Bevel tot geloof – C.H. Spurgeon
mei 27, 2015
De eeuwige kloof – C.H. Spurgeon
mei 27, 2015
Show all

HEB IK TE WEINIG BEROUW

Heb ik te weinig berouw

C.H. SPURGEON 1834 – 1892

“Hoevele misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.” Job 13:23

 

  1. een weinig troost
  2. een weinig onderwijs
  3. onderscheid of voorzichtigheid
  4. vermaning

Vele mensen verlangen naar een dieper besef van hun zondigheid. Dan, met een zeker vertoon van gewetensbezwaar, maken zij een excuus voor de beoefening van eenvoudig geloof. Deze geestelijke ziekte, die zondaren van Christus afhoudt, neemt in verschillende tijden andere vormen aan. In Luthers tijd was het kwaad, waaronder mensen werkten dit: zij geloofden in hun eigengerechtigheid en dus veronderstelden zij dat zij goede werken moesten doen, vóórdat zij in Christus konden geloven. In onze tijd heeft het kwaad een andere, en wel een heel vreemde vorm aangenomen. Mensen hebben geprobeerd om eigengerechtigd te worden volgens een heel nieuwe mode. Zij denken dat zij zich slechter moeten voelen en een diepere overtuiging van zonde moeten hebben, vóórdat zij in Christus mogen geloven. Vele honderden ontmoet ik, die zeggen dat zij niet tot Christus durven komen om Hem met hun zielen te vertrouwen, omdat zij hun nood voor Hem niet genoeg voelen. Zij zijn niet genoeg verslagen over hun zonde; zij hebben niet evenveel berouw gehad, als dat zij in opstand geweest zijn. Broeders, het is hetzelfde kwaad, van hetzelfde oude zaad van eigengerechtigheid, maar het heeft een andere, en ik denk een bedrieglijker vorm aangenomen. Satan heeft zichzelf in vele harten gewrongen, gekleed in het kleed van een engel des lichts, en hij heeft de zondaar ingefluisterd: “Berouw is een noodzakelijke deugd; stop totdat u berouw hebt, en als u zichzelf voldoende vernederd hebt over uw zonde, dan zult u geschikt zijn om tot Christus te komen; en bekwaam om te geloven en op Hem te vertrouwen.”

Het is dit dodelijke kwaad, dat ik vanmorgen wil aanpakken. Ik ben ervan overtuigd dat het veel algemener is dan velen menen. En ik denk dat ik de reden van deze algemeenheid weet. In de tijd van de Puriteinen, die zeker gekenmerkt werd door een zuiverheid van leer, was er ook veel bevindelijk gepreek, en veel hiervan was goed en gezond. Maar een deel ervan was onbijbels, want het nam als maatstaf datgene wat de christen voelde en niet datgene wat de Heiland zei. De gevolgtrekking is dat het gaat om de ervaring van een gelovige, in plaats van om de Boodschap, die boven alle geloof gaat. Een voortreffelijke man, dhr. Rogers, uit Deadham, die enige nuttige werken geschreven heeft, en dhr. Sheppard, die “De Gezonde Gelovige” schreef, dhr. Flavel, en vele anderen, geven beschrijvingen van wat een zondaar moet voelen voordat hij tot Christus mag komen, maar die eigenlijk voorstellen wat een heilige is, nadat hij tot Christus gekomen is. Deze goede broeders hebben hun eigen ervaring genomen; dat, wat zij voelden voordat zij verlicht werden, als de maatstaf van wat ieder ander moet voelen voordat hij zijn vertrouwen op Christus mag stellen en op genade mag hopen. Er waren mensen in de tijd van de Puriteinen, die tegen deze theologie protesteerden en volhielden dat zondaren waren geroepen om tot Christus te  komen, gewoon zoals zij waren; niet met enige voorbereiding, hetzij van gevoel of van handelen. Tegenwoordig zijn er grote aantallen Calvinistische predikanten, die bang zijn om een vrije uitnodiging aan zondaren te doen. Zij verdraaien Christus’ uitnodiging als volgt: “Als u een waardige zondaar bent, mag u komen,” alsof domme zondaren niet mogen komen! Zij beschrijven dan wat dat gevoel van nood is en geven er zo’n hoge omschrijving van, dat hun hoorders zeggen: “Wel, zo heb ik me nog nooit gevoeld,” en zij zijn bang om te komen vanwege hun gebrek aan kwalificatie. Let wel, de broeders spreken de waarheid tot op zekere hoogte. Zij beschrijven wat een zondaar voelt voordat hij komt, maar zij maken een fout door dat, wat een zondaar voelt, te stellen als dat dat zou zijn wat een zondaar behoort te voelen. Wat de zondaar voelt en dat wat de zondaar doet, totdat hij door genade vernieuwd is, zijn juist precies het omgekeerde van wat hij zou moeten doen en voelen. Wij hebben het altijd verkeerd als wij de ervaring van een christen beoordelen door wat een andere christen voelde. Nee meneer, mijn ervaring behoort gemeten te worden aan het Woord van God; en dat wat de christen behoort te voelen, moet gemeten worden aan wat Christus hem beveelt te gevoelen en niet aan wat een andere zondaar gevoeld heeft. Onszelf vergelijken met anderen is niet wijs. Ik geloof dat er honderden en honderden en duizenden zijn, die in twijfel en donkerte blijven en neerzinken in hopeloosheid, omdat er een beschrijving werd gegeven en een voorbereiding om naar Christus te gaan gevraagd werd, waaraan zij niet kunnen voldoen. Een beschrijving, die onjuist is, omdat het een beschrijving is van wat mensen voelden nadat zij Christus gevonden hebben en niet van wat mensen moeten voelen voordat zij tot Hem mogen gaan. Nu dan, met al wat in mijn macht is, kom ik vanmorgen elke barrière die een ziel van Christus afhoudt, afbreken. Zo God de Heilige Geest mij helpen wil, beuk ik de stormram der waarheid tegen elke muur die opgebouwd is, hetzij door leerstellige waarheden, hetzij door  waargenomen waarheden, die de zondaar, die verlangt om tot Christus te komen en door Hem gered te worden, afhoudt.

Ik zal pogen om in de volgende volgorde tot u te spreken vanmorgen. Eerst een weinig troost; dan een weinig onderwijs; wat meer over onderscheid of voorzichtigheid en in de laatste plaats een paar zinnen van vermaning.

  1. Een weinig troost.

Geliefden, sta mij toe eerst te spreken tot u die verlangt om meer en meer uw zonden te voelen en wiens gebed bestaat uit de tekst: “Heere, hoevele misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtredingen en  mijn zonden mij bekend.” Laat mij proberen om u te troosten. Het moet u veel troost verschaffen te bedenken dat de beste mensen dit gebed voor u gebeden hebben. Hoe beter een mens is, des te verlangender hij is om de ernst van zijn toestand te kennen. Hoe meer een mens zonde kwijtraakt en hoe meer hij boven zijn dagelijkse fouten leeft, des te meer roept hij: “Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op den eeuwige weg.” Slechte mensen willen hun slechtheid niet weten. Het is de goede mens, de mens die door genade vernieuwd is, die verlangend is om te ontdekken waaruit zijn ziekte bestaat, opdat hij ervan genezen mag worden. Zou het dan niet wat grond van troost voor u zijn, dat uw gebed niet een gebed is dat van de lippen van de goddelozen zou komen, maar een gebed dat gedurig gebeden wordt door de meest gevorderden in het geloof, door hen die het meest in genade gegroeid zijn? Mogelijk is dit een reden waarom het niet door u gebeden zou moeten worden, u die haast niet kunt hopen een gelovige te zijn. Toch moet u wel blij zijn dat uw gebed geen slecht gebed kan zijn, omdat de “amens” van Gods volk,  zelfs van hen, die de vaders in ons Israël zijn, ermee naar God gaan. Ik weet zeker dat mijn oude broeders en zusters in Christus hier aanwezig, het unaniem zullen zeggen: “Dat is vaak mijn gebed geweest, “Heere, maak mij mijn overtreding en mijn zonde bekend. Leer mij hoe vuil ik ben en leid mij dagelijks tot Jezus Christus, opdat mijn zonden weggedaan mogen worden.”

Laat de volgende overpeinzing u ook troosten: jaren geleden, toen u een zorgeloze zondaar was, bad u nooit zo. Het was het laatste wat u ooit zou vragen. U wilde uw schuld niet kennen. Nee, u vond plezier in slechtheid. Zonde was een zoete hap voor u; u wilde slechts alleen gelaten worden, zodat u het over uw tong kon laten rollen. Als iemand u van uw kwaad vertelde, dan wilde u daar liever niet van horen. “Ach,” zei u, “is dat jouw zaak? Ongetwijfeld maak ik wat fouten en doe ik wat verkeerde dingen, maar ik wil daar niet op aangesproken worden.” Wel, de laatste overdenking die u ooit zou hebben verlangd, zou een overdenking zijn van uw eigen slechtheid. Als uw geweten sprak, zei u: “Liggen, meneer, wees stil!” Als Gods woord u diep raakte, probeerde u zijn scherpe kant te verzachten, u wilde het niet voelen. Nu, zou het u niet wat troosten dat er in u zo’n genadige verandering gewerkt is, dat u nu verlangt naar dat gevoel, dat u eens niet kon verdragen? Zeker, mens, de Heere moet een goed werk in u begonnen zijn, want u zou zulke wensen en verlangens niet hebben als Hij Zijn hand niet aan de ploeg gelegd had en begonnen was om de onvruchtbare, droge, harde grond van uw hart om te ploegen.

Ook is er nog een andere reden waarom u getroost mag zijn. Het is heel goed mogelijk dat u uw schuld reeds voelt, en dat wat u vraagt alreeds in zekere mate aan u gegeven is. Het gebeurt vaak dat iemand de genade, die hij zoekt, al bezit en niet weet dat hij het heeft, omdat hij foutief inschat wat hij moet voelen als hij de zegen bezit. Hij heeft de gunst waar hij God om vraagt al ontvangen. Als u spijt hebt dat u niet genoeg spijt over uw zonde kunt hebben, wel, dan hebt u reeds spijt. Als u verdriet hebt omdat u niet genoeg verdriet kunt hebben, wel, dan hebt u al verdriet. Is het een reden van berouw voor u dat uw hart erg hard is en dat u geen berouw kunt hebben? Wel, u hebt al berouw. Mijn geliefde toehoorder, laat mij  u verzekeren tot uw troost, dat als u op uw knieën gaat en zegt: “Heere, ik kreun voor u, omdat ik niet kan kreunen; ik kan niet voelen; Heere, help mij om te voelen,” wel, dan voelt u en dan hebt u het berouw, waar u om vraagt. Op zijn minst bezit u er de eerste graad van; u bezit het mosterdzaad van berouw in zijn kleine korrel. Laat het met rust, het zal groeien; verzorg het met gebed en het zal een boom worden. De genade, waar u God om bidt, spreekt in uw gebed. Het is berouw dat God vraagt of het meer berouw mag hebben. Het is een gebroken hart, dat God vraagt om het te verbreken. Dat is geen hard hart, het hart dat zegt: “Heere, ik heb een hard hart; verzacht mijn hart.” Het is al een zacht hart. Dat is geen dode ziel, de ziel die zegt: “Heere, ik ben dood, maak mij levend.” Welnee, u bent levend. Dat is  geen  domme,  de  man  die  zegt:  “Heere,  ik  kan  niet  voelen.” Welnee, hij voelt reeds. Hij is al een  verstandige zondaar. Dus u bent juist de mens die Christus tot Zich roept. Deze ervaring van u, waarvan u denkt dat het juist het tegenovergestelde is van wat het moet zijn, is precies wat het moet zijn. O, wees hierover getroost. Maar blijf er niet in rusten. Wees getroost genoeg om nu naar Jezus te rennen – precies zoals u bent. Ik denk dat u, zondaar, precies de mens bent, waar de dominee altijd naar zoekt. Als wij zeggen dat Christus kwam opdat er drinken gegeven zal worden aan de dorstigen, dan bent u precies de mens, die wij bedoelen – u bent dorstig. “Nee,” zegt u, “ik voel niet dat ik dorstig ben, ik wilde wel dat ik dat voelde.” Wel, die wens om dorst te voelen is uw dorst. U bent het helemaal; u bent er veel dichter bij dan wanneer u zei: “Ik dorst, ik voldoe aan de kwalificatie.” Dan zou ik bang zijn dat u geen dorst had. Maar omdat u denkt dat u het niet hebt, is het een duidelijk bewijs dat u aan deze kwalificatie voldoet, als er al zo’n kwalificatie bestaat. Als ik zeg: “Kom tot Christus allen die vermoeid en belast zijt” en u zegt. “O. ik voel me niet belast genoeg,” wel, dan bent u de persoon die de tekst bedoelt. En als ik zeg: “Die dorst heeft, kome en die wil neme het water des levens om niet” en u zegt: “Ik wilde wel dat ik meer zou willen, ik wil zo graag willen,” wel, dan bent u die persoon. Het is slechts één van satans spitsvondigheden, een beetje helse, duivelse logica om u van Christus weg te sturen. Sta nu op tegen de  satan, deze ene keer, en zeg: “Jij liegende vijand, jij vertelt me dat ik mijn nood voor een Verlosser niet genoeg voel. Ik weet dat ik mijn  nood voel; en in zoverre als ik het verlang te voelen, voel ik het Christus vraagt mij tot Hem te komen en ik zal komen – nu van  morgen. Ik zal mijn ziel, precies zoals die is, toevertrouwen aan de handen van Hem wiens lichaam aan het hout hing. Zwemmen of  verdrinken, hier rust ik op Hem en klamp mij aan Hem vast als de rots van mijn zaligheid.” Neem dan deze woorden van troost aan.

  1. Onderwijs.

Nu moet ik overgaan op mijn tweede punt en een paar woorden van onderwijs geven. Zo. mijn hoorder, verlangt u van harte te weten hoe vele uw ongerechtigheden en uw zonden zijn? Is uw gebed: “Heere, maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend?” Laat mij u dan onderwijzen hoe God uw gebed zal verhoren. God heeft meer dan één manier om hetzelfde gebed te verhoren en hoewel de manieren verschillend zijn, zijn zij alle even nuttig en effectief. Het gebeurt soms dat God dit gebed verhoort door iemand toe te laten te vallen in steeds grotere zonden. Op onze laatste kerkenraadsvergadering getuigde een broeder hoe hij tot God gebracht was. Hij zei dat hij zijn schuld niet had gevoeld. Zijn hart was erg hard; totdat het op een dag gebeurde dat hij verleid werd om een onwaarheid te vertellen, en niet eerder  had hij het gedaan of hij voelde wat een afschuwelijk schepsel hij was om een leugen aan een ander te vertellen, zodat die ene zonde hem zo ver bracht om de leugenachtigheid en slechtheid van zijn eigen hart te zien. Van die dag af hoefde hij nooit meer te klagen dat hij zijn schuld niet genoeg voelde. Maar juist het tegenovergestelde, hij voelde zich te schuldig om tot Christus te komen.

Ik denk dat menigeen, die onder de wet opgegroeid is, die zo opgevoed is, dat hij nooit in grote zonde is gevallen, het erg moeilijk vindt om te zeggen: “Heere, ik voel dat ik een grote zondaar ben.” Hij weet, dat hij een zondaar is, hij weet het als vanzelfsprekend, maar hij kan het helemaal niet voelen. En ik heb mensen gekend, die vaak de hoer en de dronkaard benijd hebben, “omdat,” zeggen zij, “als ik als hen geweest was, dan zou ik mijn zonden smartelijker voelen en dan zou ik voelen dat ik één van diegenen was, die Jezus kwam redden.” Het kan zijn, alhoewel ik hoop dat het niet zo is, dat God zal toelaten dat u in zonde valt. God geve dat het nooit zo zal zijn; maar als het ooit zou gebeuren, dan zult u reden hebben om te zeggen: “Heere, ik ben slecht; nu zien mijn ogen mijzelf; daarom verfoei ik mijzelf en nu heb ik berouw, nu ben ik in stof en as vanwege deze, mijn grote zonde.” Het is ook mogelijk is het ook dat u niet daadwerkelijk in zonde valt, maar tot aan de rand ervan gebracht wordt. Hebt u ooit geweten wat het was om opeens ingehaald te zijn door een vurige verleiding? Om te voelen alsof de sterke hand van satan u om de heupen gegrepen had en aan u trok? U wist niet waarheen, noch waarom, noch hoe, maar tegen uw wil ging u naar de rand van de afgrond van een vreselijke zonde. En u ging maar verder en verder, totdat, opeens, net op het moment dat u een duik in de zonde zou nemen, uw ogen geopend werden en u zei: “Grote God, hoe kwam ik hier? Ik, die deze ongerechtigheid haat! Ik, die het verafschuw! En toch waren mijn voeten welhaast uitgegleden.” Dan in de terugsprong zegt u: “Grote God, houd mij vast, want als U mij niet vasthoudt, dan val ik zeker.” U ontdekt dat er ingeboren zonde in uw hart is, die slechts een gelegenheid nodig heeft om uit te breken. U erkent dat uw ziel als een magazijn vol springstoffen is, die slechts één vonk nodig hebben om tot een vreselijk catastrofe te komen. U beseft dat u vol zonde bent, lelijk van ongerechtigheid en boze plannen, en dat er slechts een gelegenheid voor nodig is en sterke verleiding om u naar lichaam en ziel te verwoesten en dat voor eeuwig. Het gebeurt soms dat dit de manier is waarop God dit gebed beantwoordt. Een tweede methode, waarmee de Heere dit gebed beantwoorden kan, is door de ogen van de ziel te openen; niet zozeer door voorzienigheid, als wel door de mysterieuze werking van de Heilige Geest. Laat mij u vertellen, mijn hoorder, dat als uw ogen ooit geopend worden om uw schuld te zien, dat u dat het afschuwelijkste beeld zult vinden, dat u ooit gezien hebt. Ik heb net zoveel ervaring hiermee als ieder van u. Als kind was er gedurende vijf jaar lang niets anders voor mijn ogen dan mijn schuld. Ik aarzel niet om te zeggen dat zij, die mijn leven zouden hebben geobserveerd, geen bijzondere zonden zouden gezien hebben. Toch terwijl ik naar mijzelf keek, was er geen dag waarop ik niet zulke grote, zulke vreselijke zonden tegen God bedreef, dat ik dikwijls heb gewenst dat ik nooit geboren zou zijn. Ik ken John Bunyans ervaring, toen hij zei dat hij wenste een kikker te zijn geweest of een pad, in plaats van een mens, zo schuldig voelde hij zichzelf. U weet hoe het met uzelf is. Het is als met een huisvrouw, die haar kamer schoonmaakt. Zij kijkt en er is geen stof; de lucht is schoon en al haar meubilair glimt prachtig. Maar er is een kier in het raamluik, een lichtstraal kruipt naar binnen en zij ziet het stof op en neer dansen, duizenden stofdeeltjes in de zonnestraal. Overal in de kamer is het hetzelfde, maar zij kan dat niet zien, slechts daar waar de zonnestraal komt. Zo is het ook met ons; God stuurt een straal van goddelijk licht in het hart en dan zien wij hoe vuil en vol van ongerechtigheid wij zijn. Ik vertrouw, mijn hoorder, dat uw gebed niet beantwoord zal worden zoals het in mijn geval gebeurde, door vreselijke overtuigingen, akelige dromen, gezichten van ellende en dagen van pijn. Pas op; u bidt een enorm gebed als u God vraagt om u uw slechtheid bekend te maken. Beter voor u is het om uw gebed te veranderen en het als volgt te formuleren: “Heere, laat mij genoeg van mijn ongerechtigheid kennen om mij tot Christus te brengen; niet zoveel om mij, van Hem af te houden, niet zoveel om mij tot wanhoop te drijven; maar slechts genoeg om gescheiden te worden van alle vertrouwen in mijzelf en om geleid te worden om op Christus alleen te vertrouwen.” Anders zou u als Mozes gedwongen worden om in een aanval van ellende uit te roepen: “O Heere, dood mij toch slechts, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!”

Toch vraagt u mij nogmaals: “Zeg mij hoe ik de noodzakelijkheid van mijn Verlosser kan voelen.” Het eerste advies, dat ik u geef is dit: benoem uw zonden. Zeg niet: “Ik ben een zondaar.” Dat betekent niets; iedereen zegt dat. Maar zeg dit: “Ben ik een leugenaar? Ben ik een dief? Ben ik een dronkaard? Heb ik onreine gedachten? Heb ik onreine handelingen verricht? Heb ik in mijn ziel vaak gerebelleerd tegen God? Ben ik vaak boos zonder reden? Heb ik een slecht humeur? Ben ik begerig? Houd ik meer van deze wereld dan van de toekomende wereld? Verwaarloos ik het gebed? Veracht ik de grote verlossing?” Stel de vragen op de verscheidene punten en u zult zich sneller overtuigen dan door uzelf in het  algemeen een zondaar te vinden. Ik heb eens gehoord van een huichelachtige, oude monnik die het altijd uitkermde, terwijl hij zijn rug zo zacht als hij maar kon, geselde: “Heere, ik ben een grote zondaar, net zo’n grote zondaar als Judas.” Toen zei iemand eens tegen hem: “Ja, dat ben je, je bent als Judas, een smerige oude hypocriet,” en toen zei hij: “Nee, dat ben ik niet.” Toen ging hij weer door: “Ik ben een groot zondaar.” Iemand zei: “Je bent een groot zondaar, je hebt het tweede gebod overtreden,” en hij zei: “Nee, dat heb ik niet.” En net zo met het derde en vierde gebod, enzovoort, met allemaal. Zo deed hij alsof hij alle tien geboden had gehouden naar zijn eigen inzicht en toch ging hij maar door met roepen dat hij een groot zondaar was. De man was een hypocriet, want als hij de geboden niet had overtreden, hoe kon hij dan een zondaar zijn? U zult het beter vinden niet bij zonden in het algemeen stil te staan, maar om ze op te schrijven, om ze op te tellen en naar elk apart te kijken, één voor één. Laat mij u vervolgens adviseren om een persoonlijke preek te horen. Zit niet daar waar de predikant tot u in het meervoud preekt, maar daar waar hij met u handelt als een mens alleen, helemaal alleen. Zoek een predikant als Rowland Hill, van wie het gezegd werd dat, als u op de achterste bank op de galerij zat, u nog altijd het gevoel had dat dominee Hill u bedoelde. Of, als u in de deuropening zat, waar hij u niet kon zien, u toch overtuigd was dat hij moest weten dat u daar was en dat hij direct tegen u sprak. Ik vraag me werkelijk af of mensen ooit hun zonden kunnen voelen onder sommige dominees, zachtaardige dominees,  intellectueel, respectabel, die nooit tegen hun hoorders spreken alsof zij iets verkeerd deden. Ik zeg van deze heren wat Hugh Latimer zei van vele predikanten in zijn tijd, namelijk dat zij geschikter zijn om een boerendans te dansen, dan om met de zielen van mensen om te gaan. Ik geloof dat sommigen  tegenwoordig geschikter zijn om plechtige lezingen te houden en aangename zaken naar voren te  brengen om het sterfelijke verstand gerust te stellen, dan om het Woord van God te preken aan zondaren. Wij willen iemand terug als Johannes de Doper en Boanerges. Wij willen mannen als Baxter om te preken als mensen, die mogelijk nooit meer zullen preken, als stervenden tot stervenden Wij willen mensen als John Berridge, die het fluweel jaren geleden uit hun mond gerukt hebben, en die geen mooie woorden meer kunnen spreken. Mensen die het hard laten aankomen, die de boog pakken en de pijl helemaal aantrekken en hem recht op het doel af schieten, dodelijk gericht op het hart en het geweten van de mensen, diep ploegend, rakend aan de privé-lusten en aan de openlijke zonden, en ze niet generaliseren, maar juist specifiek noemen. Die niet preken voor mensen in het algemeen, maar voor mensen in het bijzonder, niet voor de gemeente en de menigte, maar voor ieder mens apart en individueel. Erger u niet aan uw dominee als hij te dicht aan huis komt bij u. Onthoud dat dit zijn plicht is. En als de zweep helemaal om u heen slaat en u pijn doet, dank God ervoor, wees er blij om. Laat mij maar luisteren naar een predikant die het mes soms in me zet, een man die mij niet zal sparen, een man die mij niet zal vleien. Als er ergens vleierij moet zijn, laat het dan in geen geval op de preekstoel zijn. Hij, die met mensenzielen omgaat, moet heel eerlijk met hen omgaan. De preekstoel is niet de plaats voor mooie woorden, niet als wij moeten handelen over de ernst van de eeuwigheid. Neem dit advies dan en luister naar persoonlijke preken, die harten raken. Verder, als u uw zonden wil kennen, bestudeer de wet van God dikwijls. Laat het twintigste hoofdstuk van Exodus vaak voor uw ogen zijn, en neem er als een commentaar Christus’ preek en Christus’ woorden bij, toen Hij zei: “Zo wie een vrouw aanziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.” Versta dat Gods geboden niet alleen betekenen wat zij in woorden zeggen, maar dat zij de gedachten raken, het hart, de verbeelding. Denk aan die zin van David: “Uw gebod is zeer wijd.” En zo, denk ik, zult u de afschuwelijkheid van uw zonde en de zwartheid van uw schuld eerder ontdekken. En als u nog meer wilt weten, spendeer een beetje tijd aan het bedenken waar uw zonde u zal brengen, hoe fataal uw einde zal zijn, als u onbekeerd sterft. Durf in dat vuur te blikken dat uw eeuwig lot moet zijn, tenzij Jezus Christus u redt. Wees wijs, zondaar, en kijk naar de oogst, die u zeker zult maaien als u onkruid zaait. Laat deze woorden eens in uw oren klinken: “En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn.” Open uw oren en luister naar het einde van deze tekst: “Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden.” Laat een passage als deze herkauwd worden door uw ziel: “De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergeten heidenen.” Deze ernstige gedachten mogen u helpen. Boeken als Allaines “Alarm”, Baxters “Oproep aan de onbekeerden”, Doddridges “Oprichting en vooruitgang” kunnen een goede invloed hebben op uw geest om u te helpen de grootte van uw schuld te zien, door u te laten nadenken over de grootte van de straf. Maar als u nog een betere en een effectievere manier wilt weten, zal ik u nog wat advies geven. Breng veel tijd door met nadenken over het lijden van Christus, want de schuld van uw zonde wordt nergens zo duidelijk gezien als in het feit, dat het de Heiland geslagen heeft. Bedenk wat een groot kwaad het moet zijn dat het Christus Zijn leven kostte, opdat Hij u mocht redden. Overdenk, zeg ik, arme ziel, hoe zwart die vuilheid moet zijn, die slechts weggewassen kon worden met Zijn dierbaar bloed! Hoe zwaar die misdrijven zijn waar geen boete voor gedaan kon worden, tenzij Zijn lichaam aan het hout genageld zou zijn. Zijn zijde doorstoken en tenzij Hij stierf in koorts en in dorst, roepend: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Ga naar de tuin aan de voet van de Olijfberg en zie de Heiland in Zijn bloedig zweet! Ga naar Pilatus’ huis en zie Hem onder de beschamende beschuldigingen! Ga naar het paleis van Herodes’ Praetoriaanse garde, en zie daar hoe de machtigen Christus voor schut zetten! En ga dan, als allerlaatste naar Golgotha en zie dat schouwspel van leed, en als deze zaken u niet de zwartheid van uw zonde tonen, dan kan niets dat. Als de dood van Christus u niet de noodzaak van een Verlosser leert, welke remedie blijft er dan nog over voor een hart zo hard, voor een ziel zo blind als de uwe? Hiermee heb ik u onderwijs gegeven. Vergeet het niet; Breng het in de praktijk. Wees niet alleen hoorders maar doe het ook.

  1. Onderscheid.

Nu, heel kort, een paar zinnen over onderscheid. U, mijn luisteraar, verlangt uw grote schuld te kennen en de noodzakelijkheid van Jezus te voelen. Pas op dat u onderscheid maakt tussen het werk van de Geest en het werk van de duivel. Het is het werk van de Geest, om u een zondaar te laten voelen, maar het is nooit Zijn werk geweest om u te laten voelen dat Christus u zou kunnen vergeten. Het is het werk van de Geest, om u te doen rouwen over uw zonde, maar het is niet het werk van de Geest, om u te laten wanhopen aan genade; dat is het werk van de duivel. U weet dat satan altijd probeert het werk van de Geest te vervalsen. Hij deed dit in het land van Egypte. Mozes strekte zijn staf uit en veranderde al de wateren in bloed. Toen kwamen Jannes en Jambres; zij lieten water binnenbrengen en door hun knappe kunsten veranderden zij een grote oppervlakte water in bloed. Toen vulde Mozes het land met kikkers; de duivelskunstenaars laten een ruimte vrijmaken en zij vullen die met kikkers. Zo weerstonden zij het werk van God door te doen alsof zij hetzelfde deden. Zo zal de duivel met u doen. “Ach,”zegt God de Heilige Geest, “zondaar, u kunt uzelf niet redden.” “Ach,” zegt de duivel, “en Hij kan u ook niet redden.” “Ach,” zegt God de Heilige Geest, “u hebt een hard hart, alleen Christus kan dat verzachten.” “Ach,” zegt de duivel, “maar Hij zal het niet verzachten, tenzij u het zelf verzacht.” “Ach,” zegt God de Heilige Geest, “u hebt geen kwalificaties, u bent naakt en failliet en verloren.” “Ja,” zegt de duivel, “het heeft geen zin om Christus te vertrouwen, want er is geen goed in u en u kunt niet hopen op redding.” “Ach,” zegt God de Heilige Geest, “u voelt uw zonden niet; u hebt moeilijk berouw vanwege uw hardheid.” “Ach,” zegt de duivel, “en omdat u zo hard van hart bent, kan Christus u niet verlossen.” Leer nu de één van de ander te onderscheiden. Als een arme boeteling soms overweegt zichzelf iets aan te doen, denkt u dat dat het werk van de Geest is? “Het is het werk van de duivel; hij was een moordenaar van het begin af.” Een zondaar zegt: “ik ben zo schuldig, ik weet zeker dat ik nooit vergeven kan worden.” Is dat wat de Geest leert, die leugen? O, dat komt bij de vader van de leugens vandaan. Let erop,  als u een biografie leest als John Bunyans “Overvloeiende Genade”, zeg al lezend:”Dat is het werk van de Geest, Heere, schenk mij dat,” en “Dit is het werk van de duivel, Heere, houd dat van mij.” Begeer niet dat de duivel uw ziel aan stukken scheurt; hoe minder u met hem van doen hebt, hoe beter, en als de Heilige Geest Satan van u afhoudt, dank Hem daarvoor. Wacht  niet op verschrikkingen en afschuwelijkheden, die sommigen ervaren, maar ga naar Christus zoals u bent. U wilt die verschrikkingen niet, zij zijn van weinig nut. Laat mij u herinneren aan iets anders; ik vraag u niet om met uw zonden kennis te maken om daardoor alle te kennen, want u kan ze niet tellen met arme mensen rekenkunde. Young zegt in zijn “Nachtgedachten”:  “God verbergt voor alle ogen behalve de Zijne dat afschuwelijke schouwspel – een mensenhart.” Als u maar een tiende deel zou weten van hoe slecht u bent geweest, dan zou u waanzinnig worden. U, die de wet het best hebt gehouden, u, die een prachtig karakter hebt, als al de zonden, die uw hart gedaan heeft, voor u kwamen te staan in hun zwarte kleuren, en u ze in hun ware licht kon zien, dan zou u in de hel zijn, want het is werkelijk een hel om de zondigheid van zonde te ontdekken. Bedoelt u te zeggen dat u op uw knieën zou gaan en God vragen om u naar de hel te sturen of om u waanzinnig te laten worden? Wees niet zo dwaas. Zeg: “Heere, laat mij mijn schuld voldoende kennen om mij uit te drijven naar Christus; maar vervul mijn wens om mijzelf beter te kennen niet; nee, geef mij genoeg om mij te laten voelen, dat ik Christus moet vertrouwen of anders verloren moet gaan, en ik zal heel tevreden zijn als U mij dat wilt geven, zelfs al onthoudt u mij meer.”

Nog eens, mijn lieve hoorders, luister naar deze volgende waarschuwing, want het is heel belangrijk. Pas op dat u niet probeert om gerechtigheid te ontlenen aan uw gevoelens. Als u zegt: “Ik mag niet naar Christus gaan totdat ik mijn gemis aan Hem voel,” is dat puur wetticisme. U bent helemaal op het verkeerde spoor, want Christus wil niet dat u uw nood voelt om uzelf voor Hem klaar te maken. Hij wil geen voorbereiding en alles wat u een voorbereiding meent te zijn, is een fout. U moet komen gewoon zoals u bent – vandaag, zoals u bent, nu – niet zoals u wilt zijn, maar gewoon nu, zoals u nu bent. Ik zeg niet tegen u: “Ga naar huis en zoek God in gebed.” Ik zeg: “Kom nu bij Christus, nu, op dit moment.” U zult nooit in een betere staat zijn dan u nu bent, want u was nooit in een slechtere staat en dat is de beste staat om mee naar Christus te gaan. Hij die erg ziek is, is precies in de juiste staat voor een dokter; hij die vuil is en  besmeurd, is precies in de juiste staat om gewassen te worden; hij die naakt is, is precies in de juiste staat om gekleed te worden. Dat is uw geval. Maar u zegt: “Ik gevoel mijn nood niet.” Precies zo; uw gebrek aan gevoel bewijst dat u meer nood heeft. U kunt uw gevoelens niet vertrouwen, want u zegt dat u er geen hebt. Wel, als God uw gebed zou verhoren en u uw nood liet voelen, dan zou u op uw gevoelens gaan vertrouwen en u zou geleid worden om te zeggen: “Ik vertrouw op Christus, want ik voel mijn nood.” Dat zou hetzelfde zijn als om te zeggen: “Ik vertrouw mijzelf.” Al deze dingen zijn paapsheid in vermomming.

Al dit gepreek aan zondaren dat zij dit moeten voelen en dat moeten voelen voordat zij op Christus mogen vertrouwen, is gewoon eigengerechtigheid in een nieuwe vorm. Ik weet dat onze calvinistische broeders deze preek niet zullen waarderen -ik kan het niet helpen – want ik aarzel niet te zeggen dat er meer farizeïsme gemengd is met hypercalvinisme, dan met enige andere soort sekte in de wereld. En ik verklaar plechtig dat dit gepreek over gevoelens van, wat zij noemen, verstandige zondaren, niets meer is dan eigengerechtigheid in de knapste en kunstigste vorm, want het is de zondaar vertellen dat hij iets moet zijn voordat hij tot Christus kan komen. Terwijl het Evangelie gepreekt wordt niet aan verstandige zondaren of aan zondaren met enig ander kwalificerend bijvoeglijk naamwoord, maar aan zondaren als zondaren, aan zondaren gewoon zoals zij zijn.  Het is niet voor zondaren  als  berouw-hebbende zondaren, maar voor zondaren als zondaren, hun staat moge zijn wat zij is en hun gevoelens wat zij zijn.   O zondaren, de deur van genade staat wijd open voor u vanmorgen; laat satan u niet terugduwen door te zeggen: “U bent niet geschikte.” U bent geschikt! Dat wil zeggen, u hebt alle geschiktheid, die Christus wil en dat is helemaal niets. Kom tot Hem, gewoon zoals u bent. “O,” zegt iemand, “maar u weet dat er in sommige liederen en teksten staat dat wij onze nood voor Hem moeten voelen”. Laat mij u raad geven. Haal nooit onvolledige gedeelten van teksten of liederen uit hun verband. Ja, wij moeten onze nood voor Hem voelen, maar de Geest geeft ons wat wij nodig hebben. Kom en vraag Hem om het u te geven en geloof, dat Hij het u zal geven. Geloof dat mijn Meester ernaar verlangt om u te verlossen. Vertrouw Hem, handel in dat geloof, zondaar, en u zult verlost zijn. Anders zult u verloren zijn. Geloof slechts dat mijn Meester een liefderijk hart heeft en dat Hij machtig is om u te vergeven en dat Hij een machtige arm heeft en machtig is om u te verlossen. Geef Hem nu de eer door Zijn koren niet met uw mand te meten. “Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan uw gedachten.” Vandaag zegt Hij tegen u: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult gered zijn.” Zondaar, als u gelooft en niet verlost bent, wel dan is Gods Woord een leugen en dan is God niet waar! En zult u ooit kunnen denken dat dat het geval is? Nee zondaar, u kunt gelovend in Christus niet verloren gaan. Hoewel u geen goede werken bezit en geen goede gevoelens, toch, als uw armen om het kruis geslagen zijn en als het bloed op uw voorhoofd gesprenkeld is, als de verderfengel dan door de wereld zal gaan, dan zal hij u voorbijgaan. Zo staat het geschreven: “Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan.” Niet: “Als Ik uw gevoelens omtrent het bloed zie,” Niet: “Als Ik uw geloof in het bloed zie,” maar “wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan.” Leer om onderscheid te maken tussen een gevoel van zonde dat u vernedert, en een gevoel van zonde dat u slechts trots maakt. Als u gekomen bent om te zeggen: “Ik heb mijn zonde genoeg gevoeld en daarom ben ik waardig om tot Christus te komen,” dan is dit niets anders dan trots gekleed in het kleed van nederigheid.

Laat mij u nog één ding vertellen voordat ik klaar met u ben op dit punt. Alles wat u van Christus afhoudt, is zonde. Elke gedachte, die u weerhoudt om vandaag in Christus te geloven, is een zondige gedachte. Elk uur, dat u voort blijft gaan te zijn wie u bent, namelijk een ongelovige in Christus, blijft de toom van God op u. Nu, waarom zou u om iets vragen, dat u helpt om u nog langer van Christus af te houden? U weet dat er geen goed in u is. Waarom dan niet in Christus geloven voor alle goed? Maar u zegt: “Ik moet allereerst meer voelen.” Arme ziel, als u werkelijk meer zou voelen, dan zou u het nog moeilijker vinden om Christus te vertrouwen. Ik bad God of Hij mij mijn schuld wilde tonen; ik had niet verwacht dat Hij mij zo zou antwoorden. Werkelijk, ik was zo’n dwaas dat ik niet tot Christus wilde komen, tenzij de duivel me erheen sleurde. Ik zei: “Christus kan niet voor mij gestorven zijn, want ik heb me niet miserabel genoeg gevoeld.” God hoorde mij en geloof mij, ik zal dat gebed nooit meer bidden; want toen ik mijn schuld begon te voelen, zei ik: “Ik ben te slecht om verlost te worden,” en ik bemerkte dat ik datgene waar ik om gevraagd had, als een vloek voelde en niet als een zegen. Dus, als u zou voelen waar u om vraagt, kan het de oorzaak van uw veroordeling zijn. Wees daarom wijs en luister naar mijn Meesters stem, kom en was u nu in de Jordaan en wees rein. Kom en stop niet totdat uw hart omgeploegd is met de ploeg en uw ziel afgehouwen met de bijl. Kom nu zoals u bent tot Hem. Welk mens wil niet tot Christus komen, als Hij zegt: “Wie dorst heeft, kome!” Wilt u Hem niet vertrouwen,’ als Hij neerziet en op u glimlacht en zegt: “Vertrouw Mij, Ik zal u nooit bedriegen!” Wat, kunt u niet tegen Hem zeggen: “Meester, ik ben erg schuldig, maar U hebt gezegd: “Komt dan, en laat ons samen rechten, al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.” Heere, deze genade is te groot, maar ik geloof het. Ik neem U op Uw woord; U hebt gezegd: “Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen.” Heere, ik kom tot U, ik weet niet hoe het is dat U zo iemand als ik kan vergeven, maar ik geloof dat U niet kunt liegen en op die belofte rust mijn ziel. Ik weet dat U gezegd hebt: “Alle soorten van zonde en godslastering zullen de mensen vergeven worden.” Heere, ik kan niet begrijpen hoe er kracht kan zijn in het bloed om alle soorten van godslastering weg te wassen, maar U hebt het gezegd en ik geloof het. Het is Uw zaak om Uw eigen woord waar te maken, niet de mijne en U hebt gezegd: “Wie dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.” Heere, ik ben het niet waard, maar ik wil komen, of als ik het niet wil, dan wil ik toch willen, daarom zal ik komen, net zoals ik ben. Ik weet dat ik geen goed gevoel heb om mijzelf bij U aan te bevelen, maar U wilt toch geen goed gevoel in mij, U zult mij alles wat ik nodig heb, geven.

O, mijn lieve hoorders, ik ben zo blij dat ik zo’n Evangelie aan u mag brengen. Als u het niet ontvangen hebt, dan bid ik God de Heilige Geest om het bij u thuis te brengen. Het is zo eenvoudig, dat mensen niet kunnen geloven dat het waar is. Als ik u zou vragen om uw schoenen uit te trekken en van hier naar York te rennen en u dan verlost zou zijn, wel, dan zou u het meteen doen en het zou druk zijn op de weg naar York. Maar als het slechts de zielverkwikkende woorden zijn: “Geloof en leef,” dan is het te makkelijk voor uw trotse hart om te doen. Als ik u vertelde om duizend pond te gaan verdienen en het aan een kerk te schenken en u dan gered zou zijn, dan zou u die prijs heel laag vinden. Maar als ik zeg: “geloof Christus en wees verlost,” dan kunt u dit niet – het is te eenvoudig. Ach, dwaasheid van het mensenhart! Vreemde, vreemde, dwaze zonde, als God het pad effen maakt, dan willen de mensen er niet op lopen om diezelfde reden en als Hij de deur wijd open zet, dan is dat de reden, waarom zij niet binnen willen komen. Zij zeggen dat als de deur half open zou staan en zij hem verder open zouden moeten duwen, zij dan binnen zouden komen. God heeft het Evangelie te eenvoudig gemaakt en te gemakkelijk om trotse harten aan te staan. Moge God trotse harten verzachten en u de Verlosser doen ontvangen.

  1. Vermaning.

Nu kom ik tot mijn laatste punt, waar ik al aan geraakt heb, en dat is vermaning. Arme zondaar, zeven jaar geleden vroeg u om precies hetzelfde als waar u nu om vraagt en over nog zeven jaar zult u nog precies hetzelfde zeggen. Zeven jaar geleden zei u: “Ik zou Christus wel willen vertrouwen, maar ik voel niet zoals ik zou moeten voelen.” Voelt u nu beter? En als er nog zeven jaar voorbij zullen zijn, dan voelt u nog net als nu! Ach, en het zal altijd doorgaan, totdat u naar de hel gaat en als u erheen gaat, zegt u: “Ik voel mijn nood niet genoeg.” Dan zal de leugen ontdekt worden en u zult zeggen: “Het stond niet in Gods Woord, dat ik niet tot Christus mocht komen tenzij ik mijn nood genoeg voelde, maar er stond: “Wie dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.” Ik wilde niet komen gewoon zoals ik was, daarom ben ik rechtvaardig uitgeworpen.” Hoor mij, zondaar, als ik u vraag om tot Jezus te gaan zoals u bent en u er deze redenen voor geef. In de eerste plaats is het een erg grote zonde om uw schuld niet te  voelen en er niet over te treuren, maar het is ook één van de zonden waar Jezus verzoening voor deed aan het hout. Toen Zijn hart doorstoken werd, betaalde Hij de afkoopsom voor uw harde hart. Och zondaar, als Christus alleen gestorven was opdat wij vergeven konden worden voor andere zonden behalve onze harde harten, dan zouden wij nooit naar de hemel kunnen gaan, want wij hebben, wij allemaal, zelfs wij die geloofd hebben, die grote zonde begaan van onboetvaardig tegenover Hem te zijn. Als Hij niet gestorven was om die zonde af te wassen, net zo goed als elke andere zonde, waar zouden wij zijn? Het feit dat u niet kunt huilen of treuren zoals u zou willen, is een schuldverzwaring; maar waste Christus u niet van die zonde, zwart als hij was? Kom tot Hem, Hij is machtig om u zelfs hiervan te verlossen. Nogmaals, kom tot Jezus, omdat Hij de enige is, die u dat hart kan geven waar naar u zoekt. Als mensen niet tot Christus waren gekomen totdat zij voelden zoals zij zouden moeten voelen, dan zouden zij nooit gekomen zijn. Ik zal het openlijk belijden dat, als ik Christus niet had kunnen vertrouwen totdat ik voelde dat ik Hem kon vertrouwen, ik Hem dan nooit vertrouwd zou hebben en Hem ook nu nog niet vertrouwen kon. Want ik ken tijden dat, nadat ik het Evangelie zo eenvoudig mogelijk gepreekt heb en teruggekomen ben in mijn eigen kamer, mijn hart dood is, log, liggende als een steen in mijn ziel. Ik heb gedacht dat als ik niet tot Christus kon komen als een zondaar, ik anders niet had kunnen komen. Als ik in de tekst nog een woord voor dat woord “zondaar” zou vinden: -“Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de…” en dan een bijvoeglijk naamwoord, en dan “zondaren,” dan zou ik verloren zijn geweest. Het is precies omdat de tekst zegt: “zondaren,” precies zoals zij zijn, dat “Christus Jezus in de wereld gekomen is om hen te redden,” dat ik mag hopen dat Hij kwam om mij te redden. Als er stond dat Jezus Christus in de wereld gekomen was om teerhartige zondaren te redden, dan zou ik gezegd hebben: “Heere, mijn hart is onvermurwbaar.” Als er gestaan had dat Jezus Christus in de wereld was gekomen om wenende zondaren te redden, dan zou ik gezegd hebben: “Heere, alhoewel ik op mijn oogleden druk, kan ik er geen traan uit forceren.” Als er gestaan had dat Jezus in de wereld kwam om zondaren, die hun nood voor Hem voelden, te redden, dan zou ik zeggen: “Ik voel de nood ervoor niet. Ik weet dat ik U nodig heb, maar ik voel het niet.” Maar, Heere, U kwam om zondaren te redden en ik ben gered. Ik vertrouw, dat U kwam om mij te redden, en hier ben ik, zwemmen of verdrinken, ik rust op U. Als ik omkom, dan kom ik om gelovend in U. Als ik verloren moet gaan, dan zal het in Uw handen zijn, want in mijn eigen handen wil ik in geen geval zijn, zelfs niet een klein beetje. Ik kom naar dat kruis, en onder dat kruis sta ik. Uw volmaakte gerechtigheid is mijn schoonheid – mijn prachtige kleed. Kom tot Christus, zondaar, want Hij kan uw hart verzachten en u kunt het zelf nooit verzachten. Hij is verhoogd boven de aarde om u berouw over uw zonden en vergiffenis van zonden te schenken. Niet alleen vergiffenis, maar het berouw ook. Hij geeft Zijn genade niet slechts aan diegenen die berouw hebben, maar aan hen die geen berouw kunnen hebben. En aan hen die zeggen: “Heere, ik zou wel willen, maar ik kan niet voelen, ik wilde wel, maar kan niet huilen.” Ik zeg dat Christus precies de Verlosser voor u is – een Christus, die begint aan het begin, en niet wilt dat u zelf begint. Een Christus, die tot het einde zal gaan en niet zou willen dat u zou eindigen. Een Christus, die u niet vraagt om Alpha te zeggen en dat Hij dan de Omega zal zijn. Maar Hij wil zijn beide Alpha en Omega. Christus, die is het begin en het einde, de Eerste en de Laatste. Het eenvoudige Evangelie is gewoon dit: “Zie op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde.” “Maar Heere, ik kan niets zien.” “Zie op Mij.” “Maar Heere, ik voel niets.” “Zie op Mij.” “Maar Heere, ik kan niet zeggen dat ik mijn nood voel.” “Zie op Mij, niet op uzelf; dit alles is naar uzelf zien.” “Maar Heere, ik voel soms dat ik iets zou kunnen doen, maar een week gaat voorbij en dan ben ik weer hard van hart.” “Zie op Mij.” “Maar Heere, dat heb ik vaak geprobeerd.” “Probeer het niet meer, zie op Mij.” “O, maar Heere, u weet het.” “Ja, Ik weet alle dingen, Ik weet alles, al uw ongerechtigheid en uw zonden, maar zie op Mij.” “O, maar vaak, Heere, als ik een preek hoorde, was ik onder de indruk, toch is het als de morgenwolk en als de vroege dauw; het gaat voorbij.” “Zie op Mij, niet op uw gevoelens of uw indrukken, zie op Mij.” “Wel,” zegt iemand, “maar zal dat mij werkelijk redden, gewoon op Christus zien?” Mijn lieve ziel, als dat u niet redt, dan ben ik niet gered. De enige manier waarop ik gered ben en het enige goede Evangelie, dat ik in de Bijbel kan vinden, is op Christus te zien. “Maar als ik doorga in zonde?” zegt iemand. Maar u kunt niet in de zonde blijven; uw zien op Christus zal u van die gewoonte van zonde genezen. “Maar als mijn hart hard blijft?” Het kan niet hard blijven; u zult ontdekken dat het zien op Christus u zal afhouden van het hebben van een hard hart. U zult nooit voelen zoals u behoort te voelen totdat u niet voelt wat u behoort te voelen. U zult nooit tot Christus komen totdat u niet voelt dat u kunt komen. Kom zoals u bent; kom in al uw armoede en koppigheid en hardheid, gewoon zoals u nu bent, neem Christus om uw alles in allen te wezen. Laat klinken uw liederen, gij engelen, pluk uw gouden harpen gij verlosten; er zijn zondaren van de hel weggerukt vandaag; er zijn mensen vanmorgen die Christus vertrouwd hebben. Hoewel zij het haast niet weten, zijn hun zonden alle vergeven; hun voeten staan op de rots; het nieuwe lied zal spoedig in hun mond zijn en hun gangen zullen vast zijn. Vaarwel, gij broeders, wend u tot God vanmorgen, God moge u bewaren, en u zult Zijn aangezicht in eeuwige heerlijkheid zien. Amen.

C.H. Spurgeon (1834-1892)

 

Send this to friend

Spring naar werkbalk