Heb ik te weinig berouw? – C.H. Spurgeon
mei 27, 2015
Wil je gezond worden?
mei 27, 2015
Show all

DE EEUWIGE KLOOF

De eeuwige kloof

C.H. SPURGEON 1834 – 1892

“En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd, zodat degenen die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.” Lucas 16 : 26.

Gedurende de laatste maanden werd ik er toe geleid de zilveren bazuin te blazen, en het geklank der liefde en de goedertierenheid Gods in Christus te doen horen. Ik heb u menigmaal de volle Christus voor ledige zondaren gepredikt, en het vrije en genaderijke der goddelijke bekendmaking doen horen, die in het Evangelie ook tot de voornaamste der zondaren is gericht. Ik heb hieromtrent niet geaarzeld u de volle raad Gods te verkondigen. Doch thans gevoel ik mij gedrongen op de ruwe ramshoorn te blazen, want onze hoorders moeten somwijlen herinnerd worden aan de wet en aan de verschrikkingen Gods, en aan het komend oordeel. Wij hebben de ervaring, dat de prediking van het oordeel grotelijks door God wordt gezegend. Wij hebben gezien, dat zeer velen tot bekering zijn gekomen door middel van die prediking, waarin met plechtige nadruk gewezen werd op Gods toorn tegen alle ongerechtigheid. Een onweer zuivert de lucht. Er zijn pestilentiën, die onder de vleugelen der kalmte zouden broeden, en alleen door bliksemschichten uitgezuiverd kunnen worden. Als God zijn dienstknecht zendt met zware tijdingen, dan zal zijn boodschap der verschrikking de geestelijke atmosfeer zuiveren, en de traagheid, de hoogmoed, de onverschilligheid, de ongevoeligheid doden, die anders de gemeente zou bevangen. Gelijk de scherpe naald de weg bereidt voor de draad, zo bereidt de hartdoorborende wet een weg voor de zilveren draad van Gods genade. Het lancet is even nodig als de helende balsem. De wet is onze tuchtmeester om ons tot Christus te brengen. Gelijk de oude Griekse leermeester de knaap naar school bracht, zo brengt de wet ons tot Christus, die ons onderwijst en ons wijs maakt tot zaligheid. Zij, die ten tijde der Puriteinen de wet predikten, zo wel als het Evangelie, waren de meest vruchtbare zielenwinners. Wij zien onze gezegende Heere en Meester, wiens hart overvloeide van barmhartigheid, en wiens natuur liefde was, zeer dikwijls verwijlen bij het komende oordeel; ja zijn woorden zijn schrikkelijker dan de brandendste bedreigingen op de lippen der zieners vanouds. God geve, dat de uitwerking, die ik zo vurig begeer, heden moge volgen op de last des Heeren, die mij thans nog zo zwaar op het hart drukt. Moge de Meester zich heden een zaad uitlezen, dat verlost zal worden van de toekomende toorn, en tot in alle eeuwigheid het loon zal wezen van de arbeid der ziel van onze Verlosser. Heft uwe harten op tot God, gij die Hem kent en macht bij Hem hebt, en vraagt dat de Geest Gods thans krachtig moge werken, opdat harten verbroken, en zondaars tot Jezus geleid mogen worden.

“En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd.” Het menselijk vernuft heeft zeer veel gedaan om grote kloven te overbruggen. Er is in de wereld nauwelijks een rivier zo breed, of de mens heeft het middel gevonden over hare wateren heen te komen; er is geen bergstroom zo wild en onstuimig, die het menselijk vernuft niet onder het juk heeft weten te brengen. Hoog boven het schuim van Columbias prachtige waterval heeft de mens zijn ranke, doch hechte ijzeren weg gelegd, en de stoomfluit van de locomotief wordt boven de Niagara gehoord. Enige dagen geleden zag ik de eerste kettingen, die de diepe kloof overspannen door welke de Bristol Avon te Clifton vloeit. De mens heeft zijn hangende brug geworpen over de afgrond, en weldra zal hij kunnen reizen over plaatsen, waar voor een wijle slechts vogels over heen konden vliegen. Doch daar is één afgrond, waarover geen bekwaamheid van de ingenieur een brug kan leggen; daar is één kloof, waar ook geen gevleugelde over heen kan; het is de afgrond, door welke de wereld der vreugde, waar de rechtvaardigen triomferen, gescheiden wordt van het land der smart, waar de goddelozen de scherpte gevoelen van het zwaard van God. Welke andere redenen er nu ook zijn, waarom de rechtvaardigen in de toekomstige staat geen gemeenschap hebben met de goddelozen; er is behalve die redenen, welke elk op zichzelf zeer gewichtig en volkomen afdoend kan wezen, een grote kloof gevestigd, zodat er geen weg is om van de ene wereld in de andere te komen.

I. Over deze hoogst ernstige zaak met u sprekende, zal ik beginnen met u er op te wijzen, DAT ER GEEN WEG IS, DIE VAN DE HEMEL NAAR DE HEL voert. “Zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen”. De verheerlijkte heiligen kunnen het gevangenhuis der verloren zondaars niet bezoeken. Lang genoeg waren de rechtvaardigen vermengd met de goddelozen; lang genoeg was de boze tijd, toen de tarwe door het onkruid schier werd verstikt; volkomen lang genoeg was het tijdperk, toen het kaf naast het koren op dezelfde dorsvloer lag. De lijdzaamheid heeft een volmaakt werk gehad. Zij zijn tezamen opgegroeid tot aan de tijd van de oogst; het is niet nodig, nu de oogst is gekomen, dat zij nog langer vermengd zullen blijven. Het zou onbestaanbaar zijn met de volmaakte blijdschap en de zalige staat der rechtvaardigen, met deszelfs volmaakte kalmte en reinheid, dat de zonde in hun midden zou worden toegelaten, of dat het hun vergund zou zijn gezelschap te vinden in de verblijfplaats van het kwaad. Het zou de Heere Jezus Christus geen eer aanbrengen, als zij ophielden zijn schoonheid te beschouwen en Zijn Persoon te aanbidden, ten einde zijn vijanden te ondersteunen en te vertroosten. Zullen de hovelingen des hemels verraders worden van hun Koning, alleen maar om zijn onverzoenlijke tegenstanders lafenis te bieden? Zullen de prinsen van den bloede, die eeuwige kronen dragen, hun eergewaad afleggen om lage dienstknechten te worden van de veroordeelden in de hel, die, toen hun Christus gepredikt werd, de knie niet wilden buigen, de Zoon niet wilden kussen? Dat moet niet zo zijn. En daarenboven: het raadsbesluit van God heeft, gelijk een hoge koperen berg, voor eeuwig de rechtvaardiging ingesloten in het gebied der heiligheid en der gelukzaligheid bij God; en, al zouden zij het ook willen, zij kunnen, zij moeten de grote kloof niet overschrijden, die hen van de wereld der bozen scheidt.

Hieruit volgt, dat ook de vurigste en ijverigste prediker alle hoop moet opgeven om dààr zondaren tot bekering te brengen. God heeft mannen verwekt met apostolische ijver, wier tegenwoordigheid onder een volk was als het opgaan der zon. De duisternis vliedt voor hen heen, en het licht der verlossing straalt van hen uit over tien duizenden. Als zij hunne hand opheffen om te prediken, geeft God hun de kracht om de poorten der hel te doen beven; en als zij de knie buigen om te bidden, dan ontsluiten zij de poorten des hemels. Mannen als Baxter, wier hart overvloeide van liefde, en als Joseph Alleine met vurige welsprekendheid, of als Whitefield en Wesley met de ijver van een seraf, dat zijn de mannen, die een zegen zijn voor hunne eeuw, en die in waarheid groot zijn. Deze mannen kunnen, zo zij willen, naar de einden der aarde gaan, hun opdracht is even groot en uitgebreid als het menselijk geslacht. – “Gaat heen in de gehele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen.” “En ziet, ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.” Deze mannen zijn nooit zo gelukkig als wanneer zij prediken. Wee hen, zo zij het Evangelie niet verkondigen; en als zij het prediken en God verleent hen zijn hulp, dan hebben zij gelijk Elihu “lucht gekregen” door het werk. Zij waren geboren om het evangelie te prediken en zielen voor Christus te winnen, en zij zijn nooit tevreden, tenzij zij hunne hoge opdracht vervullen. Doch zij moeten weldra aflaten van hun werk, want in de hemel is het niet nodig; en van de hel zijn zij buitengesloten. O zondaar, zelfs onze stem, hoe zwak zij ook zij, kan u thans voor Jezus winnen; maar zo gij onboetvaardig sterft, dan kan zij u nooit meer tot de Zaligmaker lokken. Thans is het mijn tijd om voor u te prediken, en de deur der genade voor u te openen; maar dan kan ik niet meer waarschuwen, noch u nodigen; dan kan ik u nooit meer het lijden en de doodsbenauwdheid van mijn Heere schetsen, en u trachten aan te trekken door de geschiedenis van zijn liefde, van zijn stervende, bloedende liefde. Neen, dat zal dan alles voorbij zijn. “Zij rusten van hun arbeid en hunne werken volgen met hen.” Zij moeten hunne schoven met zich brengen, want zij kunnen in geen ander veld gaan zaaien, noch heentrekken naar andere akkers om te oogsten. Brandend als hun hart zal wezen van goddelijke liefde, zullen zij haar op een andere wijze hebben te beoefenen. Hun vurig verlangen naar Gods heerlijkheid zal andere kanalen vinden om in te vloeien. Zij zullen hun hoofd buigen en Hem dag en nacht aanbidden; maar zij kunnen Hem niet meer dienen in het Evangelie. De gezant vouwt zijn lastbrief op, want God heeft de zwarte vlag der veroordeling uitgestoken en laat geen seinen des vredes meer waaien. Arme zondaar, hoe gaarne zou ik u thans willen winnen, want met u en met mij is het thans “nu of nooit.”

De arbeid van de ijverigste leraar, de liefderijkste vriend moet eindigen met de dood. Sommigen van u hebben vrienden, die meer toegang hebben tot uw hart dan ik. Mijn zwakke woorden kunt gij wel eens vergeten en gij kunt uws weegs gaan om opnieuw te zondigen. Maar gij hebt een zuster, en als zij bij u pleit, dan gevoelt gij het. Gij hebt een liefdevolle vriend, en als hij tot u spreekt, kunt gij niet doof zijn. Zijne woorden hebben dikwijls indruk op u gemaakt, en door hem hebben de worstelingen des Geestes soms krachtig gewerkt op uw geweten. Broeders en zusters, ik zie het gaarne, dat gij arbeidt aan, dat gij bidt voor de zielen van anderen. God kan u sommige zielen geven, die Hij mij nooit geven zal, en zo zij slechts behouden worden, zal ik mij even hartelijk verblijden in hunne verlossing, alsof ik er zelf het middel toe geweest was. Gaat heen en arbeidt uit alle macht. Verkondigt wat Christus voor u gedaan heeft. Smeekt hem om met God verzoend te worden. Maar ach! herinnert u, dat gij dit slechts in dit leven doen kunt, want, als de poorten gesloten zijn, dan zijt gij ingesloten om uw beloning te ontvangen, maar de gehele wereld is uitgesloten van uw arbeid. O mijn vriend, hoort gij dit? Er zullen dan niet slechts geen openlijke bijeenkomsten zijn, geen Sabbaten, geen huis des gebeds; maar er zullen ook geen bijzondere boden zijn, geen ijverige Christenen, die aan uw heil zoeken te arbeiden. Wat zegt gij hiervan? Geeft dit niet een ontzaglijke waarde aan de tedere woorden van de dringende liefde? O bekeert u op de zachte, liefdevolle bestraffing, want anders zult gij plotseling omkomen, en dan zal uw verderf onherroepelijk zijn. Als gij sterft in uw zonden, moeten zij, die u het naast en dierbaarst zijn, van u gescheiden worden. Een moeder kan haar arm om de hals van een kind slaan en hier op aarde voor hem bidden; zij kan haar zoon liefderijk vermanen om thans vrede met God te zoeken. Zij kan hem voortdurend en ernstig smeken; maar is hij eenmaal verloren en veroordeeld, dan kan zij uit het rijk der gezaligden nooit meer tot hem komen. “Zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen.” Hoort gij dit, jongeling? De schitterende ogen van de liefde van een moeder zullen nooit meer over u wenen. Die roerende stem, die somwijlen de echo’s in uw hart deden ontwaken, zal nooit meer bij u pleiten. O ongodvruchtige vrouw, gij zult uw godvruchtig kind nooit weerzien. Vader, is het die dochter, welke God in haar kindsheid lief had en vreesde, en toen van u weggenomen werd, aan wie gij thans denkt? Heeft zij u niet met stervende lippen gezegd: “Volg mij naar de hemel, mijn vader?” Gij hebt haar stem voor de laatste maal gehoord, dat kind zal haar vader nooit weerzien, tenzij hij zich bekeert van zijn bozen weg. Mij dunkt: indien zij in de hemel kon wezen wat zij op aarde is geweest, zij zou haar armen om uw hals slaan en u naar de heerlijke troon van de Allerhoogste zoeken te trekken; maar ach! dat kan niet. Een rechtvaardig God veroordeelt de onboetvaardige zondaar, en rechtvaardige mensen stemmen in met het vonnis van God. Ziet dan, o ongodvruchtigen, die u heden hier bevindt! Gij acht ons gezelschap dikwijls een last, en terwijl ik predik zijn mijn woorden u wellicht zeer hinderlijk! Ach! wij zullen u niet lang meer hinderen. Kwelt uw moeder u, als zij u vermaant de Heere te zoeken? Zij zal u niet lang meer kwellen. Als ik u spreek van het komend oordeel, is dit onderwerp u dan aanstotelijk? Ik zal u niet lang meer om geduld vragen. Wij zullen gescheiden worden; indien gij uws weegs gaat en de zonde en de toorn van God najaagt, dan zal er een tijd van scheiding komen. En o! laat mij het u zeggen: gij zoudt werelden geven, zo gij ze had; gij zoudt ze geven, al waren zij van louter diamant, om de stem nog eens te horen, die u thans zo vermoeit, en nog eens te luisteren naar die klagende, dringende uitnodigingen, welke u thans zo kwellen en uw vrolijkheid bederven. O, hoe zoudt gij God danken, als Hij u vergunde nog eens weer op aarde te komen, en nog eens een van die Sabbatten te hebben, die u zo eentonig en somber toeschenen; als gij nog eens op mocht gaan naar Gods huis, dat thans wellicht als een gevanghuis is voor uw lichtzinnig hart. O, mijne hoorders, ik zeg, dat gij wel voor een wijle geduld met ons kunt hebben, en ons dringen, dat u zo lastig is, moogt dragen, want heel veel langer zullen wij u niet kwellen. Wij smeken u tot Jezus te komen. Wij zouden u bij uwe kleren willen grijpen en u smeken de toekomende toorn te ontvlieden. Vergeeft ons, dat wij alzo bij u aandringen, want zo wij bij u falen, dan zult gij spoedig van het lastige van onze liefde zijn ontslagen. Nog enige korte maanden van sterfelijk leven, en dan zult gij ver buiten het bereik zijn van elke godsdienstige toespraak en van alle geestelijke gesprekken over toekomende dingen. Gij zult u dan in uw eigen gezelschap bevinden, maar ik waarschuw u van te voren, dat dit u weinig genoegen zal baren. Waarde vrienden, hoe ijverig behoort dit Gods volk te maken om te arbeiden terwijl het nog het heden der genade is. Indien dit onze enige tijd is om goed in te kunnen doen, zo laat ons goed doen terwijl wij kunnen. Ik hoor wel eens zeggen: “Die en die doet te veel; hij werkt te hard.” Ach! niemand onzer doet half genoeg. Spreek niet van te hard werken voor Jezus Christus, want dit is onmogelijk. Zal ik slapen terwijl er zielen zijn, die omkomen? Mijn traag, vadsig vlees, zult gij mij stil laten zitten, terwijl de mensen sterven, en de hel bevolkt wordt? Broeders en zusters, laat ons niet langer lauw zijn. Indien God ons tot lichten in de wereld gemaakt heeft, zo laten wij ons de kost geven, gelijk de kaars zich te koste geeft, zich verteert door licht te geven. Gelijk een arme vrouw, die slechts één kaars heeft, zich haast bij haar werk en niet rust vóór zij het af heeft, wijl anders die ene kaars opgebrand is en zij geen ander licht kan bekomen, zo moeten ook wij aanhouden tijdig en ontijdig, wakende, biddende, arbeidende voor de zielen der mensen. Het is ons geen ernst genoeg met onsterfelijke zielen. Indien wij slechts beseften hoe kort het leven is, hoe ras de tijd voorbijgaat; ons de verschrikkingen konden voorstellen van de eeuwige toorn; indien wij de veroordeelde zielen slechts konden zien, indien wij ons slechts een begrip konden vormen van hun onuitsprekelijke rampzaligheid, dan zouden wij ons losmaken van het stof en uitgaan ten arbeid zolang het dag is.

II. Gelijk wij niet van de hemel naar de hel kunnen gaan, zo verzekert ons de tekst, dat “NOCH OOK DIE DAAR ZIJN, VANDAAR TOT ONS OVERKOMEN.” De verloren geesten in de hel zijn daar voor eeuwig opgesloten. Ik zie de engel, staande aan de ijzeren deur; ik hoor de sleutel, die in dit ontzettende slot omdraait, en als die poort is gesloten, dan werpt hij de sleutel in de afgrond der vergetelheid en de gevangenen zijn opgesloten, in boeien geklonken, die nooit zullen breken, in ketenen, die nooit zullen roesten. Er zijn een ganse menigte van redenen, waarom de zondaar niet in de hemel kan komen. Onder andere deze. Ten eerste: zijn eigen karakter laat het niet toe. Gelijk de mens leeft en sterft, alzo zal hij gedurende de ganse eeuwigheid wezen. Wie hier een dronkaard geweest is, zal dáár de dorst van een dronkaard hebben, zonder dat hij de middelen bezit die dorst te bevredigen. Wie hier een vloeker geweest is, zal daar tot nog groter Godslasteraar ontwikkeld zijn. Door de dood wordt het karakter niet veranderd, maar vastgesteld, bevestigd; het wordt als het ware versteend. “Die vuil is, dat hij nog vuil worde; die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.” Hij, die verloren gaat blijft een zondaar, en wel een zondaar bij toeneming; hij gaat voort met tegen God te rebelleren. Zoudt gij zo iemand in de hemel willen hebben? Zal de dief rondsluipen in de straten van het Nieuwe Jeruzalem? Zal de lucht van het Paradijs besmet worden door een vloek? Zal het lied der engelen gestoord worden door de vuile taal der losbandigen? Dat kan niet. De hemel zou geen hemel zijn, indien de zondaar er in werd toegelaten. “Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien”; en daar er geen hoop is dat zij, die verloren zijn gegaan, ooit wedergeboren zullen worden, kunnen zij het koninkrijk Gods ook niet zien. Zondaar, indien gij thans niet geschikt zijt voor de hemel, hebt gij dan het recht te hopen, dat gij het ooit worden zult? Indien gij sterft zonder God en zonder hope, waar moet dan uw deel zijn? Kunt gij zonder God zijnde, wonen in de hemel, die Gods eigen rijksgebied is? Kunt gij, zonder hoop zijnde, daar binnengaan, waar de hoop is overgegaan in genieting? Nooit. Het zal aan de vijanden Gods niet worden toegelaten om Hem in zijn aangezicht te trotseren, en aan hunne lasteringen lucht te geven in Zijn eigen paleis. Zij moeten uitgedreven worden van Zijn tegenwoordigheid, en dat wel voor eeuwig.

En het is niet slechts des mensen karakter, dat hem uitsluit van de hemel; dit geschied mede door het oordeel over de zondaar. Hoe luidde dat? “Dezen zullen gaan in de eeuwige pijn.” Indien de pijn eeuwig is, hoe kunnen zij dan in de hemel komen? Wat zegt de Heiland? “Daar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.” Indien er in dat beeld enige waarheid is, dan zijn zij, die verloren gaan, voor eeuwig verloren. De worm zou sterven, en het vuur zou uitgeblust worden, als zij in de hemel kwamen. Hoe wordt dit door de Heilige Geest voorgesteld? Duidt Hij de toekomende toorn niet aan als een bodemloze afgrond? Dit zou hij niet wezen, indien zij, die er in neer geslingerd worden, zich ergens aan konden vasthouden, om dan later naar de sterren tronen der engelen op te klimmen. Broeders, Hij die de mensen veroordeelt, Hij, die dit heeft voorgesteld in de zo sterke uitdrukking: “Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden”, zal voorzeker en letterlijk zijn eigen woord gestand doen; en indien dit zo is, dan zal het hun nooit mogelijk zijn hun kerker des vuurs te verbreken, en het land des vredes en der blijdschap binnen te gaan.

En behalve dat: zondaar, gij kunt uit dat gevanghuis niet uitgaan, omdat Gods karakter en Gods Woord tegen u zijn. Zal God ooit ophouden rechtvaardig te zijn? Maar indien Hij rechtvaardig is, dan moet Hij ook nooit ophouden u te straffen, als het eindvonnis over u is uitgesproken. “Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen”, alzo luidt de voortdurende kreet der cherubim; maar zolang Hij “heilig, heilig, heilig” is, kunt gij Hem nooit welbehaaglijk zijn. Zal God ooit ophouden getrouw te zijn? Maar herinner u, zo lang Hij getrouw blijft aan zijn eigen bedreigingen, moet Hij en zal Hij u doorboren met zijn pijlen, en zal Hij u door zijne grimmigheid doen verteren. Dan staat daar zijn raadsbesluit: “Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.” Dat is de grote kloof, door welke de onboetvaardige zondaar gelijk Prometheus voor eeuwig aan de rots is geketend, om nooit, in tijd nog eeuwigheid, losgemaakt te worden. Het moet niet – het zal niet gebeuren – indien God God is, en indien zijn raadsbesluit geen leugen, geen ijdelheid is, dan moet gij uit de plaats der pijniging niet weggaan.

Ja meer, zondaar, gedenk dat er tussen God en de gevallen mens nooit anders dan één enkele brug is geweest. Die brug verwerpt gij. De Persoon van de Middelaar, zijn plaatsbekledend lijden, zijn gerechtigheid, zijn smartvolle dood – deze vormen de enige weg van de zonde naar de gerechtigheid, van de toorn naar het Gode welbehaaglijk zijn. Maar deze verwerpt gij. Indien gij ooit verloren gaat, dan zult gij Christus geheel en voor altijd hebben verworpen; en voor zoveel gij hedenmorgen nog niet bekeerd zijt, verwerpt gij thans Christus. Het is evengoed alsof gij zeide: Christus is wel gestorven, maar niet voor mij; Christus heeft wel zijn bloed gestort om de mensen te verlossen, maar ik wil op die wijze niet verlost worden. Laat Hij sterven. Ik acht zijn dood ene nietigheid, en zijn bloed ene beuzeling; ik wil liever omkomen, dan door Hem behouden te worden.” Dit is het wat gij eigenlijk zegt. Ik weet, dat die woorden u doen huiveren; gij zoudt het niet wagen ze uit te spreken; maar dat is het, wat gij gevoelt. Gij wilt niet, dat deze Koning over u zij; gij wilt de knie niet buigen en de Zoon kussen; gij wilt Gods tegenstander blijven, en liever het verderf ten prooi zijn, dan door Christus zoenbloed worden behouden. Welnu, indien gij de enige weg verwerpt, wat wonder dan, dat er voor u geen hoop overig blijft. En herinner u daarenboven, dat er geen ander slachtoffer is voor de zonde. De Schrift zegt ons beslist en duidelijk, dat er geen slachtoffer meer overblijft voor de zonden. Denkt gij, dat Jezus ten tweede male zal komen om te sterven? Zullen deze goddelijke handen nog eens aan het hout worden genageld? Gij verwerpt Hem thans. Indien Hij wederom stierf, gij zoudt Hem nogmaals verwerpen. Zal dat hoofd wederom met doornen gekroond worden? Zal die zijde nogmaals met een speer worden doorstoken? Ach! zondaar, indien gij weigert Hem thans aan te nemen, dan zoudt gij dit evenzeer weigeren, als Hij ten tweede male stierf. Doch dat kan niet. Hij heeft eens en voor altijd verzoening aangebracht, en nu is Hij voor eeuwig gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hemel. Geen verzoening ten tweede male, geen tweede verlossing zal ooit voor de zonden der mensen worden aangeboden.

Herinner u ook, dat er in die afgrond geen Heilige Geest is. De gezegende Geest is thans hier en heeft dikwijls met sommigen van u getwist. Herinnert gij u niet, dat gij met Felix hebt gesidderd? Heugt u de tijd niet meer, toen gij, evenals Agrippa bijna bewogen waart? Maar dit alles werd weggedaan; het geweten werd in slaap gewiegd; de Geest van God werd uitgeblust. Welnu, die Geest kan wederom met u twisten, en zo Hij uitgaat in zijn onweerstaanbare kracht, dan zou Hij uw hart, al ware het ook van steen, kunnen verbreken; en al ware het van ijzer, Hij zou het kunnen smelten. Maar eenmaal in de afgrond zijnde, zal de Heilige Geest daar nooit komen. Die gezegende Duif vermijdt de plaats van de toorn; en nooit zullen zijn levenwekkende vleugelen zich uitbreiden over zielen, die aan het verderf overgegeven zijn. Indien dit nu zo is, dan kunt gij niet wedergeboren worden en de hemel binnen gaan; gij kunt niet worden geheiligd; en van ongeheiligde geesten kan de hemel het deel niet wezen. Zo is het dan nu duidelijk genoeg, dat gij bij geen mogelijkheid van de hel naar de hemel kunt gaan. Ach! dat zal een oordeel over u wezen, een plechtig, ontzaggelijk oordeel wegens velerlei zaken. Gij zoekt het huis Gods niet; gij zult er van uitgesloten zijn. Gij bemint de sabbat niet; gij zijt uitgesloten van de eeuwige sabbat. De stem van het heilige lied had geen bekoorlijkheid voor u; gij zult met dat lied nooit instemmen. Het aangezicht Gods hebt gij nooit liefgehad; gij zult het nimmer aanschouwen. De naam Jezus Christus was nooit welluidend voor uw oor; gij zult Hem nimmermeer horen. Jezus Christus was u gepredikt; maar gij hebt Hem verworpen; zijn bloed hebt gij vertreden. De weg naar de hemel werd u aangewezen en geopend; maar gij wilde tot Hem niet komen, opdat gij het leven zoudt hebben. Er is een weg van de aarde naar de hemel: zondaar, al zijt gij ook tot in de diepste diepten der zonden vervallen, al waart gij de gruwelijkste van alle overtreders, toch is er nog een weg naar de hemel. De ontuchtige vrouw, de dief, de onheilige, de dronkaard, kunnen door Jezus Christus nog genade vinden, maar die genade moet op aarde verkregen worden, terwijl wij nog in het heden der genade zijn. Moge God deze ernstige woorden zegenen, dan zal Hij er de eer voor ontvangen.

III. Doch nu moet ik voor een wijle het onderwerp veranderen. Ik moet in de derde plaats opmerken, dat, gelijk geen personen over die kloof zonder brug heen kunnen gaan, ER OOK EVENMIN ZAKEN OF VOORWERPEN OVER HEEN KUNNEN. Er kan niets van de hel in de hemel komen. Verblijdt u, gij heiligen in het licht, juicht hierom in uwen God – geen verzoeking van satan kan u kwellen, als gij eens op de gouden kust zijt aangeland. Gij zijt dan buiten het bereik van uw aartsvijand. Hij kan brullen en briesen, maar dit kan uwe vrede niet verstoren. Gij zult niet langer gekweld worden door de onreine gesprekken der goddelozen. Lot zal nooit meer één enkel vuil woord vernemen. Gij behoeft nooit meer te klagen: “O wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.” Gij zult buitengesloten zijn van alles wat aan de hel behoort. En herinnert u ook, dat gij in de hemel zó veilig zult zijn, dat de toorn van God, die de hel uitmaakt, nooit op u kan vallen. Uw Zaligmaker heeft hem gedragen, geen enkele droppel er van kan op u vallen. Geen pijnen of smarten zullen in de hemel zijn; zij zijn voor de verlorenen; geen pijn van het lichaam, geen verbijstering voor de geest. Gij zult geen zonde hebben; de zonde kan van hen niet tot u komen. Gij zult volmaakt wezen, evenals uw Heere; zonder vlek, of rimpel of iets dergelijks. Gij zult geen vrees hebben voor de toekomst. Gij zult weten, dat uw zaligheid eeuwig is. Dit zal immer de honing van uw honingraat wezen, dat zij eeuwig is. Miljoenen van jaren zult gij op het gelaat staren van uwe Welbeminde; door eindeloze eeuwen zult gij u in het zonlicht koesteren van zijn vriendelijk aanschijn. Dit, zeg ik, is blijdschap voor de Christen. Indien hij er slechts over wil nadenken, zal het hem verzoenen met de grootste der tijdelijke beproevingen, en hem blijdschap doen vinden in de zwaarste strijd van dit leven. Vat moed, o mens, het is slechts een paar dagen worstelende, en dan wacht u de onsterfelijke kroon; een paar uur van strijd, en dan gaat gij in tot de eeuwige ruste. Mij dunkt, ik zie heden de engelen zich heen buigend over de kantelen van het hemels paleis, en als zij zien hoe gij u als gewapende mannen een weg derwaarts heen baant, roepen zij u toe: – “strijdt voort, de kroon der overwinning wacht u.” Wilt gij uw zwaard in de schede steken? Wilt gij de strijd staken? Neen, gaat voort, en laten uwe echte Jeruzalemmer klingen heen gaan door ziel en geest, en de samenvoegselen en het merg verdelen, totdat gij de top bereikt, en de eeuwige heerlijkheid uw deel is geworden.

IV. Wederom slaan wij een andere toon aan, en dat wel voor een vierde, een verschrikkelijk punt. Gelijk er niets van de hel naar de hemel kan gaan, zo kan ook niets, dat hemels is, ooit in de hel komen. Er zijn rivieren des levens aan Gods rechterhand, maar die stromen kunnen nooit in zalige watervallen naar de verlorenen heen vloeien. Neen, het is Lazarus niet vergund het uiterste van zijn vinger in het water te dopen, om een verkoelende droppel aan de door het vuur gepijnigden te brengen. Geen droppel van hemels water kan ooit over de kloof heen komen. Zie dan, o zondaar, de hemel is rust, volkomen rust – maar er is geen rust in de hel; het is arbeiden in het vuur; maar geen gemak, geen vrede, geen slaap, geen kalmte, geen stilte, een eeuwige storm, een onophoudelijke orkaan. In de ergste krankheid zijn er ogenblikken van verademing; stuiptrekkingen van benauwdheid, maar dan ook weer ogenblikken van rust. Maar er is geen pauze in de pijniging der hel. De verschrikkelijke muziek van de eeuwige misère kent geen enkel rustpunt. Het is immer voort, met krijgsrumoer, met stof en bloed, met vuur, met damp en rook.

De hemel is ook een plaats van blijdschap; dáár tokkelen de vingeren der zaligen de hemelse snaren; daar zingen zij de blijde hosanna’s: maar er is geen vreugde in de hel; want dáár bestaat de muziek in zuchten en kermen; voor alles wat vreugdevol is heeft men dáár alles wat smartelijk is. Neen, ik zou hier niet kunnen overdrijven; het zou onmogelijk zijn; ik kan de treurige toestand niet eens recht en ten volle beschrijven; en daarom laat ik er van af. Niets van de blijdschap des hemels kan in de hel komen.

De hemel is de plaats van liefelijke gemeenschap met God; maar er is geen gemeenschap met God in de hel. Dáár zijn gebeden, maar zij worden niet verhoord; dáár zijn tranen, maar zij worden niet aangenomen; daar zijn kreten om erbarming, maar zij zijn de Heere een gruwel. God wil de dood van niemand. Hij wil, dat zij zich bekeren en leven; maar indien deze genade niet wordt aangenomen, dan zal Hij de klederen der wraak aantrekken, en in zijn toorn zweren: Zo gij, die mijn beloofde ruste hebben versmaad, in die ruste zullen ingaan! Zeg mij, zo gij wilt, wat de hemel is, en welke beschrijving gij mij ook geeft van zijne genietingen, ik moet u zeggen, dat niets daarvan in Tofet wordt gevonden, want de zegeningen van de hemel kunnen van het gebied des hemels niet naar het gevanghuis heen komen. Neen, derzelver smart kent geen verlichting, de ellende is er zonder hoop, en wat er het grievende, de verschrikkelijke kwelling van is – het is een dood zonder einde. Ik ken slechts één hoedanigheid, die in de hemel en in de hel gelijk zijn – en dat is het eeuwigdurende. De toekomende toorn, die tot in eeuwigheid en altoos brandt, maar toch nooit wordt verteerd.

En thans…. o gave God, dat ik tot u kon spreken, zoals mijn hart het begeert, daar dit de enige gelegenheid is, die ik er toe heb, want gelijk ik u reeds gezegd heb, indien ik behouden word en gij verloren gaat, dan kan ik dit niet meer doen. Verleent mij dan nog enige ogenblikken uwe aandacht, terwijl ik deze mijn zwakke rede eindig door een woord te spreken tot diegenen onder u, die nog niet bekeerd zijn. Ik heb heden weinig te zeggen gehad tot Gods volk; ik zal wellicht heden avond een woord van troost voor hen hebben, maar heden morgen heb ik te doen met u, die God niet vreest; en er zijn velen van de zodanigen in ons midden. Ik zal u nooit vleien door voor u te prediken alsof gij allen Christenen waart. De Heere mijn God weet, dat hier menig hart is, dat nog nooit werd verbroken; dat hier menige ziel is, die nog nooit gesidderd heeft voor de majesteit der oneindige gerechtigheid, en de toegereikte scepter van de gekruisigde Verlosser nooit hebben gekust. Sommigen van u weten dit. Gij weet, dat gij nog in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid zijt. Ik bedoel niet slechts u, die openlijk in de zonde leeft; ik bedoel ook u, die beminnelijk, voortreffelijk, bewonderenswaardig zijt in uw gedrag en wandel, terwijl toch de liefde van God niet in u is. Voor het uitwendige is er op uw karakter wellicht niets aan te merken, maar . . . . gij zijt niet wederom geboren; gij zijt niet overgegaan van de dood in het leven. O! gedenkt, dat er een zelfde hel is voor de voortreffelijksten als voor de afgrijselijksten, tenzij gij heen vlucht naar Christus – “Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetwelk gelegd is, hetwelk is Jezus Christus;” en indien gij niet in Hem gelooft, dan zult gij sterven in uw zonden. “Want er is onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden.” Komt dan en laat mij bij u pleiten, en ik zal u een vraag doen. Gelooft gij in dit alles? Gelooft gij, dat er een hel is? Gelooft gij, dat er een hemel te verliezen is? Indien gij zegt dit niet te geloven dan heb ik afgedaan met u. God brenge u tot betere gedachten. Maar waartoe zijt gij dan hier gekomen? Waarom belijdt gij een Christen te zijn, zo gij het door de Heilige Geest ingegeven Boek verwerpt? Wordt ongelovigen, maar weest eerlijk, zekerlijk met uzelf! Wat mij betreft: het hedendaagse ongeloof verschrikt mij niet. Ik zou u al zo lief in naam en voor het uitwendige ongelovigen zien verklaren, als u Christenen te horen noemen, terwijl gij toch geloof weigert aan hetgeen dit Boek leert. Ik houd van eerlijkheid, en het schijnt mij toe, wanneer iemand ronduit zegt: “Ik wil niet voorwenden iets te geloven, dat ik toch eigenlijk niet geloof,” er ten minste éne deugd in hem is, en wij mogen hopen, dat ook nog andere deugden bij hem zullen volgen. Maar wat kan ik zeggen tot u, die zegt godsdienstig te zijn, tot u, die ter kerke gaat, en toch niet in een Godsopenbaring gelooft; wat anders dan dat uwe veroordeling volkomen rechtvaardig zal wezen? Mij dunkt, ik hoor sommigen van u zeggen: “Maar wij hebben hier nooit aan getwijfeld; wij hebben het in onze vroegste kindsheid geleerd; wij hebben het altijd gehoord, en wij hebben er nooit aan durven twijfelen.” Welnu, dan vraag ik: kunt gij geloven, dat er een hel is, en er niet aan zoeken te ontkomen. Gelooft gij, dat er een toekomende toorn is, en dat die toorn in het volgende ogenblik op u kan vallen, (want gij zoudt wel kunnen sterven eer gij nog dit bedehuis hebt verlaten.) en zijt gij dan toch kalm en rustig op uw plaats? Heeft de zonde u zo zeer bedwelmd, dat gij niet kunt denken? Want zo gij kunt denken, en er is een vertoornd God, die u kan straffen met de ontzaggelijke kracht van zijn almacht, hoe is het dan toch mogelijk, dat gij gerust zijt in Zion?

Laat mij u een andere vraag doen: indien deze dingen alzo zijn, hebt gij dan uw verstand gebruikt, toen gij de genoegens van dit leven hebt verkoren in plaats van de genietingen des hemels, het genoegen van heden hebt gezocht, terwijl gij weet, dat het door de ellende der eeuwigheid zal worden gevolgd? Versta mij niet verkeerd, ik wil niet zeggen, dat een Christen zonder genot of genoegen is; wij hebben het hoogste en zuiverste genot, dat een sterveling kan kennen. Wij hebben niet de genietingen der zonde, maar wij hebben veel dieper, veel heerlijker genoegens. Maar dit bedoel ik: wilt gij uzelf verteren in zondige genoegens? Wilt gij uw tijd doorbrengen met te voldoen aan uw begeerlijkheden, in dronkenschap, in de beuzelingen van een leven naar de mode; en gelooft gij, dat deze dingen waard zijn wat zij u kosten? Iemand, die een hoge positie bekleedt in de maatschappij, kwam onlangs tot mij en zeide: “O het schijnt iets ontzettends, dat ik, wetende wat mijn lot zal zijn, indien ik leef en sterf zoals ik nu ben, toch blijf handelen zoals ik nu handel. Als gij bij mij zijt, of als ik een ernstige evangelieprediking hoor, dan denk ik, dat er een verandering in mij zal plaats hebben; dan wens ik God te dienen; maar ach! gij weet niet, aan wat verzoekingen ik bloot sta; gij weet niet, hoe het is, als ik te midden van de pracht en ijdelheid der wereld ben, en mij voeg bij mensen, die met alle gedachten aan godsdienst de spot drijven; dan verdampen al mijn indrukken, en ik ben dwaas genoeg voor deze nietigheden mijn ziel te verkopen.” Er zijn heden hier velen van zulke dwazen die voor een weinigje zonde hunne zo kostbare ziel verkopen. Men bedwelmt zich en neemt voor een ogenblik deel aan de woeste waanzinnige dans der wereld, waar de duivel uw mededanser is, en dan is de vrolijkheid voorbij. Ik vraag u uw gezond verstand te gebruiken, en te oordelen, of het de moeite waard is de gehele wereld te gewinnen en uw eigen ziel te verliezen.

Ik zal het u nog anders voorstellen. Hoe komt het, dat gij Christus niet aanneemt, daar dit toch de enige tijd is, in welke het mogelijk is Christus aan te nemen? Ik zal het u zeggen: Gij bemint Christus niet; gij bemint de zonde. Of wel, gij zijt te trots om tot Christus te komen; gij denkt, dat gij goed genoeg zijt, dat Christus niet is voor de zodanigen als gij zijt, maar alleen voor grote zondaren, voor de slechtsten der slechten. O mijne vrienden, is uw hoogmoed dan zulk een fraaie zaak, dat gij verloren wilt gaan, om die hoogmoed maar vol te kunnen houden? Werp weg die hoogmoed; kom zo als een zondaar moet komen, en grijp Jezus Christus aan. Of indien het de zonde is, die u in de weg staat, zo moge God, de Heilige Geest, u helpen, het rechteroog uit te rukken en de rechter arm af te houwen, veeleer dan met twee ogen en twee armen in het helse vuur te worden geworpen.

“Maar,” zegt iemand, “hoe kan ik Christus aangrijpen?” Mocht gij door de gezegende Geest er toe in staat worden gesteld! Doch zie hier hoe: vertrouw op Jezus Christus, en gij zult zalig worden. Gij zijt u bewust, dat gij zijn toorn hebt verdiend; gij siddert en beeft vanwege zijn verschrikkelijke wet; maar zie op Jezus. Daar hangt de bloedende Heiland. Mij dunkt, dat deze ogen Hem daar kunnen aanschouwen; God, de Eeuwige, Hij, door wie de hemel der hemelen werd gemaakt, en de aarde met hare volheid, neemt de gestalte aan van de mens, en hangt aan het vloekhout. Er is leven in één blik op die Gekruisigde, er is thans, op dit ogenblik, leven in voor u. Wilt gij met tranen in de ogen op Hem zien, en zeggen: “Jezus, gefolterd, gedood om mijnentwil, ik geloof in U. Aan uwe voeten werp ik mij neer, geheel beladen met schuld, bevlekt, onrein; laat uw kostbaar en dierbaar bloed op mij, de grootste der zondaren, gesprengd worden, richt Gij Uw oog op mij, en zeg tot mij: “Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid. Kom, o zondaar, en wees welkom.” Ik heb u slechts uit liefde de wet gepredikt. God weet, hoe mij het hart bloedt, terwijl ik deze harde dingen zeggen moet. O dat gij in Jezus wilde geloven; Hij wordt u om niet verkondigd, neem Hem dan aan. Moge de Geest van God er u toe brengen Hem thans aan te nemen. Dit zijn geen harde, strenge voorwaarden van een bloeddorstig tiran. Hij zegt slechts: “Buig de knie en kus de Zoon. Kom, o zondaar, gij zijt welkom.” Jongeling, wilt gij al of niet behouden worden? Zondaar, gij, wiens grijze haren de nadering des doods aankondigen, wilt gij al of niet in Christus geloven? Het zou kunnen wezen, dat dit de laatste maal is, dat u het Evangelie met ernst, en aandrang en liefde wordt gepredikt. Wilt gij Jezus als de uwe aannemen? O Geest van God, neig dat hart om te antwoorden: “Ja Heere, ik wil het,” en gelijk die aanneming gehoord wordt op aarde, moge zij opgeschreven worden in de hemel; en moge alzo nog heden de zaligheid tot het hart van die man of vrouw komen. De Heere zegene u allen en een iegelijk van u; en als Hij zijn volk bijeenvergadert, mochten gij en ik, en een iegelijk onzer aan zijne rechterhand worden gevonden, om zijn vriendelijk aangezicht te aanschouwen. Amen.

Overgenomen uit: “De gelijkenissen van de Heiland” van C.H.Spurgeon

Send this to friend

Spring naar werkbalk