Christus onze vertroosting – C.H. Spurgeon
februari 12, 2016
Kinderen van God – C.H. Spurgeon
februari 13, 2016
Show all

Bijbelstudie over de

DOOP – T’VILA

hlybu

Door Werner Stauder (Messiaans beleidende Jood)

 

Misschien behoort ook u tot degenen, die zich nu afvragen waarom ik deze keer de doop behandel in deze bijbelstudie. Voor een Messiasbelijdend Joods Beit Midrash verwacht men dit onderwerp immers niet, omdat men het nogal typisch “christelijk” vindt en voor Joodse mensen doorgaans een nare bijsmaak heeft. Door de eeuwen heen werden met name in Europa ontelbare Joden gedwongen om zich te laten dopen en hun Jood-zijn af te zweren. Wie het weigerde werd gedood (meestal op de brandstapel) of in latere tijden, toen de inquisitie afgeschaft was, uitgesloten van bepaalde sociale voorzieningen. Joden werden praktisch overal verschrikkelijk gediscrimineerd: ze hadden geen burgerrechten, mochten bepaalde beroepen niet uitoefenen, moesten in speciale getto’s wonen en in sommige landen herkenbare kleding dragen waardoor ze zichtbaar onderscheiden konden worden van de autochtone bevolking. Was de christelijke doop in bepaalde landen voor hun de enige kans om niet te worden gedood, zo was de doop in andere landen meer een manier om aan eten te komen. Een van die landen was Nederland! Deze, slechts in naam ‘bekeerde’ Joden, werden door hun volksgenoten “spekjoden” genoemd.

 

Jiddische anekdoten over de doop

 

In de Jiddische spreekwoorden en anekdoten worden deze “spekjoden” derhalve regelmatig op de korrel genomen. Zo zegt men bijvoorbeeld: .yvg ]yyq uyn ]va dyy ]yyq uyn zya dmv>m a ”A Meschumed is nit kein Jid un nit kein Goi!” [Een gedoopte Jood is geen Jood, maar ook geen heiden!]. Een heel grappige anekdote over de doop van een zogenaamde spekjood luidt als volgt: A kleinstädtldiker Jid hot nischt gehat kein Parnosse. Hot ihm a christlecher Schochn gegebn an Ejze: “Schmad sich, westu bakummen a gutn Postn”. Der Jid hot ihm gefolgt, ober der Schmad hot ihm geholfn punkt wie a tojtn Bankess. Amol bagegnt dem Meschumed a gewesener Freind. Frägt er ihm: “Nu, wie gejht es dir azind?” – “Wejß ich wos,” äntfert der frisch gebackener Christ. “Friher hot sich dos Weib mit mir gekriegt, wos ich gib ihr nischt oif Schabbes. Itzt schelt sie mich tojtn Kloless, wos ich gib ihr nischt oif Sunntik”. – “Wos sche hostu gepojlt mitn Schmad? Wos hostu gewunnen?” – “Wos hejßt, wos ich hob gewunnen? A Tog is oich nischt kein Kleinikeit!” [Een Jood uit een klein stadje had geen inkomen. Een christen-buurman gaf hem de raad: “Laat je dopen, dan krijg je wel een goede betrekking”. De Jood volgde die raad op, maar de doop bracht hem van de regen in de drup. Op een dag ontmoette de dopeling een vroegere vriend. Vraagt deze hem: “Na, hoe gaat het nu met je?” – “Weet ik veel,” antwoordt de nieuwbakken christen. “Vroeger verweet mijn vrouw mij dat ik haar geen geld voor de Schabbes [sabbat] gaf. Nu scheld ze mij hartgrondig uit, omdat ik haar geen geld voor de zondag geef”. – “Wat heb je nu met de doop bereikt? Wat heb je gewonnen?” – “Wat bedoel je, wat heb je gewonnen? Een dag uitstel is toch ook geen kleinigheid!”].

 

Gevoelig onderwerp

 

U ziet, dat de doop bij Joodse mensen heel gevoelig ligt, vooral omdat er doorgaans geen persoonlijke bekering, maar dwang of noodzaak aan voorafging en het verlies van de Joodse identiteit ten gevolg had. Maar ook voor christenen onderling is de doop een uitermate gevoelig onderwerp. Zij was dikwijls zelfs de oorzaak geweest voor diverse kerkscheuringen, want in christelijke kringen kan men over alles praten, maar als de doop ter sprake komt, of wat de Bijbel erover zegt, breekt bijna letterlijk de hel los en er is veel takt voor nodig om het gesprek in goede banen te houden. Door de eeuwen heen werd over dit onderwerp helaas veel gestreden, terwijl G’ds Woord op dit punt juist zo overduidelijk is. Er is nauwelijks iets dat zó helder en duidelijk in de Bijbel wordt benadrukt als de noodzakelijkheid van de bekering, die aan de doop moet voorafgaan: “Bekeert u en een ieder van u late zich dopen” (Handelingen 2:38) en “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden” (Marcus 16:16). Er staat dus: éérst bekeren en dàn laten dopen – éérst geloven en dàn laten dopen! Niet alvast een baby dopen en dan maar afwachten of het zich later wel of niet bekeert en gelooft. Als wij serieus met de dingen van Adonai bezig zijn dienen wij wèl de bijbelse volgorde aan te houden en niet zomaar menselijke inzettingen na te volgen. Dat geldt óók voor de wijze waaròp het gedaan wordt. In Romeinen 6 wordt ons duidelijk uitgelegd, dat de doop door onderdompeling een begrafenis uitbeeldt, namelijk het afleggen en begraven van de oude, zondige mens. Als men dan na de doop weer uit het water te voorschijn komt, stijgt men op als een nieuwe schepping! Deze symboliek missen wij volledig bij het besprenkelen van baby’s, en de voorstanders van de kinderdoop mogen de woorden van Sha’ul [Paulus] derhalve ook heel persoonlijk opvatten: “Of weet gij niet, dat wij allen, die in Mashiach Yeshua [Christus Jezus] gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk de Mashiach [Christus] uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen” (Romeinen 6:3-4). Indien u Zijn offer op Golgotha dankbaar aanvaart, hoort u Hem óók na te volgen in Zijn dood en begrafenis door u te laten onderdompelen, want Sha’ul herhaalt in Kolossenzen 2:12 de woorden: “…daar gij met Hem begraven zijt in de doop”. Verder staat in Titus 3:5 dat de Eeuwige naar Zijn ontferming ons gered heeft door het bad der wedergeboorte. In de doop wordt dus niet alleen uitgebeeld, dat de gelovige zijn oude leven aflegt, maar óók, dat hij opnieuw wordt geboren! Het water dat hem omringt en waaruit hij verrijst, is hiervan het beeld. Hij wordt getrokken uit de duisternis naar het licht. Nooit kan de besprenkeling van zuigelingen dit mysterie van de wedergeboorte uitbeelden! In Efeziërs 5:25-26 lezen wij tevens, dat “de Mashiach [Christus] Zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord”. In de kinderdoop missen wij dus samenvattend: de bekering, het geloof, het afleggen van de oude, zondige mens, en de wedergeboorte, en kan derhalve vanuit bijbels perspectief gezien niet worden erkend als doop! Zij heeft geen enkele betekenis in het Koninkrijk van G’d, maar vormt echter wel een barrière om tot de ware doop te komen!

 

Vervolging

 

De ware doop als getuigenis van wat de Eeuwige in het leven van een wedergeboren mens doet, wekt de felle vijandschap op van de machten der duisternis. Zij inspireren de natuurlijke mens dan ook om dit getuigenis te haten en vast te houden aan het surrogaat dat hij ervoor in de plaats stelde. De ontelbare bloedgetuigen moesten dit door de eeuwen heen aan den lijve ondervinden! Christenen die vast hielden aan de bijbelse manier van dopen, werden door de officiële kerken verketterd en belandden vaak op de brandstapel! De zogenaamde “kerkvader” Augustinus was reeds één van de eersten, die zelfs banvloeken over hen uit spraken. Zo vaardigde bijvoorbeeld in 416 een concilie te Carthago onder zijn voorzitterschap het volgende “liefdeblijk” uit jegens hen: “Wij willen dat een ieder, die loochent dat jonge kinderen door de doop uit hun verloren toestand gered en eeuwig zalig worden, vervloekt zal zijn!!!” – Dat was het begin, en tot de huidige dag worden voorstanders van de bijbelse doop door onderdompeling ná de persoonlijke bekering binnen de traditionele kerken als ketters gebrandmerkt en te vuur en te zwaard vervolgt en kerken waar deze manier van dopen wordt gehanteerd, worden afgeschilderd als sekten! Tegenwoordig hoeft men weliswaar niet meer te vrezen om door de inquisitie tot de brandstapel te worden veroordeeld, maar men loopt wel kans om uit de kerk gezet te worden of in het gunstigste geval te worden ontheven van eventuele functies, die men in de kerk bekleedt. De onderdompeling van wedergeboren gelovigen, die reeds als baby besprenkeld waren, wordt door de traditionele kerken namelijk als “wederdoop” gezien en afgekeurd, omdat je volgens de Bijbel maar één keer gedoopt kan worden. De doop is niet herhaalbaar, want je wordt maar één keer deel van het lichaam van Yeshua. Wederdoop is dus onaanvaardbaar. Daarom is men in deze kerken ook van mening (en deze opvatting is zelfs in synodebesluiten vastgelegd), dat de leden die zich laten “wederdopen”, hierdoor hun lidmaatschap van de kerk hebben verloren, omdat zij namelijk door de “wederdoop” G’ds genadig handelen aan hen in de ene doop (volgens de kerk dus de kinderdoop) verloochenen. Zij plaatsen hun eigen beslissingen (in ogen van de kerk) boven het geschenk van G’ds genade en verduisteren G’ds handelen, dat aan onze gerechtigheid en heiliging voorafgaat. Zij begeven zich op afstand tot de gemeenschap waarvan zij door hun besprenkeling als baby deel uitmaken en stichten verwarring in de gemeente. Aldus de mening van de officiële kerkbestuurders! In sommige kerken is dit reden genoeg om deze mensen onmiddellijk uit de kerk te zetten. In andere kerken geeft men er de voorkeur aan om deze broeders of zusters, die door hun “afwijkende” opvattingen over de doop als buitenbeentjes worden gezien, eerst “pastoraal te begeleiden”, je zou ook kunnen zeggen “heropvoeden”. In afwachting van de uitwerking daarvan mogen de “wedergedoopten” geen actief en passief kiesrecht uitoefenen en mogen zij geen funkties als zaaldienst, huisbezoeken of verkondiging uitoefenen. Hun lidmaatschap in de kerk kunnen zij opnieuw verkrijgen als zij tot “inkeer komen” en “berouw” tonen. Uiteraard moeten zij opnieuw de kerkorde aanvaarden. Blijven zij echter bij hun mening, dan raken zij definitief hun lidmaatschap kwijt en moeten de kerk onmiddellijk verlaten! En dan zijn wij dus terug in de middeleeuwen! Binnen de traditionele kerken bestaat de opvatting, dat het niet in de eerste plaats gaat om de doophandeling, maar om de intentie van de mensen (uitgezonderd de dopeling, om wie het eigenlijk gaat). Als men dan rond het doopvont staat, als ouders meestal met de dopeling op de armen, peten, doopgetuigen, als gemeente, als voorganger die de doop mag bedienen, dan staat men daar in geloof. De kinderdoop is dus volledig gebaseerd op het geloof van de ouders en de peten, terwijl de dopeling zelf daar totaal geen inbreng in heeft. Naar zijn mening wordt niet gevraagd, sterker nog: hij kan niet eens een eigen mening hebben omdat hij nog een baby is! Van de dopeling wordt dus verwacht, dat hij op latere leeftijd zijn instemming geeft voor de keuze die zijn ouders destijds voor hem hebben genomen. Dat is dan de plechtige geloofsbelijdenis. Deze eeuwenoude traditie lijkt wel erg bijbels, maar is het niet! Integendeel! Want stel, dat het kind later niet tot bekering komt, wat helaas meestal ook het geval is gezien de massale leegloop en toenemende vergrijzing van de traditionele kerken, wat is dan de waarde van de doop? En als dat wel het geval zou zijn, dan ontbrak in elk geval wel het persoonlijk getuigenis op het moment van de doop. Het aanvaarden van de doop achteraf bij de zogenaamde belijdenis des geloofs, waardoor men lid wordt van de kerk en aan het avondmaal mag deelnemen, vindt evenmin bijbelse gronden. Er zijn mensen die zeggen: “Wat maakt het nou uit of je eerst gedoopt wordt en dan je geloof belijdt, of je belijdt eerst je geloof en wordt dan gedoopt. Dat is toch net zo om het even, of je eerst de suiker en dan de thee in een kopje doet of eerst de thee en dan de suiker”. Dit is echter een verkeerde beredenering, want ons antwoord dient dan te zijn: eerst moet je het kopje op de tafel zetten voordat je de thee erin giet, en niet eerst de thee op de tafel gieten en daarna het kopje neerzetten! Er bestaat geen enkele reden om van de bijbelse volgorde af te wijken! Als dus aan ons gevraagd wordt wat er verkeerd is met de besprenkeling van zuigelingen, mogen we zeggen dat niet alleen de wijze waarop onjuist is, maar aangezien een baby zijn persoonlijk geloof niet tot uitdrukking kan brengen, is het doelloos geworden. We vinden in de Bijbel geen verantwoording voor de praktijk, dat ouders voor hun kinderen deze beslissing mogen nemen. Voor de mogelijkheid dat een baby op latere leeftijd wel of niet zijn “doop” aanvaardt, laat G’ds Woord geen ruimte. Het is en blijft een uitvinding van mensen! Wij moeten dus kiezen tussen een besprenkeling van baby’s, welke rust op menselijke overwegingen, of een doop door onderdompeling uit eigen vrije wil en op eigen verzoek, die Yeshua haMashiach [Jezus Christus] voor wedergeboren gelovigen instelde en zelf heeft voorgedaan. Gezien het bovenstaande moeten wij voor de goede keuze echter wel een prijs betalen en het kruis der verdrukking op ons nemen, bestaande uit smaad, onbegrip, verachting en hoon. Wij worden ervan beticht, dat wij door onze opvattingen over de doop degenen die hun kinderen laten besprenkelen, op het hart zouden trappen en hun zouden kwetsen zonder grond en zonder noodzaak. Maar dat is niet waar! Het getuigt juist van een grote liefde als wij onze broeders en zusters wijzen op hetgeen G’d van ons vraagt en het zelf ook voorleven in geloof en gehoorzaamheid! Maar wanneer wij in die gehoorzaamheid de weg van Adonai willen gaan en daarbij weerstand ondervinden van de dominee, het kerkbestuur, onze medegemeenteleden, familie, vrienden en kennissen, dan mogen wij ons de bemoedigende woorden van Yeshua uit ]nxvy Yochanan [Johannes] 15:20 voor ogen houden: “Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen!”. Reeds de bloedgetuigen die in de middeleeuwen op de brandstapel omkwamen vanwege hun opvattingen over de doop, wisten waar ze aan begonnen, want Yeshua heeft het al voorzegd: “Men zal u uit de synagoge (en dus ook uit de kerk) bannen; ja, de ure komt, dat een ieder, die u doodt, zal menen G’d een heilige dienst te bewijzen…” (]nxvy Yochanan [Johannes] 16:2).

 

Oorsprong van de kinderdoop

 

U zult zich nu wel afvragen: Als de doop van baby’s door middel van besprenkeling of begieting niet door Yeshua is ingesteld, noch door de apostelen werd geleerd of toegepast, en bijgevolg niet uit G’d, maar uit de mensen is, hoe, waar en wanneer is deze dan ontstaan? Wel, daar zijn de meningen over verdeeld. Feit is in elk geval dat Justianus de Martelaar omstreeks het jaar 140 van de gewone jaartelling in zijn verdedigingsgeschrift, gericht aan de Romeinse keizer Antonius Pius, tot in de details uiteenzet wat de christenen in die tijd precies geloofden en hoe zij dit in praktijk brachten, en de kinderdoop hoorde daar toen nog niet bij! Justianus gaf in dit verslag van de vroegchristelijke G’dsdienst, aan de echtheid waarvan door niemand wordt getwijfeld, een heel nauwkeurige beschrijving, hoe de gelovigen zich in de doop aan de Eeuwige en Zijn dienst wijdden, en dat de dopelingen van de waarheid van de nieuwtestamentische leer overtuigt moesten zijn alvorens gedoopt te worden. Justianus schreef echter geen woord over de kinderdoop. In de Didache, een vroegchristelijk geschrift van omstreeks het jaar 120 van de gewone jaartelling staat o.a. een soort doop-parantese alsook een kerkorde, de sacramenten en charismata betreffende. In hoofdstuk VII lezen wij het volgende met betrekking tot de doop: “U moet als volgt dopen: nadat u al het bovenstaande hebt gezegd, doop in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest met stromend water. Indien u geen stromend water hebt, doop dan met ander water. Indien het niet mogelijk is met koud water, dan met warm. Indien u geen van beide ter beschikking hebt, giet dan water over het hoofd in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Degeen die de doop verricht moet voor de doop vasten. De dopeling, en zo mogelijk enige anderen, moet ook vasten. Wat de dopeling betreft, u moet hem opdragen dit een of twee dagen te doen.” Hier wordt weliswaar voor het eerst melding gemaakt van een begieten in plaats van onderdompelen, maar ook hier is de dopeling geen baby, maar een volwassen persoon, want een zuigeling kan je moeilijk opdragen om een of twee dagen te vasten. Verder is er in de vroegchristelijke literatuur geen vermelding van een andere wijze van dopen dan de onderdompeling, tot de bekende kerkvader en schrijver Tertullianus (155-220 g.j.) omstreeks het jaar 200 g.j. ernstige bezwaren aantekende tegen een vorm van kinderdoop, die hier en daar scheen plaats te vinden. Voorstellingen uit de wereld der heidense mysteriën werkten veelvuldig en vroegtijdig op de leer en het geloofsleven van de vroege kerk in, nadat zij zich van haar oorspronkelijk Joodse identiteit had losgemaakt. en zo is het niet verwonderlijk, dat ook de kinderdoop haar oorsprong vindt in een heidense reinigingsritus, die onmiddellijk na de geboorte als initiatie tot het leven plaatsvond. Door de kerk is dit religieuze oersymbool overgenomen als werkzaam teken van de wedergeboorte uit het oude bestaan. In de “Traditio Apostolica” van Hippolytus (ca 200 n.Chr.) vindt men reeds een uitgebouwd ritueel, en juist dit werd dus door Tertullianus scherp bestreden. In zijn geschrift “De Baptismo” [Over de Doop] somde Tertullianus reeds alle latere bezwaren tegen de kinderdoop aan de hand van bijbelse gegevens op. Desondanks werd de kinderdoop in de synode van Carthago (251 g.j.) als regel vastgelegd. In het begin van de 4e eeuw geraakte de kinderdoop echter in brede kring in discrediet, maar tegen het einde van de 4e eeuw deze crisis bezworen en sinds die tijd motiveert de kerk de kinderdoop als wegneming van de erfzonde. Dit was de leer van de kerkvader Augustinus, die de kinderdoop in zijn twistgeschrift met Pelagius verdedigde. Hij schreef aan de sacramenten een geheimzinnige, heiligende kracht toe en gaf er de naam van “verborgenheden” aan, en leerde dat niemand zonder deze zalig kon worden. Uit welke hoek de wind waait, blijkt uit het feit, dat Augustinus een bekeerling was uit de manicheïstische wereldreligie. Deze, uit Perzië afkomstige gnostische en zuiver dualistische godsdienst, gesticht door Mani (ca. 216-277 g.j.), zit vol mysteriën. Augustinus nam dit zeker mee! Ook door de diepe eerbied, die door de heidenen voor de Griekse en Romeinse orakelen en verborgenheden werden bewezen, gaf men zowel aan de doop alsook aan het Avondmaal de naam van “verborgenheden”, en men ging zelfs zo ver om sommige ceremonieën over te nemen van de heidense verborgenheden. De samenleving, die sedert de keizer Constantijn “christelijk” was geworden, wilde ook de kinderen opnemen in de kerk, en sinds de 4e eeuw werd de kinderdoop derhalve een “normaal” gebruik. Dit was de tijdgeest waarin de kinderdoop ontstond. En toch hebben er ook na de officiële invoering van de babybesprenkeling door de eeuwen heen nog steeds afgescheiden gemeenten bestaan, die de bijbelse doop hanteerden. Zo is het bijvoorbeeld bekend, dat ook in Nederland tussen 700 en 800 n. Chr. nog de volwassendoop door onderdompeling bestond. Ook de Friese koning Radboud liet zich na zijn bekering onderdompelen. Maar door de grote invloed vanuit Rome heeft de kinderdoop omstreeks 1200 volledig de overwinning behaald en vanaf dat tijdstip was nergens in Europa meer sprake van de onderdompeling van volwassenen. Pas in 1521 en 1525 werd de kinderdoop voor het eerst weer in diskussie gebracht vanuit de verbondenheid van bekering, geloof en doop door onderdompeling. John Smith, Dirk Philips, de Rijnsburger Collegianten, Menno Simons en vele anderen riskeerden hun leven voor deze opvatting, die zowel door de reformatoren als door het concilie van Trente werd afgewezen! Zij zetten het bijbelse vuur vuur in werking, om baan te breken over de hele wereld! Terwijl traditionele kerken als o.a. de katholieke en de reformatorische kerken krampachtig vasthouden aan de kinderdoop, zijn er in de loop der eeuwen steeds meer vrije gemeenten ontstaan, die de volwassenendoop door onderdompeling toepassen, zoals o.a. de Baptisten, de Methodisten, Pinkstergemeenten, Evangelische Gemeenten, Zevende-Dags-Adventisten, Zoeklichtgemeenten, Nazarenerkerken, allochtone kerken in de Bijlmer, en niet te vergeten de Messiasbelijdende Joodse Gemeenten, dus allemaal snelgroeiende gemeenten, terwijl de traditionele kerken in rasse tempo leeglopen en vergrijzen! In dat opzicht zal de kinderdoop vanzelf op den duur verdwijnen, want als er nog maar een handjevol jonge mensen naar de kerk gaan zullen er ook nog maar heel weinig baby’s besprenkeld worden. Wij zien nu al in de praktijk, dat er veel ouders zijn, die hun kinderen laten dopen omdat het nu eenmaal zo hoort of omdat opa en oma het zo leuk vinden, en na de doop zie je ze niet meer. Ja, misschien nog wel voor een bruiloft of met de kerst…

 

Karl Barth

 

De kwestie rondom de doop werd binnen de traditionele kerken opnieuw aan de orde gesteld door de bekende Zwitserse theoloog professor dr. Karl Barth, toen hij rond maart 1939 Nederland bezocht en in 1943 maakte Karl Barth de volgende opmerkingen over de kinderdoop: “Na alles wat wij in het Nieuwe Testament over de doophandelingen lezen, te beginnen met de doop van Johannes aan de Jordaan tot aan de verschillende doop-bedieningen in de Handelingen der Apostelen, is het duidelijk dat zowel de dopenden als de gedoopten weten wat zij doen. Er wordt niet zomaar op los gedoopt. Men laat zich niet dopen, zonder er zelf bij betrokken te zijn, maar de doop wordt gevraagd; het Evangelie wordt verkondigd; er zijn mensen die geloven en die zeggen: Wat verhindert mij om gedoopt te worden? En dan worden zij gedoopt! Deze gang van zaken schijnt mij de enig mogelijke, indien wij niet willen dat de doop in de loop der eeuwen verder verwildert. Daarbij komt het er niet op aan of de dopeling een volwassene is of iemand van tien of twaalf jaar. Het komt erop aan, dat de dopeling gedoopt wíl worden, dat hij uit zichzelf zegt: “Ik geloof, en daarom wil ik tot de gemeente behoren,” dat de gemeente hem daarop doopt, en dat dit gemeenschappelijk handelen geschiedt op grond van een vrij denken en beslissen. Wij moeten uit deze donkere en duistere atmosfeer geraken, waarin men niet eens recht weet, wat er nu eigenlijk gebeurt. De dopeling weet het niet, de peetouders weten het evenmin, en de gemeente, die er bij zit en liederen zingt, weet het ook al niet. In een – ik wil niet zeggen mystische – maar toch half magische stemming wordt er iets gedaan en dan wordt gelezen: “Laat de kinderen tot Mij komen…” hoewel dat helemaal niets met de doop te maken heeft. Ook de beroemde passage uit Handelingen 2: “U komt de belofte toe en uw kinderen” heeft er niets mee te maken. Men gaat er echter maar mee door en de kerk wordt daadwerkelijk verwaterd, letterlijk “verdoopwaterd”. En dan klaagt men er later over dat het met de volkskerk zo treurig gesteld is, waar de mensen dan nog wel bij horen, maar toch geen belijdenis willen afleggen. Hoe kan men dit van die arme stumpers ook verwachten, daar men ze toch immers niets gevraagd heeft, toen men ze in deze vereniging binnenbracht in een wit kleed. Hier de peettante, daar de peetoom, en daarna het lekkere eten, en meneer de dominee, die zich zo vriendelijk over het kindje heen boog en wat water druppelde. Allemaal mooi en goed, maar in de grond der zaak is het niet alleen bij de katholieken, maar ook bij ons lutheranen en gereformeerden een stuk overgebleven magie, wat wij daar bedrijven. Deze atmosfeer moeten wij kwijt. Daarom houd ik het met de broeders die de kinderdoop willen opgeven.”

 

Gezinsdoop

 

Omdat er in de Bijbel met geen woord over de kinderdoop wordt gerept, halen de voorstanders daarvan graag teksten aan over de doop van hele gezinnen zoals het gezin van Cornelius, om aan te tonen dat er ook kinderen gedoopt zouden zijn. Maar in Handelingen 10:44-48 staat nadrukkelijk vermeld, dat in het huis van Cornelius alleen zij gedoopt werden, die Ruach haQodesh [de Heilige Geest] hadden ontvangen en in vreemde talen spraken. Dat konden baby’s niet doen. In Handelingen 18:8 vinden wij een ander voorbeeld: “En Crispus, de overste der synagoge, kwam tot geloof in Adonai met zijn gehele huis, en vele van de Korintiërs, die hem hoorden, geloofden en lieten zich dopen.” Ook hier lezen we, dat alleen degenen gedoopt werden, die geloofden, dus geen baby’s! Ook zijn er sommigen, die een beroep doen op Handelingen 16:14-15, waar staat, dat de koopvrouw Lydia met haar huis gedoopt werd. Er staat nergens dat ze getrouwd was en kinderen had, maar als verkoopster van purperen gewaden bezat ze ongetwijfeld personeel (haar huis). Dit huis wordt in vers 40 aangeduid met “de broeders”. In Handelingen 16:32-34 wordt nog over de doop van gevangenbewaarder en zijn hele gezin gesproken, maar in vers 34 lezen wij: “En hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in G’d gekomen was”. Dit sluit zuigelingen uit! En tenslotte wil ik nog Handelingen 2:41 aanhalen, toen de doop der gelovigen op de Pinksterdag voor het eerst in werking trad en Petrus aangaf, dat de bekering aan de doop voorafgaat: “Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd”. Dat hier geen baby‘s gedoopt werden is onbetwistbaar, en toch moeten er onder deze 3000 dopelingen ongetwijfeld ouders geweest zijn, die kleine kinderen hadden. Hoe is dit te verklaren?

 

En de kinderen dan?

 

Een vast onderdeel van een kinderdoopdienst is het lezen van de bekende tekst: “Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk G’ds. Voorwaar, Ik zeg u: Wie het Koninkrijk G’ds niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan”, en dan stopt het! Maar de tekst gaat verder: “En Hij omarmde ze en hun de handen opleggende, zegende Hij ze” (Marcus 10:14-16). De kinderen werden dus niet gedoopt, maar gezegend en daarom worden ook in de bijbelgetrouwe gemeenten geen kinderen besprenkeld maar opgedragen. U ziet, dat men bijbelteksten niet zomaar uit hun verband moeten rukken, maar hoe belangrijk kinderen in G’ds ogen zijn, laat Hij blijken uit de woorden van Yeshua: “Ziet toe dat gij niet één van deze kleinen veracht, want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemel voortdurend het aangezicht van Mijn Vader zien die in de hemelen is” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 18:10).

 

Baptizo baptizw = onderdompelen

 

De doop in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest moet dus gebaseerd zijn op wat de Bijbel ons leert. Deze kent alleen de doop door onderdompeling en daarom mogen wij geen andere wijze van dopen toestaan. “Waar staat dat precies?” zult u nu vragen. Wel, overal waar het woord “dopen” staat, want het Griekse woord baptizw baptizo, betekent volgens de woordenboeken “onderdompelen” en het is tevens het enige woord, waarvan het Nieuwe Testament in de Griekse taal ongeveer zeventig maal gebruik gemaakt heeft om de doophandeling te beschrijven. Het woord “besprenkelen” werd in verband met de doop nooit gebruikt. Maar ook in de Nederlandse taal betekent dopen niets anders dan onderdompelen. Kijk maar in de Van Dale. Daar staat het volgende: “Dopen, (doopte, heeft gedoopt), 1. dompelen (in), m.n. bevochtigen door indompeling: beschuit in melk dopen; – zijn pen in gal dopen, scherp in bitter schrijven; – 2. Door het ceremonieel van de doop in een geloofsgemeenschap opnemen, m.n. in de christ. Kerk: waar ben je gedoopt? – groot dopen, dopen door onderdompeling (o.a. bij Pinkstergemeenten).” – In de Van Dale staat dus niet alleen dat dopen taalkundig indompelen betekent, maar vermeldt tevens het dopen door onderdompeling. Over dopen door besprenkelen staat er niets bij. Anders is het als we in dezelfde Van Dale kijken onder het woordje “doop”. Daar lezen we het volgende: “Doop, I. m., 1. Dompeling, thans alleen als rituele handeling die de intrede in een geloofsgemeenschap symboliseert; in de christelijke kerk besprenkeling van het hoofd met water (vroeger gehele indompeling)…” – Hier wordt weliswaar het besprenkelen genoemd in verband met de doop, maar tussen haakjes vermeld, dat de doop oorspronkelijk door onderdompeling plaats vond. Zo staat het ook in de Kleine Larousse: “Doop m. oorspr. Onderdompeling; het eerste sacrament i.d. meeste christelijke kerken, waarbij het hoofd met water besprenkeld wordt…” – Dus ook hier wordt het besprenkelen wel genoemd, maar in cursief gewezen op het feit, dat de doop oorspronkelijk een onderdompeling was. Het Nederlandse woord “dopen” is dus alleen een ander woord voor “onderdompelen” en is afgeleid van het Gotische woord “daupjan”, dat eveneens dompelen betekent. Wij dopen dus iets in water opdat het geheel door water bedekt zal worden. Een ander voorbeeld is: Wij dopen een koekje in de koffie, maar wij gaan het koekje niet met de koffie besprenkelen! Dopen en besprenkelen zijn geheel verschillende handelingen. Dat blijkt vooral duidelijk uit die plaatsen in de Bijbel, waar beide woorden tegelijk voorkomen. Een prachtig voorbeeld daarvan vinden wij in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 4:6, waarin wij lezen: “De priester zal zijn vinger in het bloed dopen (Hebreeuws: lbu taval; Grieks: baptw bapto) en van het bloed zevenmaal sprenkelen (Hebreeuws: hzh hiza; Grieks: rainw raino) voor het aangezicht van de Eeuwige”. De vinger van de priester werd dus gedoopt om met het bloed te sprenkelen; maar het sprenkelen was geen dopen! Dat zijn twee verschillende handelingen. Wanneer de dominee het voorhoofd van de dopeling besprenkelt en daarbij zegt: “Ik doop u”, dan is dat volgens de Bijbel een onwaarheid, want hij doopt zijn eigen vinger, in plaats van de dopeling! Het is derhalve volstrekt onbegrijpelijk, dat Luther en Calvijn het hebben toegelaten dat in de kerken van de reformatie de besprenkeling werd en wordt gehandhaafd, terwijl beiden zelf hebben gezegd: “Het zelfstandig naamwoord baptismoV baptismos [doop] betekent onderdompeling, en het werkwoord baptw bapto of baptizw baptizo betekent indompelen, onderdompelen”. Het Griekse woordje voor sprenkelen is rantizw rantizo, maar het wordt in de Bijbel nergens gebruikt in verband met de doop! Waarom niet, zult u vragen, want er wordt nog wel eens gezegd dat de hoeveelheid water bij het dopen niet belangrijk zou zijn, en dat het onverschillig zou zijn op welke wijze het water aangewend wordt, zoals begieten, besprenkelen of onderdompelen? Wel, als de Eeuwige met de dopen niet uitsluitend onderdompelen bedoeld had, dan zou Hij zeker ook andere woorden gekozen hebben dan alleen maar baptizw baptizo of baptizein baptizein! Het is dus zowel bijbels alsook taalkundig onverantwoord, het onderdompelen op eigen houtje te veranderen in besprenkelen, hetzij van baby’s, hetzij van volwassenen! In het verhaal over de doop van de Ethiopische kamerling lezen wij: “En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water, en de kamerling zeide: Zie, daar is water; wat is ertegen, dat ik gedoopt word? En hij zeide: Indien gij van ganzer harte gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zeide: Ik geloof, dat Yeshua haMashiach de Zoon van G’d is. En hij liet de wagen stilhouden en beiden daalden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem” (Handelingen 8:36-38). Er zijn door geleerde theologen reeds ettelijke dikke boeken geschreven om de kinderdoop door besprenkeling te rechtvaardigen, terwijl de Bijbel er geen woord over zegt. Yeshua zelf is ondergedompeld in de Jordaan, niet omdat Hij het nodig had, maar om te laten zien hoe het moet. Wie slechts met enkele druppels water besprenkeld werd, is niet gedoopt als Hij!

 

Vervangingsleer

 

Na het lezen van het bovenstaande zult u wel begrijpen waarom Joodse mensen vaak denken dat de doop een aangelegenheid is voor christenen, waar je als Jood beter niets mee te maken wilt hebben. Het besprenkelen van baby’s is namelijk niet alleen een van oorsprong heidens ritueel, maar het is ook nog ronduit antisemitisch! In vele kerken, waar men zo wordt gedoopt, kent men de zogenaamde doopformulieren, waarin staat, dat de doop de plaats inneemt van de besnijdenis (hlym=tyrb B’rit-Mila), als handeling waardoor dat kind deel uitmaakt van het verbond. Het dopen van baby’s is dus gebaseerd op de vervangingsleer, het idee dat de kerk in de plaats van Israël zou zijn gekomen. Deze vervangingsleer heeft door de eeuwen heen veel ellende veroorzaakt! Maar waar staat in de Bijbel, dat de doop in de plaats kwam van de besnijdenis en dat de doop dezelfde betekenis zou hebben in het Nieuwe Testament als de besnijdenis in het Oude Testament? Het verbond van ty>arb B’reshit [Genesis] 17:7 vindt niet, zoals het doopformulier beweert, zijn vervulling in Handelingen 2:39, want de Eeuwige spreekt in vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31 over het Nieuwe Verbond (h>dxh tyrb B’rit haChadasha), dat Hij op de eerste plaats met het Huis van Israël en het Huis Juda zal sluiten, en niet met de heidenen, die er na hun bekering uiteraard wel bij mogen horen! De belofte in tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:39 doelt dus niet op het Verbond, maar op de belofte van Ruach haQodesh, de Heilige Geest! Een ander misverstand is de christelijke opvatting, dat de doop het teken van het Nieuwe Verbond zou zijn, omdat de besnijdenis het teken is van het Oude Verbond. Ten eerste sluiten beide verbonden elkaar niet uit, het Nieuwe Verbond is geen voortzetting van het Oude, maar loopt er parallel mee op een hoger niveau, en ten tweede vinden wij in de Bijbel nergens een bewijs voor deze stelling. Integendeel! In Lucas 22:20 zegt niemand minder dan Yeshua zelf, dat de beker dit teken is en niet de doop: “Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt.” – De doop is niet inplaats van de lichamelijke besnijdenis gekomen, maar tijdens de doop vindt in de verborgenheid onder water wel een geestelijke besnijdenis plaats: de besnijdenis des harten! Sha’ul [Paulus] zegt het zo: “In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van de Mashiach [Christus], daar gij met Hem begraven zijt in de doop” (Kolossenzen 2:11-12). Zo is dus de besnijdenis des harten een onderdeel van het proces der wedergeboorte, en de doop is een getuigenis van de wedergeboren mens!

 

T’vila hlybu in de naam van Yeshua

 

Terwijl de zuigelingenbesprenkeling onder heidense invloeden de kerk is binnengeslopen evenals de kerstboom, is de doop door onderdompeling een typisch Joodse handeling! De hlybu T’vila, zoals de doop in het Hebreeuws heet, in de naam van iv>y Yeshua [Jezus] is één van de vele rituele onderdompelingen binnen het Jodendom, maar verreweg de belangrijkste! Volgens de hrvt Tora (ik gebruik liever niet het woord “wet”) moet iedereen die onrein is, zich laten onderdompelen in levend water, want het water maakt rein (niet alleen lichamelijk, maar vooral spiritueel) en schenkt nieuw leven. Een algemeen begrip voor rituele onreinheid is hamvu Tum’a. Na de hlybu T’vila, de onderdompeling, heeft men weer reinheid verkregen, rhvu Tohar. Het rituele bad heet hvvqm Miq’va, in het Jiddisch Mikwe en moet aan verschillende eisen voldoen, o.a.: de vastgestelde minimale inhoud van een ritueel bad is precies 5760 eierdopjes water, ongeveer 908 liter. Dat maakt voor sommige Joden het jaar 5760 net zo bijzonder als het jaar 2000 voor sommige christenen. Verder moet het Miq’va levend water bevatten. Bronwater en regenwater worden in de hrvt Tora ,yyx ,ym Mayim Chayim genoemd: levend water. Onderdompeling in levend water wijst reeds naar Yeshua toe, de Bron van levend water, en mag derhalve ook in een rivier of natuurlijke bron plaats vinden. De handeling van de onderdompeling heet hlybu T’vila, het werkwoord is lbu Taval. In het Jiddisch heet het ritueel onderdompelen tauwelen, waarvan het Duitse woord taufen is afgeleid, hetgeen wederom dopen betekent. De opdracht voor de onderdompeling van mannen en vrouwen in het Miq’va om reiniging en heiliging na te streven opdat men aan de Eeuwige laat zien dat men rein voor Zijn aangezicht wil leven vinden wij in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 15. Specifieke reinheidswetten voor de vrouw worden genoemd in Leviticus] 12:1-5. Zodra een gehuwde vrouw haar periodieke verschijnselen in verband met de menstruatie waarneemt, wordt zij hdyn nida [onrein]. Uiteraard moet zij na deze periode eerst in het hvvqm Miq’va voordat zij weer rvhu tahor [rein] is, maar men zegt de hkrb B’racha [zegenspreuk] pas ná de onderdompeling, terwijl men nog in het water staat. Ook na een bevalling vindt de hlybu T’vila plaats. Op dezelfde manier worden ook onreine voorwerpen in het Miq’va gereinigd voordat zij opnieuw worden gebruikt (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 11:32 en 40). De rabbijnen voegden hieraan allerlei bepalingen toe (Marcus 7:1-5). Zo is ook het kasheren van bestek en etensgerei erbij gaan horen. De hkrb B’racha [zegenspreuk] vinden wij in de rdc Sidur [gebedenboek] onder nr. 19 op pagina 356. De rvyg Gi’ur is het proces waarbij iemand overgaat tot het Jodendom. (zie Mishna-traktaat ,yrg Gerim). Hierbij is de hlybu T’vila in het hvvqm Miq’va één van de onderdelen van de procedure en bevrijdt van de heidense onreinheid. Het bovenkomen uit het Miq’va symboliseert een proces van wedergeboorte net als bij de nieuwtestamentische doop (Talmud-traktaten tvmby Y’vamot 46-47 en aiyjm abb Bava Metzia 58b). De proselietendoop, die rond het jaar 80 g.j. ontstond, wordt door de messiasbelijdende Joden niet toegepast, omdat zij uitgaan van het principe: “Jood of Griek, wij zijn één in de Heer, maar de Jood blijft een Jood en de Griek blijft een Griek!” In de tijd vóór het publieke optreden van Yeshua werden Joden door lbumh ]nxvy Yochanan haMat’bil [Johannes de Doper] ondergedompeld in de Jordaan, wanneer ze zich bekeerden van hun zonden en hun verbintenis met de Eeuwige vernieuwden: “Toen liep Jeruzalem en heel Judea en de gehele Jordaanstreek tot hem uit, en zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen onder belijdenis van hun zonden” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 3:5-6). Yeshua liep van Galilea naar de Jordaan, een afstand van bijna 100 kilometer, om zich door Yochanan haMat’bil [Johannes de Doper] te laten dopen. Daarom moesten Zijn beweegredenen hiervoor wel zeer belangrijk geweest zijn. Yeshua werd niet als baby bij Yochanan gebracht, maar Hij kwam als volwassen man met het verzoek om ondergedompeld te worden, evenals alle andere mannen. Dit is een g’ddelijke regel, en Yochanan doopte niet op eigen houtje, maar in opdracht van de Eeuwige (Mt 21:23-27). Yochanan protesteerde echter en zei: “Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij?” – Ja! Yeshua kwam inderdaad tot hem! Niet omdat Hij het nodig had om door de T’vila gereinigd te worden, want Hij was immers rein, maar als voorbeeld om te laten zien dat de onderdompeling nodig zou zijn om deel te hebben aan het nieuwe verbond en het Koninkrijk G’ds. Yochanan dompelde Yeshua onder in het water van de Jordaan, want er staat: “Terstond nadat Yeshua gedoopt was, steeg Hij op uit het water” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 3:16). De doop van Yeshua was niet plaatsvervangend, want dan hoefde na Hem niemand meer gedoopt te worden. Neen, het was een voorbeeld. Hij was in alles de eerste, niet alleen de eersteling bij de opstanding uit de doden, maar ook bij de doop! De Bijbel zit vol symboliek, en vele rituelen uit de Tora zijn reeds weerspiegelingen van hetgeen later zou komen. Zo wijzen ook de diverse oudtestamentische onderdompelingen reeds naar de nieuwtestamentische doop. De Bijbel ziet de T’vila in het Miq’va bijvoorbeeld als noodzakelijk onderdeel van de inwijding tot priester (tvm> Sh’mot [Exodus] 29:4, 40:12 en arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 8:6) en verder mag op Yom Kipur [Grote Verzoendag] de hogepriester het heilige der heiligen pas binnengaan, nadat hij zich gereinigd heeft door de onderdompeling in het hvvqm Miq’va (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 16:4 en 24). Zo kan ook de gemeente, die in 1 Petrus 2:9 een koninklijk priesterschap wordt genoemd, het hemelse heiligdom pas binnengaan, nadat zij zich heeft gereinigd door de onderdompeling in de naam van Yeshua, door de doop in Zijn dood! Een ander voorbeeld vinden wij in een eeuwenoud Joods bruiloftsritueel. Zeven reine dagen van de hlk Kala [bruid] moeten aan de hnvtx Chatuna [bruiloft] voorafgaan, en om rein onder de hpvx Chupa [baldakijn] te kunnen verschijnen moet de bruid zich in het hvvqm Miq’va laten onderdompelen nadat zij haar zonden bekend heeft tegenover G’d. Vóór haar huwelijk is een Joodse vrouw per definitie onrein, want zij is immers nog nooit in het Miq’va geweest. Maar deze reinheid of onreinheid is niet fysiek van aard. Het gaat hier niet om schoon of vies, maar om haar spirituele status. Dat blijkt al uit het feit dat zij reeds vóór de hlybu T’vila helemaal schoon moet zijn. Eerst wast ze zich van top tot teen. Ze verwijdert alle make-up, wast en kamt het haar, knipt haar nagels. Ze kijkt in de spiegel of ze geen klitten meer in het haar heeft en of er geen losse haren op haar lichaam zitten. Ook de gaatjes in haar oren worden niet vergeten. Er mag niets tussen haar lichaam en G’d in staan. Zij bereidt haar lichaam voor om het spiritueel te gebruiken. Dan gaat de bruid het water van het Miq’va in en gaat helemaal kopje onder. Zij komt er als herboren uit. Daarna zegt ze de B’racha [zegenspreuk] en gaat nog twee keer onder water. Volgens de hklh Halacha, de religieuze wet, is het Miq’va nog belangrijker dan de sjoel Zolang de bruid nog niet ondergedompeld is in het levend water van het Miq’va, gaat de bruiloft niet door. Zo is het ook met de gemeente van Yeshua die herhaaldelijk in het Nieuwe Testament “de bruid” wordt genoemd. Zij wacht, vervuld met de Heilige Geest, op de spoedige komst van de Bruidegom: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:17). De gemeente is de bruid en Yeshua is de Bruidegom, en wie zich laat dopen door onderdompeling, maakt deel uit van de bruidsgemeente en stapt zo in de eeuwenoude traditie van Joodse rituele reiniging. Deze symboliek vinden wij terug in hoofdstuk 5 van de Efezenbrief, waarin de relati
e tussen de gemeente en Yeshua wordt vergeleken met de relatie tussen man en vrouw in het huwelijk: “Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals de Mashiach Zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het Miq’va [waterbad] met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet” (Efeziërs 5:25-27). De Mishna noemt de onderdompeling het “bad der wedergeboorte” en dezelfde benaming vinden wij ook in Titus 3:5. De Talmud beschouwt de rituele reiniging in het Miq’va als een proces van sterven wanneer men ondergedompeld wordt (tvklh yuvql Liqutei Halachot [verzameling van wetten] 4:18 en 38). Bij het opkomen uit het water wordt men wedergeboren (tvmby Y’vamot 47b). Deze symboliek van sterven en opnieuw geboren worden in de doop wordt ook in Romeinen 6:3-4 beschreven: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk de Mashiach uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen”. Eigenlijk gaat het hele hoofdstuk 6 over dit onderwerp en ik zou u aanbevelen om dit eens nauwkeurig door te nemen. “En nu, wat aarzelt gij nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van Zijn naam” (Handelingen 22:16).A

 

Werner Stauder

Send this to friend

Spring naar werkbalk