Smetteloos te midden van een verkeerd en ontaard geslacht
september 6, 2016
Schapen, die niet verloren gaan
september 6, 2016
Show all

Eens gered, altijd gered?

Eeuwige zekerheid

In de brieven die wij ontvangen wordt dikwijls de vraag gesteld over “de eeuwigezekerheid van de gelovige”. Dit onderwerp is in de Kerk eeuwenlang oorzaak geweest van veel controverses. Nog steeds  veroorzaakt het veel  conflicten en leed bij vele christenen. Het is teveel gevraagd voor een bondig traktaat om dit probleem grondig op te lossen, maar misschien kunnen we hierin toch een eind tegemoet komen. Zij die geloven in “afvallen” beschuldigen hen die geloven in “eeuwige zekerheid” dat ze een “goedkope genade” promoten. Dit laatste is  echter op zichzelf een onbijbelse uitdrukking. Genade “goedkoop” te noemen is werkelijk een ontkenning van genade, vermits “goedkoop” impliceert dat de prijs die betaald werd te klein was. Genade echter moet van de kant van de mens absoluut vrij zijn en  zonder enige prijs, omdat van Gods kant een onmetelijke prijs werd betaald. Dus, mensen die denken dat hun werken ook maar enigszins meespelen, in zowel het verkrijgen als het behouden van hun redding, die devalueren de onmetelijke genadegave tot het niveau van menselijke inspanningen. Te spreken van “afvallen van de genade” is een al even grote dwaling. Vermits onze werken niets te maken hebben met het verdienen van genade, is er niets dat wij kunnen doen dat zou maken dat wij de genade niet langer zouden verdienen en wij  dus zouden “afvallen” van de genade. Werken bepalen beloning of straf – niet iemands redding. Redding komt door Gods genade. De wortel van het probleem is de verwarring tussen genade en werken.

Eerst en vooral moet het voor ons duidelijk zijn dat genade en werken nooit door elkaar kunnen gehaald worden. Paulus zegt: “En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer” (Rom 11:6). Redding kan niet deels door werken en deels door genade gebeuren.

Ten tweede moeten we er absoluut zeker van zijn dat werken niets te maken hebben met redding. De Bijbel stelt klaar en helder: “Want uit genade  zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit  de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft,  opdat wij daarin zouden wandelen” (Ef 2:8-10). In overeenstemming met zulke Schriftplaatsen verklaren evangelische christenen vastberaden dat wij geenszins genade kunnen verdienen. Eeuwig leven moet ontvangen worden als de vrije gave van Gods genade, of anders niets.

Ten derde kan redding door ons niet gekocht worden, zelfs niet ten dele, omdat hiervoor de straf voor de zonde moet betaald worden – iets wat wij niet aankunnen. Als je een boete krijgt voor overdreven snelheid, dan kan je de rechter niet zoiets vertellen als: “Ik rijd meestal onder de 120 km/u grens, dus bedekken mijn vele goede daden die éne slechte daad”. Noch zal het helpen te zeggen: “Als u me deze keer laat gaan, dan beloof ik u dat ik de wet nooit meer zal overtreden”. De rechter zou antwoorden: “Nooit meer de wet overtreden? Dat is gewoon te doen wat de wet van u vraagt. U ontvangt daardoor geen extra verdienste. De straf op het overtreden van de wet staat apart en moet betaald worden”. Overeenkomstig schrijft Paulus:  “Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem” (Rom 3:20).

Ten vierde, indien redding van de straf (wegens het breken van Gods wetten) niet verdiend kan worden door goede daden,  dan kan ze ook niet verloren gaan door slechte daden. Onze werken spelen geen rol in zowel het verkrijgen als het behouden van redding. Als het anders zou zijn, zouden zij die de hemel bereiken kunnen bluffen dat zij door hun goede levenswandel hun redding bewaard hebben, niettegenstaande Christus hen gered heeft. Dan zou God beroofd worden van alle luister, in eeuwigheid.

Ten vijfde kan redding ons slechts gegeven worden als een kosteloze gave indien de straf op de zonde geheel en compleet werd betaald. Wij hebben de oneindige Gerechtigheid overtreden, en dat
vereist een oneindige straf. Wij zijn eindige wezens en kunnen de prijs niet betalen: wij zouden dan voor eeuwig van God afgescheiden worden. God is oneindig en kon de oneindige straf betalen, maar dat zou niet gepast zijn vermits Hij niet tot het menselijk ras behoort. Daarom besliste God, in Zijn liefde en genade, een mens te worden, via de maagd Maria, opdat Hij de schuld kon afbetalen van de zonde voor het gehele menselijke ras! In het Grieks is de uitroep van de Heer Jezus op het kruis, “Het is volbracht”, een boekhoudkundige term die betekent dat de schuld volledig werd betaald. Aan de gerechtigheid werd voldaan dooreen volle betaling van haar straf, en dus handelde God “tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid… en rechtvaardigende hem, die uit het geloof van Jezus is” (Rom 3: 26). Op deze basis schenkt God vergeving en eeuwig leven, als een kosteloze gave. Hij kan deze vergeving niemand opleggen want dan zou het geen gave zijn. Hij kan deze vergeving niet schenken aan iemand die Gods rechtvaardige basis voor vergiffenis verwerpt, en in plaats daarvan zijn eigen betaalmiddelen – geheel of ten dele – aanwendt.  Redding is de volle vergeving van alle zonden en van de straf die daar op rust, door genade. Het betreft hier zonden uit verleden, heden en toekomst. En in de plaats van de straf komt als bonus eeuwig leven. Deze belangrijke waarheid wordt verworpen door alle sekten, zoals de Jehovah Getuigen bvb. Zij verwerpen de redding door genade en drukken erop dat ze moet verworven worden door goede werken. Zij beschuldigen de evangelischen dat zij de mensen leren enkel in Christus te moeten geloven en dat ze dan in zonde kunnen leven en daarbij toch zeker kunnen zijn van de hemel. Evangelischen leren dat helemaal niet. Een gelijkaardig verwijt wordt gedaan door hen die zeggen dat gelovigen kunnen “afvallen”. Zij zeggen dat “eens gered, altijd gered” ertoe aanmoedigt in zonde te leven, vermits we toch niet verloren kunnen gaan, en er dus geen aanmoediging is om een heilig leven te leiden. In tegendeel, liefde voor Degene die ons gered heeft is het grootste en enig aanvaardbare motief om een heilig leven te leiden; en hoe groter de redding voor iemand is geweest, hoe groter de liefde en dankbaarheid. Te weten dat men voor eeuwig is gered geeft een grotere motivering om goed te leven, dan de vrees zijn redding te verliezen als men zondigt!

Alhoewel zij die geloven in “afval van de genade” wel beamen dat men door goede werken geen redding kan verkrijgen, leren zij toch dat redding wordt behouden door goede werken. Dit betekent:
eens gered door genade maar daarna verloren door werken. Te leren dat men door goede werken zijn redding kan behouden is een bijna even grote dwaling dan te leren dat men door goede werken zijn redding kan verdienen. Het is een ontkenning van de genade te zeggen dat ik eens werd gered door
genade, maar dat ik daarna mijn redding moet behouden door werken. Zulk een lering maakt volgens Hebreeën 6:4-9 Christus openlijk te schande, om twee redenen: als wij onze redding kunnen verliezen dan (1) zou Christus opnieuw ge kruisigd moeten worden om ons opnieuw te redden; en (2) Hij zou belachelijk gemaakt worden omdat Hij wel stierf als  loskoop voor de redding maar geen adequate voor ziening trof om die redding ook te behouden voor hen die ze zouden verliezen. Als het plaatsvervangende sterven van Christus voor onze zonden niet voldoende is om onze redding vast te houden, dan zou Hij zijn tijd op een dwaze manier verspild hebben. Als wij niet goed genoeg kunnen leven om de redding te  verdienen, dan is het zeker zo dat wij niet goed genoeg kunnen leven om ze te behouden! Te maken dat de redding die Christus bracht uiteindelijk zou afhangen van onze eigen inspanningen, zou een uiterste dwaasheid zijn. Met de leer van de “afval van de gelovigen” zijn wij slechter af nádat we gered zijn dan ervoor. Vóór de bekering kunnen we tenminste nog gered worden. Maar nadat we gered werden, en onze redding hebben verloren (als dat kon), kunnen we niet terug gered worden en zijn we voor altijd verloren. Hebr 6:4-6 zegt: “Want het is onmogelijk, degenen, die … afvallig worden, weer te vernieuwen tot bekering”. Dat dit “afvallig worden” hypothetisch is, is duidelijk: “Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken” (Hebr 6:9). “Afvallen” is niet “met de zaligheid gevoegd”. De schrijver toont ons dat indien wij onze redding konden verliezen, wij ze nooit meer zouden terugkrijg en zonder dat Christus terug
moest sterven aan het kruis. Dit zou te gek zijn! Hij zou een oneindig aantal keren moeten sterven (b.v. elke keer als iemand verloren ging en opnieuw gered wilde worden). Dus zij die “eens gered,
altijd gered” afwijzen, kunnen dat enkel vervangen door “eens verloren, altijd verloren”!

Johannes verzekert ons: “Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de Naam van de Zoon van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt…” (1Joh 5:13). Te zeggen dat een gelovige
eeuwig leven heeft, en daarbij denken dat hij het toch kan verliezen en dus eeuwige straf krijgen, zou bespottelijk zijn. In tegendeel, eeuwig leven impliceert de belofte dat men niet kan verloren
gaan – een duidelijke verzekering van “eeuwige zekerheid” of: “eens gered, altijd gered”. Joh 3:16 zegt dat God “Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft,  niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe”. Joh 5:24 zegt: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven”. Men kan geen klaardere en grotere garantie vragen dan hetgeen gevonden wordt in de woorden van Jezus: “En Ik geef hun [mijn schapen] het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken” (Joh 10:28). Indien wij eeuwig leven zouden ontvangen, en het daarna konden verliezen, dan zou dit Christus tot een leugenaar maken. Als zonde de redding doet verliezen, hoevele of hoe grote zonden moeten dat dan wel zijn? Geen vers in de Bijbel vertelt ons dat. Ons wordt geleerd dat “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid” blijkbaar kan elke zonde ons vergeven worden.
Hebr 12:3-11 leert ons dat elke christen zondigt en dat dit in plaats van verlorenheid Gods tuchtiging over hen brengt, namelijk als Zijn kinderen. Als wij door zonde zouden ophouden Gods kinde-
ren te zijn, dan zou Hij niemand meer te tuchtigen hebben, maar “die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt iedere zoon, die Hij aanneemt” (vs. 6). Inderdaad, tuchtiging is een teken
dat wij Gods kinderen zijn, niet dat wij onze redding hebben verloren: “Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen” (vs. 8).
Sommigen zeggen dat men moet gedoopt zijn om gered te zijn, anderen dat men in ‘tongen’ moet spreken. Dit zijn allebei vormen van redding door werken. Sommige mensen missen de zekerheid
van gered te zijn omdat zij niet  in ‘tongen’ hebben gesproken, anderen zijn er zeker van dat zij gered zijn omdat zij denken in ‘tongen’ te kunnen spreken. Beiden zijn als zij die zeggen “Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat
weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!” (Matt 7:21-23). Zij vertrouwen op hun eigen werken om te bewijzen dat zij gered zijn, in plaats van op Gods genade. De Heer Jezus zegt tot hen niet
“gij waart eens gered, maar nu hebt gij uw redding verloren”, nee Hij zegt: “Ik heb u
nooit gekend”. Hier is een belangrijk onderscheid. Zij die geloven in “afvallen” zouden van een belijdend christen, die nooit echt tot geloof kwam en die onberouwvol in zonde leeft, zeggen dat hij is “afgevallen van de genade” en dat hij zijn “redding verloren” heeft. Maar zij die geloven in eeuwige zekerheid zouden van diezelfde persoon zeggen dat Christus hem  nooit heeft gekend hij was nooit een christen. We moeten de verzekering van de Schriften overbrengen aan hen die gered zijn, maar wij moeten geen valse hoop geven aan hen die met de mond beweren dat zij christen zijn maar met hun levens dit ontkennen.

Zijn we dan niet gered door onze werken? Inderdaad niet! In 1Kor 3:12-15 leren we dat de werken van elke christen beproefd zullen worden door het vuur, namelijk voor de rechterstoel van Christus: “want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder wegdrage, hetgeen door het lichaam [geschiedt], naar hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad” (2Kor 5:10). Goede werken brengen beloning, en een gemis eraan brengt verlies van beloning, niet een verlies van redding. Van iemand die niet één goed werk heeft gedaan (al zijn werken zijn als stoppels opgebrand) wordt gezegd: “zelf  zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur” (1Kor 3:15). Wij zouden van zo iemand helemaal niet verwachten dat hij gered was. Maar wie uiterlijk niet direct op een christen lijkt, iemand die geen duidelijke werken vertoont, maar die toch echt Christus als zijn Heer en Redder heeft ontvangen, is “behouden als door vuur” en zal nooit
verloren gaan, niettegenstaande zijn gebrek aan werken. Moeten we dan, op de basis van “eens gered, altijd gered”, christenen maar aanmoedigen “in de zonde [te] blijven, opdat de genade te meerder worde?” (Rom 6:1). Met Paulus zeggen we: “Dat zij verre” (vs. 2)! Wij geven geen bemoediging of verzekering aan hen die in zonde leven. Wij zeggen niet: “u bent in orde omdat u eens een beslissing hebt gemaakt voor Christus”. In plaats daarvan waarschuwen we: “Als u niet onmiddellijk beslist  volledig voor Christus te gaan leven als Heer in uw leven, hoe kan u dan zeggen dat u oprecht was toe u zich eertijds aan Hem verbond?” En tegenover iedereen verklaren wij met Paulus: “Onderzoekt uzelf, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf. Of kent gij uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt” (2Kor13:5).

Ons vertrouwen voor de eeuwigheid rust op Zijn onveranderlijke liefde en genade en de genoegzaamheid van Gods voorziening in Christus – niet in onze eigen waarde of prestaties. Enkel wanneer dit duidelijk is hebben we echt vrede met God. Enkel dan kunnen wij Hem echt liefhebben en voor Hem leven. Hij heeft ons de kosteloze gave gegeven van Zijn genade – een gave die Hij niet zal terugnemen en waarvan Hij ons verzekert dat ze nooit kan verloren gaan!

Send this to friend

Spring naar werkbalk