Gerechtvaardigd en verheerlijkt
mei 28, 2016
U haat goddeloosheid
mei 29, 2016
Show all

Hoe zijn de verschillende rassen ontstaan?

Door Ken Ham, Jonathan Sarfati, en Carl Wieland, red. Don Batten
Voor het eerst gepubliceerd in The Revised and Expanded Answers Book, Hoofdstuk 18.
Vertaling (4BQ versie) Werkgroep In Genesis

Wat is een ras? Waar komen de verschillende huidskleuren vandaan? Wat zijn de gevolgen van verkeerde uitgangspunten over het ontstaan van de ‘rassen’?
Zijn ‘zwarte’ mensen het gevolg van een vloek op Cham?

Volgens de Bijbel stammen alle mensen van vandaag af van de overlevenden van een wereldwijde overstroming, namelijk van Noachs gezin, die op hun beurt afstamden van Adam en Eva (Genesis 1-11). Er bestaan veel verhalen, uit verschillende delen van de wereld, over een grote overstroming waarbij slechts enkele mensen overleefden en vervolgens de aarde opnieuw bevolkten.

Maar vandaag de dag zien we vele verschillende mensengroepen, meestal ‘rassen’ genoemd, met schijnbaar zeer verschillende kenmerken. De meest opvallende hiervan is de huidskleur. Sommigen zien dit als een reden om aan de bijbelse verslaglegging van de geschiedenis te twijfelen. Zij geloven dat de verschillende groepen alleen ontstaan kunnen zijn doordat ze apart zijn geëvolueerd, gedurende tienduizenden jaren. Dit is echter niet af te leiden uit het bewijsmateriaal.

De Bijbel verhaalt ons hoe de bevolking die afstamde van Noachs gezin, één taal had en samenleefde en dat zij Gods bevel om de ‘aarde te vervullen’ (Genesis 9:1; 11:4) ongehoorzaam was. God verwarde daarom hun taal en dat veroorzaakte een opdeling van de bevolking in kleinere groepen die uitzwierven over de aarde (Genesis 11:8-9). Uit de moderne genetica blijkt dat na zo’n opdeling van een bevolkingsgroep, zich binnen een paar generaties al variaties in bijvoorbeeld huidskleur kunnen ontwikkelen. Er is voldoende feitenmateriaal voorhanden dat aantoont dat de verschillende bevolkingsgroepen die we vandaag kennen, nog niet heel erg lang van elkaar gescheiden zijn. [1]

Wat is een ‘ras’?

Men zou kunnen zeggen dat er feitelijk maar één ras bestaat: het menselijke ras. De Bijbel leert ons dat God ‘uit één bloede het ganse geslacht der mensen heeft gemaakt’ (Handelingen 17:26). De Schrift onderscheidt mensen in stam- of nationale groeperingen, en niet door huidskleur of lichamelijke kenmerken. Het is echter duidelijk dat er groepen mensen zijn die bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben (bijv. huidskleur), die hen onderscheiden van andere groepen. Wij spreken liever over ‘groepen’ dan ‘rassen’, om de evolutionaire en racistische implicaties te vermijden die verbonden zijn met het woord ‘ras’.

Alle volkeren kunnen onderling huwen en vruchtbare nakomelingen voortbrengen. Dit toont aan dat de biologische verschillen tussen de ‘rassen’ niet groot zijn. Feitelijk zijn de verschillen in DNA verwaarloosbaar. Het onderlinge verschil in DNA tussen twee mensen die waar dan ook op aarde leven, bedraagt slechts zo’n 0,2%. [2]

Hiervan kan maar in 6% een verband gevonden worden met raciale kenmerken; de rest is variatie ‘binnen het ras’.

Deze genetische eenheid betekent bijvoorbeeld dat blanke Amerikanen, hoewel ogenschijnlijk ver verwijderd van zwarte Amerikanen qua fenotype (uiterlijke kenmerken), in sommige gevallen een grotere weefselovereenkomst hebben dan zwarte Amerikanen onderling. [2

De oorzaken van variatie in het DNA tussen individuele mensen laten zien dat verschillen gebaseerd op uiterlijke kenmerken te verwaarlozen zijn. Deze genetische gelijkvormigheid betekent, dat bv. een blanke Amerikaan, hoewel ogenschijnlijk uiterlijk verschillend van een zwarte Amerikaan, in uiterlijke voorkomst, even zo goed een weefseldonor voor een zwart persoon kan zijn, als een andere zwarte Amerikaan.

Antropologen classificeren mensen in een klein aantal “rassengroepen”, zoals Kaukasisch (Europees of “blank”), de Mongoloïden (met inbegrip van de Chinezen, Inuit of Eskimo’s, en de Amerikaanse Indianen), de Negroïden (oftewel zwarte Afrikanen), en de Australoïden (de Australische Aborigines). Binnen iedere classificatie, kunnen er verschillende subgroepen zijn.

Vrijwel alle evolutionisten zijn het er nu over eens dat de verschillende volksgroepen geen afzonderlijke oorsprongen hebben gehad. Dat betekent dat in hun geloofssysteem de groepen niet ieder op zich evolueerden vanuit een verschillende groep dieren. Zij zullen het met creationisten eens zijn dat alle groepen mensen zijn voortgekomen uit dezelfde oorspronkelijke bevolkingsgroep. Wel gaan ze er vanuit zijn dat bijvoorbeeld de Australische Aboriginals en de Chinezen als groepering vele tienduizenden jaren van elkaar gescheiden zijn geweest.

De meeste mensen gaan er vanuit dat de verschillen tussen de groepen zo enorm zijn, dat daar wel tienduizenden jaren voor beschikbaar moeten zijn geweest, opdat deze verschillen op een of andere manier konden ontstaan. Mensen denken op die manier omdat zij geloven dat de verschillen voortkomen uit bepaalde unieke eigenschappen die sommige mensen bezitten in hun erfelijkheidspatroon, en die bij anderen ontbreken.

Dit is echter niet juist. Kijk maar eens naar de huidskleur. Het ligt voor de hand om te denken dat omdat bevolkingsgroepen een ‘gele’, ‘rode’, ‘zwarte’, ‘blanke of ‘bruine’ huidskleur kunnen hebben, er dus veel verschillende kleurpigmenten van de huid moeten zijn. Dit lijkt in eerste instantie een probleem te vormen omdat die verschillende pigmenten zouden wijzen op een andere genetische code in de erfelijke blauwdruk van elke bevolkingsgroep. Hoe zouden dan al deze verschillen zich hebben kunnen ontwikkelen in een relatief korte tijdsperiode?

Wij beschikken als mensen echter allen over hetzelfde pigment in onze huid, namelijk melanine. Dit is een donkerbruinachtig pigment dat in specifieke cellen zit, in onze huid. Als dat pigment volledig zou ontbreken, zouden we een erg bleke of roze huid hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval bij albino’s, die lijden aan een door mutaties veroorzaakt defect waardoor zij geen melanine kunnen aanmaken.

Als we maar een klein beetje melanine aanmaken, betekent dat dat we een bleke huidskleur hebben. Als onze huid veel melanine produceert, zullen we donkerbruin zijn. Daar tussenin bevinden zich dan al de schakeringen van bruin.

Eigenlijk bevat melanine twee pigmenten, die ook verantwoordelijk zijn voor de kleur van het haar. Eumelanine is sterk donkerbruin; feomelanine is roder. [3] De belangrijke factor in het bepalen van de huidskleur is melanine, zowel de hoeveelheid die aangemaakt wordt, als de onderlinge verhouding van de twee componenten. [4]

Kaukasische en Aziatische ogen verschillen door de hoeveelheid vetweefsel rond het oog.

Deze situatie geldt niet alleen voor de huidskleur. In het algemeen is er geen bevolkingsgroep die een bepaalde trek bezit en die compleet afwezig is bij een andere groep. Zo krijgt bijvoorbeeld het Aziatische of amandelvormige oog zijn expressie doordat het de beschikking heeft over een extra hoeveelheid vetweefsel. Zowel Aziatische als Kaukasische ogen bezitten vetweefsel, maar de eerstgenoemde soort heeft er gewoonweg wat meer van.

Melanine beschermt de huid tegen schade die wordt aangericht door ultraviolet licht van de zon. Als u er te weinig van hebt in een erg zonrijke omgeving, zult u snel te maken kunnen krijgen met verbranding en kans lopen op huidkanker. Bezit u veel melanine en leeft u in een land waar weinig zonneschijn voorkomt, dan is het voor u moeilijker om genoeg vitamine D op te doen voor uw lichaam (omdat het zonneschijn nodig heeft voor de productie daarvan in de huid). U kunt dan te maken krijgen met een tekort aan vitamine D, met als mogelijk gevolg de botziekte rachitis (Engelse ziekte).

Mensen worden niet geboren met een genetisch vastgelegde hoeveelheid melanine, maar eerder met een genetisch bepaald potentieel om een zekere hoeveelheid te maken, dat toeneemt als gevolg van de blootstelling aan zonlicht. In een Kaukasische gemeenschap zullen de mensen aan het begin van de zomer min of meer hetzelfde witte gezicht hebben als zij de winter binnenshuis doorgebracht hebben. Naarmate de zomer verstrijkt, zullen sommigen donkerder worden dan anderen, zelfs als zij net zo lang en even vaak zijn blootgesteld aan de zon.

Wanneer we het vanaf hier in dit boekje over verschillende kleuren zullen hebben, hebben we het in werkelijkheid over verschillende hoeveelheden van het pigment melanine.

Als iemand uit een erg donkere bevolkingsgroep met iemand huwt uit een erg lichte groep, zal hun nageslacht middelbruin zijn (ook wel mulat of kleurling genoemd). Het is al lang bekend dat wanneer kleurlingen met elkaar trouwen, hun nageslacht vrijwel elke kleur kan hebben, van zeer donker tot zeer licht. Het begrijpen van het bovenstaande kan ons helpen een antwoord te vinden op onze vraag, door in het volgende gedeelte een paar basisfeiten van de erfelijkheidsleer te beschouwen.

Erfelijkheid

Ieder van ons draagt in zijn lichaam informatie die ons beschrijft, net zoals de constructiespecificaties een jumbojet beschrijven. Dit bepaalt dat wij menselijke wezens zullen zijn, en geen koolrapen of krokodillen, en of we blauwe ogen zullen hebben, een korte neus, lange benen, enz. Wanneer een zaadcel een eicel bevrucht, is alle informatie hoe een persoon gebouwd zal zijn,reeds aanwezig (we laten hierbij omgevingsfactoren als lichamelijke oefening en eetgewoonten even buiten beschouwing). De meeste van deze informatie zit in codevorm in ons DNA. [5] Om een dergelijke codering te illustreren kun je denken aan een parelsnoer dat een boodschap in morse draagt (zie de tekening).

Een snoer met een eenvoudige reeks korte en lange steentjes (de punten en strepen in morse), en spaties, kunnen dezelfde informatie dragen als het Engelse woord ‘help’, dat geschreven wordt op papier. De hele Bijbel zou dus in morsecode gecodeerd kunnen worden op een snoer dat lang genoeg is.

Op een vergelijkbare manier is de menselijke blauwdruk in code (of taalinstructies) geschreven en die is te vinden op erg lange chemische snoeren, DNA genaamd. Dit is verreweg het meest efficiënte informatie-opslagsysteem dat bekend is, en het overtreft elke computertechnologie die maar bedacht kan worden. [6] Deze informatie wordt gekopieerd (en herschikt) van generatie tot generatie doordat mensen zich voortplanten.

Het woord ‘gen’ verwijst naar een klein gedeelte van die informatie die de instructies bevat, bijvoorbeeld voor slechts één type enzym. [7] Een eenvoudige manier om dit te begrijpen is om het te zien als een klein deeltje van dit ‘boodschapsnoer’ met enkel één specificatie erop.

Er bestaat bijvoorbeeld een gen dat de instructies draagt voor het maken van -hemoglobine, een van de proteïnen die betrokken zijn bij het transport van zuurstof in de rode bloedcellen. Indien dat gen beschadigd is door mutatie (zoals een kopieerfout bij een reproductie), zullen de instructies foutief zijn en zal er een mismaakte vorm van -hemoglobine gemaakt worden, als er al iets gemaakt wordt (bloedziekten zoals sikkelcelanemie en thalassemie zijn het gevolg van zulke vergissingen).

Maar waar komt de informatie, of anders gezegd, waar komen alle genen vandaan bij een eicel die zojuist bevrucht is? De ene helft komt van de vader (opgeslagen in de zaadcel) en de andere helft van de moeder (opgeslagen in de eicel). Genen komen in paren, dus in het geval van hemoglobine hebben we bijvoorbeeld twee code sets (instructies) voor hemoglobineaanmaak, één van de moeder en één van de vader.

Dit is een erg effectieve opzet, want als u een beschadigd gen erft van een van uw ouders, dan zou dat gen uw cellen zou kunnen instrueren een defect hemoglobinemolecuul te produceren. Maar van uw andere ouder zult u waarschijnlijk een normaal exemplaar krijgen die de juiste instructies blijft geven. En dus zal slechts de helft van het hemoglobine in uw lichaam defect zijn. (In feite draagt ieder van ons honderden kopieerfoutjes in het lichaam, geërfd van de ene of andere ouder, die op een effectieve manier worden gemaskeerd doordat we normale genen van de andere ouder krijgen.)

Huidskleur

Een ‘witte’ genencombinatie. Een ‘middelbruine’ genencombinatie. Een ‘zwarte’ genencombinatie

We weten dat huidskleur wordt bepaald door meer dan één paar genen. Laten we voor de eenvoud aannemen dat er slechts twee zijn [8], en dat deze geplaatst zijn op de posities A en B op de chromosomen. Het bepaalde gen ‘M’ ‘zegt’: maak melanine. Een andere vorm van het gen [9] ‘m’ ‘zegt’: maak slechts een beetje melanine. Op positie A zouden we een paar kunnen hebben zoals MAMA, MAmA of mAmA, [10] die de huidcellen zou instrueren om respectievelijk een grote, gemiddelde of kleine hoeveelheid melanine aan te maken. Op dezelfde manier kunnen we op positie B de genenparen MBMB, MBmB of mBmB hebben die de cellen instrueren om respectievelijk een grote, gemiddelde of kleine hoeveelheid melanine aan te maken. Zo kunnen erg donkere mensen MAMAMBMB hebben bijvoorbeeld. Omdat zowel de zaadcellen als de eicellen van zulke mensen enkel MAMB kunnen zijn (vergeet niet dat slechts één van elk A- of B-paar naar elke zaadcel of eicel gaat), kunnen zij alleen kinderen voortbrengen met exact dezelfde genencombinatie als zijzelf. Dus zullen de kinderen allen erg donker zijn. Overeenkomstig kunnen erg lichte mensen, met mAmAmBmB, alleen kinderen krijgen die getint zijn als zijzelf.

 

Laten we eens kijken welke combinaties zouden voortkomen uit ouders met bruine huidskleur, kleurlingen, of MAmAMBmB (de nakomelingen van een MAMAMBMB en mAmAmBmB eenheid). We kunnen dat doen aan de hand van een zogenaamd ‘punnet-diagram’ wordt genoemd (zie figuur 5). De linkerkant laat de vier verschillende mogelijke gencombinaties zien in de zaadcellen van de vader, en bovenaan de mogelijke combinaties in eicellen van de moeder. Als we een bepaald zaadcel-gencombinatie lokaliseren en de rij volgen tot de kolom onder de eicel-gencombinatie waar we moeten zijn (zoals een locatie vinden op een wegenkaart) dan vinden we de genetische samenstelling van het nageslacht, van de vereniging van die bepaalde zaadcel en eicel. Een MAmB-zaadcel en een mAMB-eicel, zouden samen bijvoorbeeld een kind voortbrengen met MAmA-MBmB, precies hetzelfde als de ouders. De andere mogelijkheden betekenen dat vijf niveaus van melanine kunnen leiden tot verschillen in het nageslacht van zo’n kleurlingenhuwelijk, zoals ruwweg aangegeven door de zwart-wit schakeringen in de velden van het diagram.

We zien dat een reeks van ‘kleuren’, van erg licht tot erg donker, in slechts één generatie kan ontstaan, als we beginnen met dit specifieke type van ‘middelbruine’ ouders. Indien donker gekleurde mensen met MAMAMBMB, die helemaal niet meer over genen voor ‘lichtheid’ beschikken, zouden huwen en migreren naar een plaats waar hun nageslacht geen mensen zouden kunnen huwen met mensen van een lichtere kleur, dan zouden al hun afstammelingen consistent een erg donkere kleur hebben.

Indien lichtgekleurde mensen met mAmAmBmB, die geen genen bezitten voor een donkere huid, zouden huwen en migreren naar een plaats waar hun nakomelingen niet kunnen huwen met donkerder mensen, dan zouden al hun afstammelingen consistent van een zeer lichte kleur zijn. Zij zouden niet langer in staat zijn om donkergekleurde nakomelingen te hebben omdat zij de genen missen voor het aanmaken van extra melanine.

Het is dus vrij eenvoudig als we beginnen met twee middelbruine ouders, om niet alleen al de kleuren, maar ook hele bevolkingsgroepen te krijgen met permanent verschillende gradaties van kleuring.

Maar wat valt er dan te zeggen over bevolkingsgroepen die permanent ‘middelbruin’ zijn, zoals we vandaag zien? Dit kan eveneens gemakkelijk verklaard worden. Indien deze mensen met MAMAmBmB of mAmAMBMB niet langer huwen met verschillende

groepen, zullen zij slechts in staat zijn om alleen middelbruine kinderen te krijgen. (U zou dit zelf kunnen uitwerken met uw eigen punnet-diagram).

Als deze groeperingen opnieuw zouden kruisen met andere groeperingen, dan zou het proces omgekeerd kunnen worden. In een korte tijd zouden hun afstammelingen een hele reeks kleurschakeringen vertonen, dikwijls in hetzelfde gezin. De foto in figuur 6 toont wat genoemd werd de ‘Britse verbazingwekkende tweeling’. Het ene kind is duidelijk erg licht van kleur, het andere duidelijk donker.

Dit is helemaal niet verwonderlijk wanneer u de oefening op papier doet, gebaseerd op wat beschreven is. (Een tip als u het wilt proberen: de moeder kan niet MAMAMBMB zijn). Het is duidelijk dat de tweeling ook niet identiek is en dus niet uit hetzelfde embryo (monozygoot) komen, omdat ze beiden anders dezelfde genen en kleur zouden hebben.

‘Punnet-diagram’ toont de mogelijke nakomelingen van ‘middelbruine’ ouders.

 

 

Indien alle mensen op aarde vrijelijk onderling zouden huwen, en dan zouden opsplitsen in willekeurige groepen die op zichzelf zouden blijven, dan zou er een hele nieuwe groep van combinaties kunnen opduiken. Dan zou het mogelijk zijn om amandelogen te hebben met een zwarte huid, blauwe ogen met zwart kroeshaar, enz. Hierbij moet niet vergeten worden dat de manier waarop genen tot uitdrukking komen, veel complexer blijkt te zijn dan dit vereenvoudigde figuur. Soms zijn bepaalde genen aan elkaar verbonden. Hoe het ook zij, het principe blijft. Zelfs vandaag de dag blijkt dat we goed beschouwd binnen een bepaalde bevolkingsgroep dikwijls een kenmerk zullen zien dat normaal wordt geassocieerd met een andere groep. We zullen bijvoorbeeld soms een Europeaan zien met een brede platte neus, of een Chinees met Kaukasische ogen. De meeste biologen zijn het er nu over eens dat de term ‘ras’ weinig of geen biologische betekenis heeft. Dit is een sterk argument tegen de opvatting dat de bevolkingsgroepen over lange perioden afzonderlijk geëvolueerd zijn.

Wat gebeurde er echt?

We kunnen nu de ware geschiedenis reconstrueren van de ‘bevolkingsgroepen’, met gebruikmaking van:

  • De informatie door de Schepper Zelf gegeven in de Bijbel, in het boek Genesis.
  • De achtergrondinformatie die we hierboven besproken hebben.
  • Enige aandacht voor de effecten van de omgeving.

De eerste mens die geschapen is, Adam, van wie alle andere mensen afstammen, werd geschapen met de best mogelijke combinatie genen bijvoorbeeld voor huidskleur. Een lange tijd na de schepping vernietigde een wereldomvattende overstroming alle mensen, behalve Noach, zijn vrouw en zijn drie zoons met hun drie vrouwen. Deze overstroming veranderde de omgeving sterk. Daarna beval God de overlevenden om zich te vermenigvuldigen en zich over de aarde te verspreiden (Genesis 9:1).
Honderd jaar later kozen de mensen ervoor God ongehoorzaam te zijn en wilden verenigd blijven door het bouwen van een grote stad, met de toren van Babel als het brandpunt van hun opstandige godsdienst.

Uit Genesis 11 leren we dat de mensen in die tijd slechts één taal spraken. God veroordeelde de ongehoorzaamheid van de mensen door de mensheid te forceren verschillende talen te spreken, zodat zij niet konden samenwerken tegen God. Zo werden zij gedwongen om zich te verstrooien over de aarde, zoals God het had bedoeld.

Op deze manier zijn sindsdien alle ‘bevolkingsgroepen’ – Afrikanen, Indo-Europeanen, Sino-Aziaten, en andere – ontstaan.

Noach en zijn gezin waren waarschijnlijk middelbruin, met genen voor zowel donkere als lichte huid, omdat een medium huidskleur het meest algemeen geschikt is (donker genoeg om te beschermen tegen huidkanker, licht genoeg voor het aanmaken van vitamine). Omdat alle factoren voor huidskleur in Adam en Eva aanwezig waren, moeten zij hoogstwaarschijnlijk ook middelbruin geweest zijn, met bruine ogen en bruin (of zwart) haar. In feite is de meerderheid van de wereldbevolking vandaag nog steeds middelbruin.

Na de zondvloed en tot het moment van Babel was er slechts één taal en één cultuurgroep. Er waren dus geen barrières om te huwen binnen deze groep. Hierdoor zou de huidskleur van de bevolking de neiging hebben gehad om weg te blijven van de extremen. Een zeer donkere en zeer lichte huid zou wel voorgekomen zijn, maar mensen die in de ene of de andere richting neigden, waren vrij om te huwen met iemand die minder donker of lichter was dan zijzelf, en zo zou de gemiddelde kleur min of meer dezelfde zijn gebleven.

Hetzelfde zou hebben gegolden voor andere karakteristieken en niet slechts de huidskleur. Onder die omstandigheden zouden er geen grote uiterlijke verschillen ontstaan. Dit geldt, zoals iedere bioloog weet, voor zowel dierlijke als menselijke populaties. Om verschillende van elkaar gescheiden lijnen te verkrijgen, is het nodig om een grote groep op te delen in kleinere groepen, ze te isoleren en onderlinge voortplanting te verhinderen.

De effecten van Babel

Het nu volgende gebeurde in Babel (Genesis 11): Nadat de afzonderlijke talen waren opgelegd waren er ogenblikkelijk barrières. Niet alleen zouden mensen niet langer geneigd zijn te trouwen met iemand die ze niet verstonden, maar hele groepen die eenzelfde taal spraken, zouden het moeilijk gehad hebben om een band te hebben met, en vertrouwen te hebben in degenen die zij niet konden verstaan. Zij zouden geneigd zijn, of gedwongen worden, om weg te trekken van elkaar, naar verschillende gebieden. Dit was uiteraard wat God van plan was, namelijk ‘het vervullen van de aarde’. Het ontstaan van uiterlijke verschillen tussen verschillende groepen is dan ook niet meer dan een bijverschijnsel.

Het is onwaarschijnlijk dat elke kleine groep dezelfde brede reeks van huidskleuren in zich zou hebben gedragen als de oorspronkelijke, grotere groep. Zo kon de ene groep gemiddeld meer donkere genen gehad hebben, terwijl een andere groep over meer lichte genen beschikte. Hetzelfde zou gebeurd zijn met andere karakteristieken, zoals de vorm van de neus, de ogen, enz. En omdat zij slechts binnen de eigen taalgroep onderling huwden, zou deze neiging niet langer door het gemiddelde worden uitgefilterd, zoals voordien.

Toen deze groepen wegtrokken uit Babel, kwamen zij terecht in nieuwe en verschillende klimaatzones. Dit zou ook het evenwicht van overgeërfde factoren in de populatie hebben beïnvloed. Laten we als voorbeeld eens kijken naar mensen die verhuisden naar koude gebieden met weinig zonlicht. In die gebieden zouden de donkerkleurige leden van elke groep niet in staat geweest zijn om genoeg vitamine D te produceren, en zouden zij dus minder gezond zijn en minder kinderen krijgen. Het besef dat in deze omgeving een lichtere huid een voordeel was, zou ook hebben kunnen leiden tot een duidelijke voorkeur voor lichter gekleurde huwelijkspartners, en zo een genetische verandering in de populatie hebben versneld.

Na verloop van tijd zouden dan de lichtgekleurde leden de overhand krijgen. Als vele verschillende groepen zich naar zo’n gebied zouden verplaatsen, en een bepaalde groep maar weinig genen zou dragen die leiden tot een lichte kleur, dan zou deze groep na een tijd kunnen uitsterven. Deze ‘natuurlijke’ selectie betreft om de karakteristieken die reeds aanwezig waren, en heeft niet te maken met het ontstaan van iets nieuws.

Het is interessant te zien dat de Neanderthalers van Europa – een uitgestorven variëteit van de mens die inmiddels als een volkomen menselijk wezen wordt gezien – aanwijzingen vertonen van een tekort aan vitamine D in hun botten. Het was dit feit, plus een grote dosis evolutionair vooroordeel, dat ertoe geleid heeft dat zij een lange periode zijn geclassificeerd als ‘aapmensen’. Het is daarom aannemelijk te veronderstellen dat zij hoorden tot donkergekleurde bevolkingsgroepen die ongeschikt waren voor de omgeving waarnaar zij verhuisden vanwege de huidskleurgenen die zij reeds bezaten. Bedenk dat deze natuurlijke selectie, zoals dit genoemd wordt, geen nieuwe huidskleuren voortbrengt, maar zich slechts beweegt binnen het reeds geschapen vermogen tot het maken van huidpigment die reeds aanwezig is.

Omgekeerd konden lichtgekleurde mensen in erg zonnige streken gemakkelijk aangetast worden door huidkanker, en daardoor zouden mensen met een donkere huidskleur eerder overleven en in zulke gebieden de overhand krijgen.

De Britse ’wonderbaarlijke tweeling.’

We zien dus dat de invloed van de omgeving (a) het evenwicht van genen binnen een groep kan beïnvloeden, en (b) zelfs hele groepen kan elimineren. Dit is voor een belangrijk deel de reden waarom wij de aanpassing van karakteristieken zien aan de omgeving (bijv. volken in noordelijke streken met een lichte huid, volken rond de evenaar met een donkere huid).

Maar dit is niet altijd zo. De Inuit (Eskimo’s) hebben een bruine huid, maar ze leven in streken met weinig zonlicht. Vermoedelijk bezitten ze een genetische opmaak als MAMAmBmB waardoor het niet mogelijk is een lichtere huidskleur te produceren. Aan de andere kant hebben inheemse Zuid-Amerikanen, die aan de evenaar leven, geen zwarte huid. Deze voorbeelden bevestigen dat natuurlijke selectie geen nieuwe informatie doet ontstaan. Als de genetische opmaak van een groep mensen geen variatie toestaat in kleur in de richting van de ‘meest geschikte’, dan kan natuurlijke selectie zo’n variatie niet creëren.

Pygmeeën leven in een erg warme streek, maar hoewel zij zelden zijn blootgesteld aan sterke zonneschijn in hun dichte oerwoudomgeving, hebben zij toch een donkere huid. Pygmeeën zijn een goed voorbeeld van een andere factor die de raciale geschiedenis van de mens heeft beïnvloed, namelijk discriminatie. Indien er een variatie vanuit het normale optreedt – bijv. een zeer bleek persoon bij een donker volk – dan wordt historisch gezien die persoon gewoonlijk als abnormaal beschouwd en niet geaccepteerd. Daarom zal zo iemand het moeilijk hebben om een huwelijkspartner te vinden. Op deze manier hadden sommige groepen de neiging zichzelf te ‘zuiveren’. Ook kunnen in sommige gevallen kruisingen binnen een kleine groep enkele algemeen voorkomende ongewone eigenschappen accentueren, die anders ten onder gegaan zouden zijn door voortdurende gemengde huwelijken. Er is een stam in Afrika waarvan de leden allen sterk vervormde voeten hebben als gevolg van deze inteelt. Om terug te keren naar de Pygmeeën: indien mensen gediscrimineerd worden, die genen bezitten die bepalen dat ze klein van gestalte blijven, en een groep van hen zou wegvluchten naar het diepe oerwoud, dan zullen hun onderlinge huwelijken vanaf dan een Pygmee-‘ras’ voortbrengen. Het feit dat Pygmeestammen nooit hun eigen taal hebben, maar dialecten spreken van naburige stammen die geen Pygmeeën zijn, bevestigt dit.

De gevolgen van keuze

Bevolkingsgroepen die reeds uitgerust waren met bepaalde karakteristieken, zouden weloverwogen (of halfoverwogen) keuzes gemaakt kunnen hebben over de omgeving waar zij naartoe migreerden. Zo zouden mensen met genen voor een dikkere, beschermende laag vetweefsel onder hun huid, ertoe neigen gebieden te verlaten waar het oncomfortabel heet is.

Andere bewijzen

Het bewijsmateriaal voor het bijbelse verslag over de oorsprong van de mens is meer dan alleen van biologische en genetische aard. Omdat alle mensen afstammen van Noachs gezin en dat relatief niet zo lang geleden, zouden we verbaasd zijn als er niet in verhalen en legenden van vele bevolkingsgroepen een of andere herinnering zou bestaan aan zo’n catastrofale gebeurtenis, mogelijk misvormd door de tijd en het navertellen. Feit is dat er een overweldigend aantal culturen is die inderdaad een overgeleverd verhaal bezitten van een wereldverwoestende overstroming. Dikwijls vertonen deze verhalen treffende parallellen met het ware, oorspronkelijke verslag (acht mensen, gered in een boot, een regenboog, het uitsturen van vogels, en meer).

Samenvattend

De verspreiding vanuit Babel en de verdeling van een grote groep die zich onderling voortplantte, tot kleine groepen die zich onderling voortplantten, zorgde ervoor dat de uiteindelijke groepen een verschillende mengeling van genen bezitten, gericht op verschillende lichamelijke kenmerken. Bovendien zal de selectiedruk die de omgeving uitoefende, er mede toe geleid hebben, dat bepaalde gencombinaties eerder zouden hebben overleefd, zoals de genen voor donkere huidskleuren bij mensen in de tropen.

Er was geen sprake van evolutie die liep van eenvoudig-tot-complex, van welke gen dan ook, omdat alle genen al aanwezig waren. De dominante kenmerken van de verschillende bevolkingsgroepen zijn het gevolg van verschillende combinaties van genen die voor die tijd al bestonden en geschapen waren. Daarnaast speelden enkele kleine veranderingen in de richting van degeneratie ook een rol. Deze veranderingen zijn veroorzaakt door mutaties (wijzigingen die per ongeluk optreden en die overerft kunnen worden). De oorspronkelijk geschapen genetische informatie is gesorteerd, herschikt of gedegenereerd. Maar in ieder geval is er geen informatie toegevoegd.

Racisme: een gevolg van verkeerde uitgangspunten
over het ontstaan van de rassen

Een van de belangrijkste argumenten waarmee rassendiscriminatie in recente tijden gerechtvaardigd is, is het idee dat bevolkingsgroepen zich in een verschillend stadium van evolutie bevinden omdat beweerd wordt dat zij afzonderlijk zijn geëvolueerd. Sommige groepen zouden dus minder ontwikkeld zijn dan andere. Een gevolg hiervan is dat een ander dus niet minder volwaardig mens zou zijn dan u. Dit soort denken inspireerde Hitler in zijn poging om joden en zigeuners te elimineren, en om een ‘heersersras’ te vestigen. Het is triest dat sommige christenen door evolutionaire indoctrinatie geïnfecteerd zijn met de racistische gedachte dat mensen van een andere ‘kleur’ inferieur zouden zijn, omdat zij verondersteld worden dichter bij de dieren te staan. Zulke zienswijzen zijn compleet onbijbels (b.v. Handelingen 17:26; Kolossenzen 3:11), hoewel vaak bijbelverzen uit hun context zijn gelicht en worden gebruikt om zulke racistische zienswijzen te rechtvaardigen. (zie Zijn ‘zwarte’ mensen het gevolg van een vloek op Cham?, verderop).

Alle stammen en naties stammen af van Noachs familie!

rassen

Het is vanuit de Bijbel duidelijk dat elke nieuw ‘ontdekte’ stam niet gezien moet worden als een bevolkingsgroep die nooit enige hoogwaardige technologie of kennis van God heeft gehad in zijn cultuur. Het is eerder zo dat hun cultuur (teruggaand tot Noach) begonnen is met (a) een kennis van God, en (b) een technologie die de mensen ten minste in staat stelde om een ark te maken met de afmetingen van een oceaanstomer. Als we kijken naar de oorzaak waarom de kennis van de technologie is verloren gegaan en waarom hun cultuur gedegenereerd is, (zie hieronder: Mensen uit het ‘stenen tijdperk’?), zien we dat Romeinen 1 erop wijst dat de degeneratie mogelijk veroorzaakt is omdat hun voorouders God hebben afgewezen.

Bij pogingen om te helpen het lot te verbeteren van verarmde stammen vormen de animistische taboes een van de grootste obstakels. Zo is er bijvoorbeeld een stamvolk in de Filippijnen dat zich niet wil wassen, omdat de mensen geloven dat boze geesten in het water leven. Er komen onder deze mensen veelvuldig ziekten voor. Men denkt dat de gewassen niet groeien omdat de geesten niet bevredigd zijn, en niet omdat de teler naliet het onkruid te wieden, of ziekten en plagen te bestrijden. De eerste prioriteit is dus om deze mensen door het Evangelie te bevrijden van zulke gebondenheden. Onderwijs en technologie alleen zullen hen niet helpen.

De meeste stamvolken bezitten nog steeds een herinnering in hun folklore en religie van het feit dat hun voorouders zich hebben afgekeerd van de levende God, de Schepper. Vanaf dat moment leven zij in angst voor boze geesten.

Jezus Christus, Gods verzoening tegenover de menselijke afwijzing van de Schepper, is de enige waarheid die mensen van elke cultuur, technologie, volksgroep of ‘kleur’ daadwerkelijk kan vrijmaken (Johannes 8:32; 14:6).

Zijn ‘zwarte’ mensen het gevolg van een vloek op Cham?

Het bovenstaande gedeelte heeft duidelijk aangetoond dat de donkere huid, bij bijvoorbeeld van Afrikanen, louter een kwestie is van een bepaalde combinatie van overgeërfde factoren. Dit betekent dat deze factoren zelf, hoewel niet in dezelfde combinatie, oorspronkelijk ook aanwezig waren in Adam en Eva. Het idee dat de huidskleur van ‘zwarte’ mensen een gevolg is van een vloek op Cham en zijn afstammelingen wordt nergens in de Bijbel geleerd. Bovendien was het niet Cham die vervloekt werd maar zijn zoon Kanaän (Genesis 9:18, 25; 10:6), en Kanaäns afstammelingen waren waarschijnlijk middelbruin van huidskleur (Genesis 10:15-19). Foutief onderwijs over Cham is gebruikt om slavernij en andere niet-bijbelse racistische zienswijzen te rechtvaardigen. Traditioneel wordt er vanuit gegaan dat de Afrikaanse naties grotendeels Chamitisch zijn, omdat van de Kushieten (Kush was de zoon van Cham: Genesis 10:6) wordt gedacht dat zijn leefden in de omgeving waar op dit moment het land Ethiopië ligt. Genesis suggereert dat de verspreiding langs familielijnen gebeurde, en het kan zijn dat de afstammelingen van Cham gemiddeld donkerder waren dan, laten we zeggen die van Jafeth. Het zou echter ook net zo goed andersom kunnen geweest zijn.

Rachab, vernoemd in de genealogie van Jezus in Mattheüs 1, was een Kanaänitische. Deze afstammelinge van Cham moet getrouwd geweest zijn met Salmon, een Israëliet (Mattheüs 1:5). Omdat dit een verbintenis was die God goedkeurde, laat dit zien dat het bepaalde ‘ras’ waaruit zij voortkwam, niet belangrijk is geweest. Het enige van belang was is dat zij vertrouwde op de ware God van Israël (Jozua 2:11). Ruth, een Moabitische, komt ook voor in de genealogie van Christus. Zij beleed haar geloof in de ware God al voordat zij huwde met Boaz (Ruth 1:16). De enige huwelijksverbinding waar God niet mee instemt, is die van christenen met niet-christenen (2 Korinthiërs 6:14). [11]

Mensen uit het ‘stenen tijdperk’?

Archeologie toont aan dat er ooit mensen waren die in grotten woonden en eenvoudige stenen gereedschappen gebruikten. Er bestaan vandaag nog steeds mensen die hetzelfde doen. We hebben de redenen beschouwd waarom alle mensen afstammen van Noach en zijn familie. Genesis geeft aan dat er vóór de zondvloed ten minste voldoende technologie voorhanden was om muziekinstrumenten te maken, om aan landbouw te doen, ijzer te smeden, steden te bouwen en een grote zeewaardige ark te bouwen. Na de verspreiding vanuit Babel hebben de vijandelijkheden als gevolg van de nieuwe talen er mogelijk voor gezorgd dat sommige groepen zich behoorlijk snel hebben verspreid en zo gedwongen werden om waar en wanneer ze maar konden, onderdak te vinden.

In sommige gevallen kunnen stenen werktuigen eenvoudig wijzen op een vestigingsfase. Het kostte tijd om nederzettingen volledig te vestigen en om bijvoorbeeld metaalafzettingen te vinden en tot exploitatie te brengen. In andere gevallen kan het zo zijn dat de oorspronkelijke migrerende groep niet alle kennis met zich meegebracht had. Vraag een gemiddelde familiegroep vandaag hoeveel van hen, als zij als het ware een nieuw begin hadden moeten maken, zouden weten hoe zij een mijn moeten vinden, en hoe metaal te smelten uit ertsgesteente? Het is duidelijk dat er een technologische (culturele) degeneratie is geweest in vele groepen die leefden na de tijd van Babel.

In sommige gevallen zouden de moeilijke leefomstandigheden hiertoe hebben bijgedragen. De Australische Aboriginals bezitten een technologie en culturele kennis die geschikt is voor hun leefstijl in semi-woestijngebieden.

Soms zien we aanwijzingen van degeneratie die moeilijk zijn uit te leggen, maar die desalniettemin toch echt zijn. Toen bijvoorbeeld de Europeanen voor het eerst in in Tasmanië kwamen, hadden de Aborigines niet meer dan de meest eenvoudige technologie tot hun beschikking. Zij vingen geen vis en maakten en droegen gewoonlijk geen kleren. Maar recente archeologische ontdekkingen wijzen erop dat vroegere generaties meer kennis en materiaal tot hun beschikking hadden.

Zo heeft de archeoloog Rhys Jones bewijzen gevonden dat Tasmaanse Aborigines ooit instrumenten hadden om huiden te naaien en hiervan meer complexe kleding te maken dan de vellen waarmee zij zich in de vroege 19de eeuw gewoon waren te kleden, en die simpelweg over hun schouders geslagen werden. En klaarblijkelijk vingen en aten zij in het verleden ook vis, maar op het moment dat de Europeanen arriveerden, hadden ze dit al lange tijd niet meer gedaan. [12], [13] Hieruit valt te concluderen dat technologie inderdaad verloren kan gaan of genegeerd kan worden, en dat het niet altijd wordt vastgehouden en men erop verder bouwt.

 


Referenties en aantekeningen

[1] Van de wereldwijde variaties in mitochondriële DNA (het ‘Mitochondriële Eva’-verhaal) werd beweerd dat het aan te tonen zou zijn dat alle mensen die vandaag leven, terug te voeren zouden zijn tot één gemeenschappelijke moeder die in een kleine groep leefde, ergens 70.000 tot 800.000 jaar geleden,. Recente ontdekkingen die meer zicht bieden op de frequentie van mitochondriële DNA-mutaties, hebben deze periode drastisch ingekort, zodat ze nu vallen binnen het bijbelse tijdsbestek. Zie Loewe, L., en Scherer, S., 1997. Trends in Ecology and Evolution 12(11):422–423; Wieland, C., 1998. CEN Technical Journal 12(1):1–3.
[2] Gutin, J.C., 1994. Discover, november, pp. 72–73.
[3] Mensen worden bruin wanneer het zonlicht de aanmaak van eumelanine stimuleert. Roodharigen, die dikwijls niet in staat zijn een beschermende bruining te ontwikkelen, bezitten een grote hoeveelheid feomelanine. Zij hebben mogelijk een defect gen geërfd en daardoor zijn hun pigmentcellen ‘niet in staat om te reageren op normale signalen die de eumelanineproductie stimuleren’. Zie Cohen, P., 1995. New Scientist 147(1997):18.
[4] Andere stoffen kunnen op kleinere schaal de huidverkleuring beïnvloeden, zoals de gekleurde vezels van het proteïne elastine en het pigment caroteen. Maar ook hier geldt dat alle mensen dezelfde componenten delen, en de principes die hun overerving besturen zijn dezelfde als de principes die hierboven geschetst werden voor melanine. Andere factoren in de huid kunnen de kleur subtiel beïnvloeden, zoals de dikte van de huidlagen, de dichtheid en positie van de capillaire bloedvaten, enz.
[5] Het meeste van dit DNA zit in de nucleus (kern) van iedere cel, maar een deel ervan zit in de mitochondriën, die zich buiten de nucleus bevinden in het cytoplasma. Een zaadcel draagt bij bevruchting van een eicel nucleair DNA bij. Mitochondriaal DNA komt alleen van de moeder, via de eicel.
[6] Gitt, W., 1997. Dazzling design in miniature. Creation 20(1):6.
[7] Het is onvoorstelbaar dat hetzelfde stuk DNA soms verschillend kan worden ‘gelezen’, en zo meer dan één functie kan hebben. De creatieve intelligentie achter zoiets is verbazingwekkend.
[8] Deze vereenvoudiging helpt deze zaak niet – hoe meer genen er zijn, des te gemakkelijker is het om een reusachtige reeks ‘verschillende’ kleuren te krijgen. Echter, het principe waar het om gaat, kan beter begrepen worden door als voorbeeld slechts twee genen te gebruiken.
[9] Een variante vorm van hetzelfde gen wordt een ‘allel’ genoemd.
[10] Voor de technici onder ons: dit type van genetische expressie, waar beide leden van het genenpaar bijdragen aan een effect, wordt co-dominantie genoemd.
[11] Ham, K., 1999. Creation 21(3):22–25.
[12] Jones, R., 1987. Australian Geographic, Nr. 8, (okt.-dec.), pp. 26–45.
[13] Jones, R., 1977. The Tasmanian paradox. In: Wright, R.S.V. (uitg.), Stone Tools as Cultural Markers

 

 

Send this to friend

Spring naar werkbalk