Ongerechtigheid van de gaven
januari 8, 2016
Over het achtste gebod
januari 8, 2016
Show all

Negende brief van John Newton aan een edelman. December, 1772,

Mijn heer!

Onlangs besteedde ik enkele van mijn vrije uren — die, wanneer ik niet onpasselijk ben, zelden zijn; — aan het lezen van de gedenkschriften van de Hertog van Sully, die mij bij toeval in handen kwamen. Deze lectuur gaf mij stof tot verschillende bedenkingen. Ik beklaag de Hertog van Sully, wiens gezetheid‘ op de naam van Protestant, weinig meer schijnt geweest te zijn, ‘dan een punt van eer; die geen hulp zocht dan alleen in zichzelf; en wiens voorname doelwit blijkbaar bestaan heeft in zich getrouw te betonen omtrent een aardse meester. Hij handelde zowel, als men zou kunnen verwachten van iemand, die alleen door natuurlijke grondbeginselen gedreven wordt; en de Heere, die hem gebruikte als een werktuig in de hand van Zijn Voorzienigheid, vergold zijn getrouwheid met voorspoed, eer, en rijkdommen. Een vergelding, die, daar het gering in zichzelf is, gepast is naar de begeerte van mensen, die hun geluk in aardse dingen stellen, en, in zover, een beloning van hun diensten. Het is uw Lordschap geschonken, om uit edelere beginselen, en met uitgestrekter oogmerken te handelen. Gij dient een Meester, van wiens gunst, bescherming, en bijstand gij niet beroofd kunt worden; die de geringste diensten, welke gij voor Hem tracht te doen, niet voorbij zal zien, noch misduiden; die geen gehoor zal geven aan ongunstige inboezemingen tegen u; die altoos nabij is, om u te vertroosten, te onderwijzen, en te sterken; en die u zulk een eer en zulke zegeningen bereidt, als alleen kan schenken, een erfenis – geheel het tegengestelde van alle aardse goederen. Dus aangemoedigd en dus ondersteund, bijgestaan ook door de gebeden van duizenden; mogen we dan niet op goede gronden hopen, dat uw Lordschap een werktuig zijn zal van veel goeds, en dat Kerk en Staat, door uw voorbeeld, uw raad, en uw zorg, veel voordelen zullen verkrijgen? In een ander gezichtspunt, levert de geschiedenis van den Hertog van Sully een voorbeeld op van de waarheid van taal van de Dichter: Immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid.  Beschouw hem aan de ene kant; hij schijnt alles te bezitten, wat het staatzuchtigst hart ooit kon begeren – de gunst en het vertrouwen van zijn Vorst — opgehoopte schatten — grote eer en aanzien — en zoveel macht, uit hoofde van zijn bedieningen en van zijn invloed op de Koning, dat hij bijkans doen kon wat hij wilde. Nochtans had hij zoveel te lijden, door de bezigheden en moeilijkheden van zijn stand, en de kuiperijen en boosheid van zijn vijanden, dat in het midden van al zijn grootheid, een bezadigd gemoed hem veeleer moest beklagen, dan benijden. En hoe plotseling werden al zijn ontwerpen verijdeld, door de dood van de Koning! Toen verloor hij zijn vriend, zijn beschermer, en met hem al zijn invloed. Het overige van zijn dagen werd bitter gemaakt door veel verdrietige gebeurtenissen. leefde naderhand, ’t is waar, — of dit enigen troost kon opleveren — in grote pracht en praal; maar na meer dan tachtig jaar doorgeworsteld te hebben, stierf hij ten laatste bijna enkel van hartzeer, door huiselijke onlusten. En is dit alles, wat de wereld aan hen, die men hier beneden allergelukkigst acht, kan geven? Helaas!

Hij bouwt te laag, die bouwt beneên de wolken.

En wat een schilderij van de onbestendigheid van de menselijke zaken ziet men in zijn meester, Koning Hendrik! Bewonderd, bemind, gevreesd; vol van grote voornemens — zichzelf dwaselijk inbeeldende, geboren te zijn om de scheidsrechter van Europa te zijn; in één geducht ogenblik, te midden van zijn vrienden, plotseling van het toppunt van zijn grootheid neergeworpen en weg
gerukt — in de onzichtbare, de onveranderlijke wereld! In dat tijdstip vergingen al zijn raadslagen. Hoe onbesefbaar vreselijk is zulk een overgang! Hoe opmerkelijk waren zijn eigen voorspellingen van het naderend uur! O Heer! hoe stort Gij verachting uit over de Prinsen, en leert ons, dat de aanzienlijke en de geringe mensen allemaal in Uw hand en onder Uw beschikking staan, als het leem in de hand van de pottebakker! Ongelukkige Koning! terwijl hij, gehoorzaamheid verwachtte van zijn bevelen, leefde hij in gestadige verachting van de bevelen van God. De mensen mogen zijn gedachtenis vereren, om zijn oprechtheid, goedwilligheid, en andere beminneljke hoedanigheden; maar, behalve dat hij zijn hoogst genoegen vond in een kring van zinnelijke vermaken, wanneer de bezigheden van de Staat niet in de weg kwamen — zijn leven was bezoedeld door overspel! Gelukkig, dat in de uren, die hij in afzondering doorbracht, toen het voorgevoel van zijn dood hem zwaar op zijn geest begon te wegen, de Heer zijn harte kneedde en verootmoedigde, en hem de bekering gaf ten leven! Ik wenste dat de geschiedenis daar enig verslag van leverde. Hoe het ook zij; wij zien in zijn dood een aandoenlijk bewijs, dat geen menselijke waardigheid of macht de hand van de Allerhoogste kan afkeren‚ die door zulke plotselinge en onverwachte bestellingen , zich menigmaal ontzaggelijk betoont aan de Vorsten en de grote der aarde. O! dat zij er Zijn hand in opmerkten, en verstandiglijk acht gaven op Zijn daden! Maar zalig hij, die de Heere vreest, en lust heeft in Zijn geboden; die gedurig zich God voor ogen stelt, en handelt onder de krachtdadigen invloed van de verlossende Liefde! Hij is de ware vriend en de beste verdediger van zijn vaderland, die, niet de algemene kundigheden‘ van menselijke wijsheid en roem, maar de lessen en het voorbeeld van de gezegenden Jezus, tot het model en de drijfveêr van zijn handelingen stelt. Hij tracht, wanneer de gelegenheid voorkomt, de grote waarheden van de Godsdienst door gemeenzame gesprekken in te scherpen, en betoogt ze door zijn praktijk; doch het beste deel van zijn leven is Gode en hemzelven alleen bekend. Zijn tijd is verdeeld tussen het dienen van zijn land in het openbaar, en het worstelen voor hetzelve in het verborgen. Zijn arbeid en zijne gebeden zullen ook niet tevergeefs zijn — ‘of hij zal de begeerte van zijn hart verkrijgen, en Godsdienst en Vrijheid, die hij zo hoog waardeert, tot het nageslacht zien overbrengen; of, zo hij beleven moet, dat Gods gramschap wordt uitgestort, zodat er geen genezen aan is, dan zullen Gods belofte en Voorzienigheid hem verzegelen, als een bijzonder voorwerp van de zorg der Engelen, te midden van de openbare rampen. En wanneer alle dingen in verwarring gedompeld worden, wanneer de harten van de goddelozen beven zullen als de bladeren van het geboomte; dan zal hij, op den Heere vertrouwende, volmaakte rust en vrede genieten. ’

Ik ben, enz.
December , 1772.

Send this to friend

Spring naar werkbalk