Alles uit genade
december 28, 2015
Zij aten van de opbrengst
januari 1, 2016
Show all

Zevende brief van John Newton aan een edelman. September, 1772.

Mijn heer!

Hoe zwak, onverstandig, en ontrouw ik ook ben in de praktijk, het heeft echter den Heere behaagd, mij enigermate te doen begrijpen, hoedanig een ‘ Christen behoord te zijn, en in hoeverre zij, die het gegeven wordt met ernst te jagen naar de prijs van hun hoge’ roeping, in dit leven werkelijk komen kunnen. Zij die in de werktuigkunde ervaren zijn, kunnen uit de verenigde krachten van de onderscheidene delen van een samengesteld gereedschap, nauwkeurig berekenen, welke kracht het doen kan, en welke tegenstand het kan verdragen; maar wie kan de mogelijke uitwerkselen bepalen, die al de grondbeginselen en beweegredenen van het Evangelie, bij elkaar genomen, hebben kunnen op een gemoed, dat het gewicht en de heerlijkheid daarvan recht voelt? Onlangs bevond ik mij in het Museum van de heer Cox. Terwijl ik mijn aandacht vestigde op enige fraaie bewegingen , menende dat ik nu het oogmerk van de kunstenaars in zijn geheel zag, raakte de persoon die het mij zien liet, een kleine veer aan , en even later vertoonde zich duizend nieuwe en onverwachte bewegingen, en het gehele stuk scheen van boven tot beneden te leven. Ik zou slechts een zeer onvolmaakt begrip van hetzelve gevormd hebben, indien ik niets meer gezien had, dan ik in het eerst zag.

Dit kon, dacht ik, enigermate dienen, tot verklaring van het grote onderscheid, dat men bespeurt onder de belijders van het Christendom, zelfs onder dezulke, die men vertrouwen mag oprecht te zijn. Er zijn mensen, die blijk geven van ware kennis — ten dele — van de aard van de Godsdienst en van het Evangelie, maar die de eigenschappen er van, in haar bijzonderheden en uitgebreidheid, niet schijnen in te zien. Zijn zij gekomen tot enige vaststelling van hun genadestaat, mogen van tijd tot tijd enige gemeenschap oefenen met God in de middelen van de genade, zijn ze enigermate bevrijd van de heersende en bedorven zeden van deze wereld; dan schijnen ze voldaan te zijn, alsof zij inmiddels alles verkregen hadden. Dit zijn inderdaad grote dingen; Sed meliora latent. — Maar er zijn nog betere. — Het Christendom van velen , van wie men de oprechtheid en de liefde niet graag zou verdenken, wordt, niettegenstaande hun goede hoop, en de vertroostingen die zij nu en dan genieten, grotendeels ontsierd door het uitbreken van onheilige gemoedsdriften, het koesteren van ijdele verwachtingen, angstvallige zorgen, en zelfzùchtige najagingen. Verre, zeer verre ben ik van dat onschriftuurlijk gevoelen van een onzondige volmaaktheid in de gevallen mens. Hen, die een behoorlijk besef hebben van de geestelijkheid en de grond van de Goddelijke geboden, en van hetgeen in hun hart omgaat, zal het nooit ontbreken aan stof tot diepe vernedering en verootmoediging over de zonde. Evenwel, er is een vrijheid en een voorrecht verkrijgbaar door het Evangelie, boven hetgeen men doorgaans denkt. Vergun mij, twee of drie bijzonderheden te noemen, waarin zij, die een heilige zucht hebben om er naar te jagen, niet geheel teleur gesteld zullen worden. Vermaak in Gods algenoegzaamheid; met Hem voldaan te zijn, als ons tegenwoordig en eeuwig deel. Dit is, in de zin zo als ik het versta, geen uitwerksel van een enkele opgewekte gemoedsgestalte, maar van een diep geworteld en blijvend grondbeginsel, welks hebbelijke oefening te schatten is naar de betrekkelijke onverschilligheid omtrent andere dingen. De ziel, door dit grondbeginsel bestuurd, heeft geen tijd, om vermaak te vinden of te zoeken in iets, dat niet kennelijk dienstbaar is aan deze heersende smaak. Of de Heere is nabij aan het gemoed, en dan mag men zich in Hem verblijden; of Hij is verre, en dan moet men Hem zoeken, en op Hem wachten. Zij verdienen medelijden, die, daar zij somtijds hun geluk vinden in de Heere, op andere tijden gelukkig kunnen zijn buiten Hem, en zich verheugen in gebroken bakken, terwijl hun geest verre af is van de Springader des levenden waters. Ik pleit niet voor een volstrekte onverschilligheid omtrent tijdelijke zegeningen. God verleent ons alle dingen rijkelijk, om te genieten, en het vermogen om hen te smaken, is ook een geschenk van Zijn hand: maar dan behoord de overweging van Zijn liefde in het mededelen er van, hun waarde uitnemend te verhogen , en onze oplettendheid op zijnen wil hun gebruik te regelen.

Geen aardse genietingen ook, kunnen het gemis vergoeden van dat, wat wij onmiddelijk van Hem kunnen ontvangen. Dit grondbeginsel dient ook, om de onmatige vrees of droefheid te bedwingen, waaraan wij, bij het vooruitzien‚ of het ondergaan van zware beproevingen, blootstaan; daarvoor toch is een zekere steun en een veilige schuilplaats te vinden in de algenoegzaamheid van een oneindige Goedheid en Genade. Wat een voorrecht, God te bezitten in alle dingen, wanneer wij ze mogen genieten, en alle dingen in God te bezitten, wanneer ze ons ontnomen worden. Berusting in Gods wil, gegrond op de overreding van Zijn wijsheid, heiligheid, vrijmacht, en goedheid. Dit is een van de grootste voorrechten en heerlijkste sieraden van het Christendom. Voor zover wij dit mogen bereiken, zijn wij beveiligd tegen alle teleurstellingen. Onze eigene bekrompen vooruitzichten, en bepaalde voornemens en begeerten, kunnen en zullen vaak mislukken; maar dan zal onze voorname, onze hoofdbegeerte, namelijk, dat des Heeren wil geschiede, altijd onfeilbaar vervuld worden. Hoe hoog betaamt het ons, èn als schepselen, èn als zondaren, ons te onderwerpen aan de beschikkingen van onze Maker, en hoe nodig is dit voor onze rust! Deze grote deugd wordt maar al te vaak vergeten en voorbij gezien. Wij zijn geneigd, om onze aandacht te vestigen op de tweede oorzaak, op de middelijke werktuigen van de gevallen; niet bedenkende, dat alles wat ons overkomt geschiedt naar Zijn voornemen, en dat het daarom billijk en betamelijk is op zichzelf, en in de uitkomst uiteindelijk voor ons ten goede zal werken. Hier uit ontstaat ongeduld, misnoegen, en heimelijk morren; wat niet alleen zondig, maar ook pijnlijk is. Daarentegen, indien alles in Zijn hand is, als zelfs de haren van ons hoofd geteld zijn, als elke gebeurtenis, de grote en de kleine, onder het bestuur van de Voorzienigheid staat, en naar Gods raad geschiedt; en een wijs, heilig, en genaderijk einde bedoelt, waaraan alles wat gebeurt, ondergeschikt en dienstbaar is — dan hebben wij niets anders te doen, dan lijdzaam en ootmoedig te volgen, zoals het gaat, en blijmoedig een gelukkige uitkomst te wachten. Het pad van onze tegenwoordige plicht is ons aangewezen; en de belangen van het komende uur, en van alle volgende uren, zijn in Zijn hand. Hoe gelukkig zijn zij, die alles aan Hem kunnen overlaten, Zijn hand zien in alle ontmoetingen, en geloven, dat Hij beter voor hen kiest, dan zij met mogelijkheid voor zichzelf zouden kunnen doen!

Een eenvoudig oog op Gods eer, als het uiterste doeleinde van al onze ondernemingen. De Heere kan niets bedoelen, minder dan Zijn eigen eer; en ook wij mogen geen ander doel beogen. De hartveroverende liefde van Christus is rechtstreeks en op een wonderbare wijze daarheen gericht, om, naar evenredigheid van de mate van ons geloof, dat bedorven grondbeginsel, eigenliefde, te beteugelen, wat weleer de enige en grote drijfveêr van onze handelingen was, en waardoor wij zelfs, nadat we de Heere leerde kennen, nog maar al te veel geslingerd worden. Maar als de genade de overhand heeft, wordt het eigen Ik verzaakt – wij voelen dat wij niet van onszelf zijn, dat wij duur zijn gekocht, en dat het onze plicht, onze eer, en ons geluk is, dienaars van God en van de Heere Jezus Christus te zijn; onze ziel en ons lichaam, al onze gaven, vermogens, en bekwaamheden, aan Zijn dienst, Zijn zaak, en Zijn wil toe te wijden; ons licht té laten schijnen, elk naar onze bijzondere omstandigheden, tot prijs van Zijn genade; onze hoogste blijdschap te stellen in het beschouwen van Zijn aanbiddeljke volmaaktheden; ons te verheugen zelfs in verdrukkingen en rampen, in smaad en zwakheden, als daarbij de kracht van Christus op ons mag rusten, en door ons groot gemaakt worden; tevreden, ja verblijd te zijn niets te zijn, opdat alles in allen zij; Hem gehoorzamen, in weêrwil van het ongenoegen of de gunst van mensen; op Hem te steunen, ofschoon naar het uiterlijk aanzien alles ons tegen loopt; in Hem ons te verblijden, wanneer wij — zoals vroeger of later het geval zal zijn — niets ‘anders hebben waarin we ons verblijden kunnen; te leven boven de wereld, en onze wandel in de hemel te hebben; om te zijn zoals de Engelen, en ons vermaak te vinden in het uitvoeren van Zijn wil. — Dit, Mylord, is de prijs, het doel van onze hoge roeping; wij worden aangemoedigd, om met een heilige drift geduriglijk hier naar te jagen. Het is waar, wij zullen steeds te kort schieten; wij zullen vinden, dat als wij het goede willen doen, het kwade ons bijligt — maar de poging is heerlijk, en zij zal niet ten eenenmale vruchteloos zijn. die ons dus het willen gaf, zal ons ook steeds meer en meer bekwaam maken tot het volbrengen, en ons voordeel leren trekken zelfs uit onze feilen en onvolmaaktheden.

Gezegend is de man, die dus den Heere vreest, die vermaak vindt in zijn Woord, en zijn grondbeginselen, beweegredenen, begrippen, en vertroostingen uit die onledigbare bron van licht en sterkte afleidt! Hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, wiens loof altijd groen is, en wiens vruchten overvloedig zijn. De wijsheid die van boven is, zal zijn ontwerpen besturen, zijn raadslagen regelen, en de kracht van God zal hem aan alle zijden behoeden, en hem de weg banen door alle moeilijkheden heen; hij zal bergen zien nederzinken tot valleien, en bronnen zien ontspringen in de dorre wildernis. Des Heeren vijanden zullen zijn vijanden zijn; het moge hun toegelaten worden hem aan te vallen, doch zij zullen niet overmogen, want de Heere is met hem, om hem te verlossen. De wandel van zulk een, hoewel nog in een lage en vergeten maatschappelijken stand, heeft meer ware uitmuntendheid en gewicht, dan de roemruchtigste daden van koningen en overwinnaars, die in de geschiedenisrollen geboekt zijn, Spr. 16:32. En behaagt het Gode, dien hij dient, hem een meer openbare plaats te doen bekleden; dan zullen zijn arbeid en zijn zorgen rijkelijk vergolden worden, door de groter gelegenheden welke hij hebben zal, om de kracht en wezenlijkheid van de ware godsvrucht te betonen, en het welzijn van het mensdom te bevorderen. ’

Ik hoop te mogen zeggen, dat ik begeer om zo geheel aan de Heere overgegeven te zijn; ik ben verzekerd, dat ik zeggen moet, dat hetgeen ik geschreven heb, ver weg is van mijn dadelijke ondervinding. Helaas! mijn eigenmond zou mij moeten veroordelen, als de Heere al mijn gebreken ten strengste gadesloeg. Maar, welk een troost! wij zijn niet onder de Wet, maar onder de Genade. Het Evangelie is een weg voor zondaren; en wij hebben een Voorspraak bij de Vader. Daar ligt de onwankelbare grond van hoop. Een verzoend Vader; een krachtig Voorbidder; een alvermogend Herder; een ‘medelijdend Vriend; een Zaligmaker, die bekwaam en gewillig is om volkomen zalig te maken! Hij kent ons maaksel, Hij is gedachtig dat wij slechts stof zijn, en heeft een verse en levende weg door zijn bloed voor ons gebaand tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, genade vinden, en geholpen worden ten bekwamen tijde.

Ik ben, enz. September, 1772.

avatar
 
smilegrinwinkmrgreenneutralarrowshockunamusedcooloopsrazzrollcryeeklolmadsadexclamationquestionideahmmbegwhewchucklesillyenvyshutmouth
  Inschrijven  
Abonneren op