gedachtegang, betekent echter geen vervanging van Israël door de Kerk, maar een verwijzing naar het gelovige deel van Israël! Er is hier ook geen sprake van enige uitbreiding naar de gelovigen uit de volken, maar veeleer een beperking binnen Israël! Sha’ul [Paulus] zegt hier namelijk niet dat gelovige heidenen ware Joden zijn, en hij heeft eveneens nooit gezegd dat ongelovige Joden géén Joden meer zijn. Binnen de context laat hij alleen het verschil zien tussen het gelovige en het ongelovige deel van Israël, tussen het Israël naar het vlees en het Israël naar de geest. Er is dus een Israël binnen Israël net zo als er ook sprake is van een Kerk binnen de Kerk ofwel de onzichtbare Kerk. Door de toenemende vrijzinnigheid onder de christenen kan men nu ook spreken over het gelovige en het ongelovige deel van de kerk. Er zijn namelijk “christenen” die door de kinderdoop lid zijn geworden van een kerk, maar er verder niets aan doen, de zogenaamde “naamchristenen” en de “wedergeboren christenen”. Sha’ul wilde dus duidelijk maken dat ongelovige Joden niet automatisch kinderen van G’d kunnen zijn alleen omdat ze naar het vlees deel uitmaken van het uitverkoren volk. Alleen die Joden mogen zich tot kinderen der belofte rekenen, die voldoen aan de twee voorwaardes: geloof en het verkiezend voornemen van de soevereine G’d, dat tot uitdrukking kwam in de verkiezing van Ya’aqov [Jakob] boven Esav [Ezau]: “Door Yitz’chaq [Isaak] zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen G’ds, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht. Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. Maar dit niet alleen; daar is ook Riv’qa [Rebekka], bevrucht van een man, onze vader Yitz’chaq [Isaak]. Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan (opdat het verkiezend voornemen G’ds zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep), werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienst-baar zijn, gelijk geschreven staat: Ya’aqov [Jakob] heb Ik liefgehad, maar Esav [Esau] heb Ik gehaat. Wat zullen wij dan zeggen: Zou er onrechtvaardigheid zijn bij G’d? Volstrekt niet! Want Hij zegt tot Moshe [Mozes]: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn.” (Romeinen 9:8-15). Het liefhebben van Ya’aqov [Jakob] en het haten van Esav [Ezau] heeft niets te maken met het afwijzen van een persoon, maar met het uitverkiezen van de een bov
en de ander voor een speciale dienst. Bij de verkiezing van Ya’aqov boven Esav gaat het hier echter niet om deze personen maar om de volken, die uit hun voortkwamen, namelijk Israël en Edom. Israël werd daarom uitverkozen voor een bijzondere dienst. Uitverkiezing door de soevereine G’d voorkomt elke mogelijkheid van eigen roem door geleverde prestaties: “Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van G’d, die Zich ontfermt. Want het schriftwoord zegt tot Farao: Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u Mijn kracht zou tonen en Mijn naam verbreid zou worden over de gehele aarde. Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil. Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat Zijn wil? Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij G’d zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik? (Romeinen 9:16-21). Wie kent niet het lied van de Pottenbakker vanuit de zondagsschool? En toch wordt in de Bijbel niet op de eerste plaats de christelijke Kerk afgeschilderd als zijnde het leem tegenover de Pottenbakker. Diverse teksten in TeNaCH [het Oude Testament laten ons het werk van de Pottenbakker in Zijn relatie met Zijn oude verbondsvolk Israël zien. In vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 18:1-10 wordt de profeet in het huis van de pottenbakker door haShem [G’d] onderricht aangaande Zijn wonderbaar handelen met Israël en in vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 64:8 lezen wij de belijdenis van het gelovig overblijfsel van Israël: “Wij zijn het leem en Gij zijt onze Formeerder en wij allen zijn het werk van Uw hand”. Maar de Eeuwige is een soevereine G’d die het werk van Zijn handen niet aan mensen hoeft te verantwoorden. Hij claimt geheel rechtmatig de vrije beschikking om zowel voorwerpen tot eervol gebruik alsook voorwerpen tot alledaags gebruik te vervaardigen, en dat niet slechts uit één leemsoort! De Pottenbakker maakt namelijk niet alleen gebruik van “Joods leem”, maar voegt er ook “heidens leem” bij, maakt als een ware een mengsel van beide soorten. Soms wil een voorwerp echter mislukken, niet omdat de Pottenbakker Zijn werk niet goed gedaan heeft, maar ten gevolge van ongehoorzaamheid en zonde.Hij gooit het verdorven leem echter niet weg, maar vermaakt het zodat het alsnog nuttig gebruikt kan worden, zij het als voorwerp des toorns zoals de Farao die in vers 17 genoemd wordt. Maar let op: mensen worden door de Eeuwige nooit voorbeschikt om voorwerpen des toorns te zijn, maar toebereid om alsnog door Hem gebruikt te worden. De voorwerpen van ontferming daarentegen heeft Hij tot heerlijkheid voorbereid, van tevoren in gereedheid gebracht tot het moment dat zij in het volle licht Zijn heerlijkheid zullen mogen weerspiegelen. Het is daarom erg belangrijk om in de volgende versen nauwkeurig te letten op de verschillende uitdrukkingen die Sha’ul gebruikt: “En als G’d nu, Zijn toorn willende tonen en Zijn kracht bekend maken, de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft; juist om de rijkdom Zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid? En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hoshea [Hosea] zegt: Ik zal ymi=al Lo-Ami [niet-Mijn-volk] noemen: ymi Ami [Mijn-volk], en hmxr=al Lo-Ruchama [de niet-geliefde]: hmxr Ruchama [geliefde]. En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: ymi=al Lo-Ami [gij zijt Mijn volk niet], daar zullen zij genoemd worden: yx=la ynb B’nei El-Chai [zonen van de levende G’d]. En Yeshayahu [Jesaja] roept over Israël uit: Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden; want wat Hij gesproken heeft, zal Adonai doen op de aarde, volledig en snel. En gelijk Yeshayahu [Jesaja] tevoren gezegd had: Indien Adonai Tz’vaot ons geen zaad overgelaten had, als ,vdc S’dom [Sodom] zouden wij geworden zijn en aan hrvmi ‘Amora [Gomorra] zouden wij gelijk gemaakt zijn.” (Romeinen 9:22-28). Zoals uit de aangehaalde citaten van Yeshayahu [Jesaja] blijkt, heeft nooit het gehele volk Israël zich van G’d afgewend en is derhalve ook nooit door Hem collectief verworpen, maar is het volk Israël altijd gedragen door een “gelovige rest”. Ongelovige Israëlieten, of zij nou in de meerderheid of in de minderheid waren, werden nog altijd door de Heilige van Israël uit het midden van hun volk verdelgd, maar met de rest ging Hij verder, tot de dag van vandaag! Daarom is Israël nog steeds de “Gemeente des Heren” en niet de Kerk uit de heidenen! Jazeker, er is in Rom. 9:24-26, waar Sha’ul het heeft “over hen die uit Israël en uit de heidenen geroepen zijn” inderdaad wel sprake van een uitbreiding, maar van een vervanging is hier geen sprake! Sha’ul laat ons zien dat de profetie van i>vh Hoshea [Hosea] 2:22 en 1:10 een dubbele vervulling geeft. Uiteraard heeft de profeet het hier op de eerste plaats over het toekomstig herstel van Zijn uitverkoren volk Israël, dat door G’d als Zijn eeuwige bruid zal worden verworven. Maar Sha’ul voegt hier echter een nieuwe dimensie aan toe: ook de heidenen ymi=al Lo-Ami [niet-Mijn-volk], “die eertijds zonder G’d in deze wereld verkeerden” (Efeziërs 2:12), krijgen door het geloof de toegang tot het heil en worden door de Eeuwige toegevoegd aan het gelovige deel van Israël en zo worden beiden samen door Hem ymi Ami [Mijn-volk] genoemd!

 

Het behoud der heidenen en de dwaling van Israël (Romeinen 9:30-10:3)

 

“Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid die uit geloof is; doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Tziyon [Sion] een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. Broeders, de begeerte mijns harten en mijn gebed over hun behoud gaan tot G’d uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor G’d bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met G’ds gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid G’ds niet onderworpen.” (Romeinen 9:30-10:3). Aanhangers van de vervangingsleer hebben ook dit gedeelte van de Romeinenbrief regelmatig gebruikt om hun gelijk te bewijzen. Eeuwenlang werd deze tekst door de kerk zo uitgelegd, dat Paulus hier de aanneming der heidenen en de verwerping der Joden zou beschrijven. In het Bijbelcommentaar van Matthew Henry op de Online-Bijbel lezen wij over Romeinen 9:30-10:3 en Jesaja 65:1 onder andere.: “De apostel Paulus -een uitlegger die wij vertrouwen kunnen- heeft ons de ware betekenis van deze verzen meegedeeld en ons gezegd op welke gebeurtenis zij doelden en hoe zij vervuld werden, namelijk de roeping der heidenen en de verwerping van de Joden door de verkondiging van het Evangelie. Hier wordt voorzegd, dat de Joden die lange tijd een volk in G’ds nabijheid geweest waren, zouden verworpen en op een afstand geplaatst worden. De apostel past dit toe op de Joden van zijn tijd, als een zaad van boosdoeners. Merk hier op hoe de Joden werden bevoorrecht door de g’ddelijke genade. G’d zelf heeft, door de profeten, door Zijn Zoon, door de apostelen, Zijn handen tot hen uitgestrekt gereed om hen te omhelzen en hen te steunen; gaf hun de tekenen van Zijn gunst en drong hen om die aan te nemen. Merk hier op hoe zij deze uitnodiging verachtten. Zij werd gegeven aan een opstandig en tegenstrevend volk. Zij werden genodigd aan het bruiloftsmaal en wilden niet komen, maar verwierpen de raad G’ds tegen zichzelf. Wij zien hier het slechte karakter van dit volk. De wereld zal eens zien dat zij niet onverdiend door G’d verworpen werd, maar dat zij om haar afhoereren werd buitengesloten. Hun karakter was over het algemeen zoals men niet verwachten zou van mensen, die zo zeer de gunstelingen des hemels geweest waren. Ten eerste. Zij waren zeer tegenstrevend. Zij wilden recht of onrecht doen al naar het hun in de zin kwam Zij wandelden steeds in een weg, die niet goed was, niet in een rechte of veilige weg, maar naar hun eigen gedachten, hun eigen ontwerpen en begeerten. G’d heeft hun Zijn gedachten meegedeeld, wat Zijn wil was, maar ze wilden wandelen naar hun eigen gedachten, doen wat hun goeddocht. Ten tweede. Zij waren zeer tergende. Dit was steeds G’ds klacht over hen, zij beledigden Hem; zij deden Zijn Heilige Geest smart aan, alsof zij Hem dwingen wilden hun vijand te worden. Het was hun onverschillig welke belediging zij G’d aandeden, ofschoon het openlijk en als in Zijn bijzijn geschiedde, met ruiterlijke verachting van Zijn macht en terging van Zijn gerechtigheid, en dat voortdurend. Dat was hun wijze van handelen geweest zolang zij een volk geweest waren, getuige de verzoekingen in de woestijn. – Zij zochten, maar zij zochten niet op de rechte wijze; niet in de weg der vernedering, niet in de ingestelde, aan-gewezen weg. Niet uit het geloof; niet door de Christelijke G’dsdienst aan te nemen en te berusten in de verdienste van Christus en zich te onderwerpen aan de voorwaarden van het Evangelie, hetgeen het leven en het enig einddoel van de wet is. Maar zij zochten het als uit de werken der wet, zij verwachtten rechtvaardigmaking door hun waarnemen van de voorschriften en plechtigheden van de wet van Mozes. Dat was de steen des aanstoots, waaraan zij zich gestoten hebben. Zij konden niet heenkomen over dit bedorven beginsel, dat zij eens voor goed aangenomen hadden: dat de wet hun met geen ander doel gegeven was, maar dat zij bloot door hun waarneming van en hun gehoorzaamheid aan die wet gerechtvaardigd zouden worden voor G’d. En daardoor konden zij met geen mogelijkheid verzoend geraken met de leer van Christus, die hen wilde afbrengen van die dwaling en heenleiden naar de verwachting van rechtvaardigmaking door de verdiensten en genoegdoening van een ander. – Hun werd een oprecht aanbod van gerechtigheid, leven en verlossing gedaan, voor hen gereed gemaakt op de voorwaarden des Evangelies; maar zij hadden daar geen lust in en wilden er niet toe komen. En daarom: indien zij verloren gaan, hebben zij het aan zichzelf te wijten; hun bloed is op hun eigen hoofd.” Tot zover Matthew Henry’s bijbelcommentaar. Dat is nogal wat anders dan we van tante Rebecca gewend zijn. En toch is het de gangbare mening die we eeuwenlang in praktisch alle christelijke kerken tegenkwamen en soms nog steeds tegenkomen. Hier worden de meest gangbare vooroordelen over de Joden op een rijtje gezet en vervolgens gesproken over de aanneming van de heidenen tot volk van G’d en de verwerping van de Joden. Toch is het eigenaardig: men citeert en gebruikt Paulus, de apostel der heidenen, maar men leest niet goed wat hij geschreven heeft. Met betrekking tot het hier behandelde tekstgedeelte staat men al gauw klaar met de conclusie dat G’d de gelovigen uit de heidenen tot het nieuwe verbondsvolk heeft aangenomen omdat het oude verbondsvolk gefaald heeft. Joden moeten zich voortaan net als alle andere mensen tot het christendom bekeren als ze behouden willen worden, want de “Algemene Christelijke Kerk”, zoals zij in het geloofsbelijdenis wordt genoemd, is nu het nieuwe, het geestelijke Israël! Voor het natuurlijke Israël is er geen plaats meer in G’ds heilsplan. De Joden hebben als volk de zegen verloren, voor eeuwig. Zij hebben de Messias gekruisigd en hun kans verspeeld. Ze geloven zelfs hun eigen Schrift nog niet eens. Zij zijn niet langer het verbondsvolk, dat zijn nu de christenen! Voor veel christenen betekent dit idee inderdaad dat G’d Zijn kinderen naar het vlees voorgoed verworpen zou hebben. Maar dat is helemaal niet waar! Dat concludeert men wel uit de tekst van Romeinen 9:30-10:3, maar als we een hoofdstuk verder kijken, namelijk Rom. 11, en dat doen we heel uitgebreid in de volgende bijbelstudie, dan lezen we reeds in vers 1 dat G’d Zijn volk Israël helemaal niet verstoten heeft! Sha’ul schrijft stellig: “Volstrekt niet!” De Eeuwige gaat gewoon verder Israël, dat niet alleen het Verbondsvolk is van het Oude, maar ook van het Nieuwe Verbond: “Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een Nieuw Verbond sluiten zal. Niet zoals het Verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. Maar dit is het Verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een G’d zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Eeuwige: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord van Adonai, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31-34). Er is dus absoluu
t geen sprake van dat de “Christelijke Kerk” haar plaats zou hebben ingenomen. G’d heeft Israël niet vervangen, maar de grenzen van Israël verlegd en ruimer vastgesteld. Neen, men leest helaas vaak niet goed wat Sha’ul [Paulus] ons in de Romeinenbrief zo duidelijk uitlegt en waar hij ons voor waarschuwt en trekt dan de verkeerde conclusies daaruit. Maar wat is dan wel de juiste gevolgtrekking van zijn gehele redenering? Voor zover de heidenen aan gaat: zij waren vreemd aan G’ds gerechtigheid. Zij zochten die niet en waren zich van geen zonde bewust. Zij kenden hun schuld en ellende niet en daarom waren zij ook in het geheel niet begerig naar het geneesmiddel. In hun bekering werd de voorkomende genade G’ds ten hoogste verheerlijkt. G’d werd gevonden door degenen, die Hem niet zochten, zoals wij in vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 65:1 lezen: “Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vinden voor hen die Mij niet zochten; Ik zeide tot een volk dat Mijn naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik.” Er was niets in hen dat hen geschikt maakte voor zulk een gunst, dan hetgeen de vrije genade in hen gewerkt had. Desniettegenstaande kwamen vele heidenen tot de rechtvaardigheid door het geloof. Niet door G’ds wet, de Tora, die ze niet kenden, maar door de Joodse Messias aan te nemen, oprecht in Hem te geloven en zich te onderwerpen aan het Evangelie dat aan hen gepredikt werd. Omdat zij het geestelijk zaad van Avraham zijn, mogen ook zij nu bij het Verbondsvolk, bij de Gemeente horen en wij zien uit naar de dag waarop de Heilige van Israël ook het verharde deel van het natuurlijke zaad van Avraham gaat herstellen! De Gemeente van het Oude Verbond bestond uit Israëlieten en gelovigen uit de volken die besneden waren naar het vlees. De Gemeente van het Nieuwe Verbond bestaat uit Messiasbelijdende Joden en gelovigen uit de volken, die besneden zijn van hart! Samen vormen wij de Gemeente en dat is nog steeds Israël! Wat nu de Joden betreft, waar Sha’ul het over heeft, die de behoudenis verwachten van het nauwkeurig naleven van de Tora, moet ik voor alle duidelijkheid benadrukken, dat hij hiermee niet het hele volk Israël bedoelt, maar slechts het verharde deel van Israël! En dan wel te verstaan slechts de religieuze Joden, want er zijn ook talrijke Joden die helemaal niets geloven, dus ook niet de Tora. Over hen heeft Sha’ul het evenmin als over de heidenen die niet gelovig zijn. Neen, hij heeft het hier over religieuze Joden, die wel in de G’d van Israël geloven en ernaar streven Hem te behagen door zich te houden aan Zijn wet, maar die Yeshua bewust of onbewust afwijzen! Daarom klopt eigenlijk ook het tussenkopje in de NBG-vertaling niet. Daar staat: “De dwaling van Israël”, maar er had beter kunnen staan: “De dwaling in Israël”. Hoe moeten wij deze Joden dan zien, die de geboden in de Tora krampachtig en wettisch naleven in de veronderstelling dat zij daarmee hun behoudenis zelf kunnen bewerkstelligen? Let op: het is inderdaad deze houding die Sha’ul veroordeelt, niet het houden van de Tora! Er zit ogenschijnlijk maar een heel klein verschil tussen deze twee woorden, maar het is wel een essentieel verschil! Sha’ul zegt hier niet dat de wet iets slechts of verkeerds zou zijn, want in Romeinen 7:12 schrijft hij zelf: “Zo is dan de Tora heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” Wat hij afkeurt is de manier hoe men met de Tora omgaat! Wij moeten ook goed beseffen dat de wet niet iets is wat Moshe [Mozes] zelf verzonnen heeft, maar door G’d heeft ontvangen om door te geven. De Tora is echter geen weg om daardoor de behoudenis te kunnen verkrijgen, want de enige weg is Yeshua, maar slechts een leidraad voor onze relatie met de Eeuwige en een richtsnoer, een gebruiksaanwijzing voor een betere samenleving. In de wet met alle geboden en verboden wil G’d ons laten weten wat Hij van ons vraagt en wat Hij ons verbiedt, wat Hem behaagt en wat Hij haat, waar Hij van houdt en waar Hij verafschuwt, wat wij mogen of moeten doen en wat wij juist niet mogen doen. Ook als nieuwtestamentische gelovigen kunnen wij G’ds wil, die in de wet is vastgelegd, niet zomaar negeren met het excuus: “wij zijn toch vrij van de wet!” Dat Yeshua ons door Zijn offer op Golgotha heeft vrijgemaakt van de straf die volgt op het niet nakomen van de wet (als wij ons tenminste hiervoor op Hem beroepen!) wil nog niet zeggen dat wij met de wet helemaal niets meer te maken hebben. Integendeel! Yeshua zegt zelf: “Want al wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is, die is Mijn broeder en zuster en moeder!” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 12:50), en: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 7:21). Hoe weten wij wat de wil van Zijn Vader is? Het staat in de wet! Dus hoezo “Vrij van de wet?” Neen, Sha’ul heeft hier absoluut niets aan te merken op de gehoorzaamheid aan de Tora, want dat was voor de eerste Messiasbelijdende gemeente helemaal vanzelfsprekend zoals we in Handelingen 21:20 kunnen lezen: “En zij loofden G’d, toen zij dit hoorden, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet!” Wat Sha’ul evenals Yeshua afkeurde, was het legalisme, het wettisch omgaan met de wet ofwel het perverteren van Tora in legalisme om het maar met dure woorden te zeggen. Bovendien hebben de rabbijnen rondom de door G’d gegeven Tora nog een heel netwerk van wetjes en regeltjes verzonnen, waardoor men het zicht kwijt raakt op hetgeen de Eeuwige echt van ons vraagt. Veel oprechte religieuze Joden zijn helaas het slachtoffer van deze wettische verdraaiing van G’ds rechtvaardige en goede Tora geworden zonder het zelf door te hebben. Een klein voorbeeldje daarvan zien wij in de Shabatliturgie. Elke Joodse vrouw ontsteekt op vrijdagavond twee kaarsen onder het uitspreken van de B’racha [zegenspreuk], waarin ook de zinsnede “…v’tzivanu lehad’liq ner shel Shabat” voorkomt, hetgeen in het Nederlands betekent: “…die ons heeft opgedragen het Shabatlicht te ontsteken.” – Op zich in het niet verkeerd om de twee kaarsen aan te steken als symbool voor de twee hemellichten zon en maan en in de B’racha verder te gaan met de woorden: “…v’tzivanu lehiyot or leGoyim.” […en die ons heeft opgedragen een licht voor de wereld te zijn.” Wat dat laatste betreft is dit zeker waar, maar een g’ddelijke opdracht voor het ontsteken van de kaarsen zoeken we tevergeefs in de Tora. Een ander voorbeeld voor menselijke inzetting die door veel Joden gezien wordt als een Mitz’va [gebod] uit de Tora is het ritueel wassen van de handen voor de maaltijd. Deze rituele handeling, in het Hebreeuws ,ydy=tlyun N’tilat-Yadayim genoemd, hoeven wij echter niet uit te voeren omdat Yeshua in Mt. 15:1-9 en Mc. 7:1-13 benadrukt, dat dit een menselijke traditie is, die door de rabbijnen is ingesteld. Door het aanhalen van vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 29:13 wil Yeshua ons duidelijk maken, dat wij moeten leren te onderscheiden tussen de Tora met al haar geboden die G’d ons heeft opgedragen en menselijke inzettingen, rabbinale gebruiken zoals het ritueel wassen van de handen. Elke Jood is er wel vrij in om dit wel of niet te doen als men maar beseft dat niet G’d de opdracht daartoe heeft gegeven maar de rabbijnen! U ziet, dat veel oprechte religieuze Joden verstrikt zijn geraakt in het netwerk van rabbijnse regels in de veronderstelling dat ze daarmee G’ds geboden uitvoeren. Maar is het onder de christenen niet net zo? Bidden de rooms-katholieken hun “weesgegroetjes” niet ook in der veronderstelling dat G’d ze daarvoor de opdracht heeft gegeven? Hebben
de kleine christelijke partijen niet een wetsvoorstel ingediend om het werken op zondag te verbieden in de veronderstelling dat G’d verboden zou hebben op zondag te werken? Kan men het de christenen kwalijk nemen dat ze door de Kerk, die destijds de door G’d gegeven Shabat door de heidense zondag heeft vervangen, op een dwaalspoor zijn gebracht? Ze weten niet beter. Als niemand hun zegt dat ze verkeerd bezig zijn denken ze echt dat ze door het gehoorzamen aan alle christelijke tradities en kerkregeltjes de wil van G’d aan het doen zijn. En dat is het geval met de orthodoxe Joden. Misschien dat sommigen onder hen huichelaars zijn en vol geestelijke trots zitten. Misschien dat sommige rabbi’s alleen maar rabbi zijn omdat ze het als een goede positie of gewoon als beroep beschouwen (zoals veel dominees en pastors). Maar velen zijn volkomen oprecht! Wat dat betreft lijken ze wel op Sha’ul, want ook hij was voor zijn bekering: “…naar de gerechtigheid der wet onberispelijk” (Filippenzen 3:6). Ze leven misschien beter dan velen van ons! Sha’ul zegt zelf: “Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor G’d bezitten, maar zonder verstand.” (Romeinen 10:2). Wij moeten daarom niet zo snel oordelen en veroordelen, maar in bewogenheid ons geloof in Yeshua in de oorspronkelijke Joodse context met hen delen. Wij moeten voor hen bidden en hen met het zuivere Evangelie bereiken, want ondanks al hun toewijding, ondanks al hun inspanningen zijn de verloren schapen van Israël nog steeds verloren. Bidt dat zij de Goede Herder zullen zoeken en vinden.

 

De gerechtigheid uit het geloof (Romeinen 10:4-15}

 

“Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.” (Romeinen 10:4). Om de Gemeente van haar Joodse identiteit te ontdoen heeft men reeds vele eeuwen geleden alles wat Joods is bestempeld als zijnde “onder de wet” en elke poging om b.v. de Shabat en de bijbelse feestdagen in ere te herstellen wordt als “wettisch” afgewezen en men beroept zich onder andere op bovenstaande tekst. Maar is Yeshua inderdaad het einde van de wet, zoals het in de NBG-vertaling staat? Gelukkig niet! Zoals in vele andere vertalingen geeft ook de NBG een verkeerd beeld, dat een eigen leven is gaan leiden en waardoor opnieuw verkeerde conclusies werden getrokken die tot nieuwe dogma’s hebben geleid. Het Griekse woord dat hier vertaald wordt met “einde” is teloV telos, dat “vervulling” en “voleinding” betekent. Dus niet einde in de betekenis van “afbreking”, “stoppen”, maar in de betekenis van het bereiken van het voorgestelde doel. Daarom gebruikt Sha’ul het Griekse woord teloV telos hier ook in de betekenis van “doel”, “oogmerk”, “voltooiing” en volstrekt niet in de betekenis van “beëindiging”! Yeshua heeft het volbracht, voltooid! Hij heeft niet alleen naar de eis van de wet de straf voor de zondaars op Zich genomen, maar heeft ook door Zijn gehoorzaamheid de wet tot het einde toe vervuld. Dat wel, maar Hij heeft geen einde gemaakt aan de wet en het was ook zeker niet Zijn bedoeling om de wet te ontbinden. Maar Hij zag het al aankomen dat het later wél zo zou worden uitgelegd, en daarom zei Yeshua nadrukkelijk: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 5:17-19). Het Nieuwe Testament heeft glasheldere uitspraken over de geldigheid van G’ds geboden, die óók voor de niet-joodse christenen van vandaag nog steeds van toepassing zijn: “En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij Zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde G’ds volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn.” (a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 2:3-5). “En dit is de liefde, dat wij naar Zijn geboden wandelen. Dit is het gebod, gelijk gij het van den beginne gehoord hebt, dat gij daarin moet wandelen” (b ]nxvy Yochanan bet [2 Johannes] 1:6) om maar een paar teksten te noemen. Yeshua heeft niet een einde gemaakt aan de Tora want het doel en het oogmerk waar de Tora zich op richt is juist de aandacht voor en het geloof in de Mashiach, namelijk de voltooiing van het houden van G’ds geboden vanuit een oprecht geloof in tegenstelling tot de poging om uit legalisme de wet te volbrengen omwille van de wet. Dit en niet de beëindiging van de wet, is het oogmerk van Sha’ul zoals kan worden opgemaakt uit de hele context: “Want de Mashiach is het einde [de voleinding, het doel] der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. Want Moshe [Mozes] schrijft: De mens, die de gerechtigheid naar de wet doet, zal daardoor leven. Maar de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om de Mashiach te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om de Mashiach uit de doden te doen opkomen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken. Want indien gij met uw mond belijdt, dat Yeshua Adonai is, en met uw hart gelooft, dat G’d Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis. Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want: al wie de naam van Adonai aanroept, zal behouden worden. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben? Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? Gelijk geschreven staat: Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen.” (Romeinen 10:4-15). We lezen hier dat er geen onderscheid tussen Jood en Griek is. Maar wat wordt hier bedoeld met geen onderscheid? Natuurlijk is er een onderscheid, want een Jood en een Griek is toch niet hetzelfde? De kerk heeft dit probleem in de loop der eeuwen op eenvoudige wijze opgelost: men heeft de gelovige Joden gewoon van hun iden-titeit beroofd en hen tot Grieken gemaakt. Het antwoord hierop is, dat er in bepaalde Messiasbelijdende Joodse kringen, vooral de stroming uit Amerika, tegenwoordig van Grieken Joden gemaakt worden. Maar dat was niet wat Paulus bedoelde. In Galaten 3:28 voegt hij er nog iets aan toe: Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in de Mashiach Yeshua.”. Wel, dat is nu toch iets duidelijker. Natuurlijk zijn Joden en Grieken niet hetzelfde, net zo als mannen en vrouwen niet hetzelfde zijn. Maar er is tussen hen geen onderscheid wat de zaligheid in Yeshua betreft. Er bestaat voor G’d geen “tweewegenleer”, zoals we tegenwoordig in sommige kringen tegenkomen. Joden en heidenen worden langs dezelfde weg behouden, zoals Keifa [Petrus] in Handelingen 15:11 zo duidelijk getuigt: “Maar door de genade van Yeshua haAdon geloven wij (de Joden) behouden te worden op dezelfde wijze als zij (de heidenen).” Het is waar: voor wat betreft onze behoudenis is er geen onderscheid tussen Jood en Griek, maar zoals een man geen vrouw kan zijn en andersom, zal de Jood ook altijd een Jood blijven en geen Griek worden, want dat is hij in de loop van de kerkgeschiedenis helaas veel te lang geweest!

 

De ongelovigheid van Israël (Romeinen 10:16-21)

 

“Maar niet allen hebben aan het evangelie gehoor gegeven. Want Yeshayahu [Jesaja] zegt: Adonai, wie heeft geloofd wat hij van ons hoorde? Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van de Mashiach. Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden. Maar ik vraag: heeft Israël het dan niet verstaan? Vooreerst zegt Moshe [Mozes]: Ik zal u naijverig maken op wat geen volk is, toornig op een onverstandig volk. En Yeshayahu [Jesaja] waagt het te zeggen: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten, Ik ben openbaar geworden aan wie naar Mij niet vroegen. Maar van Israël zegt hij: De ganse dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk. Ik vraag dan: G’d heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet, uit het nageslacht van Avraham, van de stam Binyamin. G’d heeft zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft.” (Romeinen 10:16-21 en 11:1). Rebecca de Graaf zei eens hierover: “Het is mijn vurige wens dat de gelovigen uit de volken hun juiste plaats zien en innemen ten opzichte van Israël, zodat zij dat volk inderdaad tot jaloersheid kunnen verwekken, de opdracht waartoe zij geroepen zijn.” Op dit moment hebben Joden weinig reden om op christenen jaloers te zijn. Een klein voorbeeldje voor deze stelling is een Joodse bumpersticker van jaren geleden. Als onderdeel van een evangelisatiecampagne plakten christenen stickers op hun autobumpers met de tekst: “Ik heb het gevonden!” Ze hoopten daarmee de belangstelling van Joden die achter hun reden te wekken en misschien zelfs ook een beetje jaloersheid. Maar het Joodse antwoord hierop bleef niet lang uit, want al spoedig hadden Joodse automobilisten stickers op hun bumpers met de woorden: “Wij hebben het nooit verloren!” Het is duidelijk dat de Joden heel goed hebben begrepen wat de christenen bedoelden, namelijk de relatie met de Eeuwige door Yeshua. Hun reactie wijst echter op de ‘tweewegenleer”, want de tekst op hun stickers wilde zeggen dat zij reeds een relatie met G’d hadden en Yeshua derhalve niet nodig hadden. Verder waren de Joden echt niet onder de indruk van deze evangelisatiestunt, want zoiets belangrijks als een relatie met de Schepper van hemel en aarde zet je toch niet op een bumpersticker? Moeten Joden daarop jaloers zijn? Of wat zeg je van de zogenaamde Torontoblessing, waar men als kippen loopt rond te tokkelen, op de grond ligt te kronkelen en de samenkomst voornamelijk uit lachen-gieren-brullen bestaat: moeten Joden daarop jaloers zijn? Of dat stelletje halvegare christenen die verkleed als koning David rond de muren van Jeruzalem loopt en op een harpje speelt: moeten Joden daarop jaloers zijn? Of de rooms-katholieke processies door de Via Dolerosa, waar de gelovigen als Romeinen verkleed lopen met een zweepje in de hand om de nep-Jezus die een veel te zwaar kruis achter zich aan sleept en die bedekt is onder de tomatenketchup dat bloed moet voorstellen, daarmee te slaan: moeten Joden daarop jaloers zijn? Ik kan zo nog wel een tijdje mee doorgaan. Maar hoe kunnen christenen het voor elkaar krijgen om de Joden echt jaloers te maken? Door het goed te maken met Israël, vergeving te vragen voor de zware schuld die de Kerk door de eeuwen heen op zich geladen heeft ten opzichte van G’ds uitverkoren volk. Door Yeshua en Zijn Gemeente weer de Joodse identiteit terug te geven. Door alle heidense tradities uit de kerk te bannen en de Shabat en de bijbelse feestdagen in ere te herstellen. Dan pas komen we geloofwaardig over. Maar het belangrijkste is door G’ds liefde in praktijk te brengen en zo aan Joodse mensen te laten zien. Als wij overeenkomstig 1 Korinthiërs 13 een sterke onderlinge liefdesband hebben en die liefde ook nog kunnen uitstralen naar buiten toe, dan smelten de harten van het verharde deel van Israël. Dan pas zullen zij op ons jaloers zijn! Laten wij Yeshua vragen om ons hierbij te helpen. Hij kan het en Hij wil het! Maar de vraag is: willen wij het ook?

Werner Stauder     https://sites.google.com/site/messiaansestudies/downloads-in-pdf

 

 

Send this to friend

Spring naar werkbalk