Beperkte kennis
december 24, 2015
Wat ik niet wil, dat doe ik
december 28, 2015
Show all

Vierde brief van John Newton aan een edelman. Februari, 1772.

Mijn heer!

Ik heb misschien wel een kwartier gezeten, met de pen in mijn hand, en de vinger op mijn bovenste lip, om te bedenken hoe ik mijn brief zou beginnen. Een opgave van verwarde en niet samenhangende gedachten, die als de één na de andere door mijn geest zijn gegaan, zouden meer dan dit blad hebben nodig gehad; maar uw Lordschaps geduld, en zelfs uw gunst naar de schrijver, zou hiermee op de proef gesteld worden, als ik die allemaal op papier zou opschrijven. Uiteindelijk deed de twijfel waarin ik was, mij denken aan de woorden van de Apostel, Gal. 5 : 17 , Gij’ kunt niet doen, hetgeen gij wilt. Dit is een vernederende, maar een juiste beschrijving van het vermogen van een Christen in dit leven, en deze woorden passen net zo goed op de sterkste, als op de zwakste. De zwakste hoeft niets minder te zeggen; de sterkste zal nauwelijks meer durven zeggen. De Heere heeft Zijn volk een begeerte en een wil gegeven, dat uitziet naar grote dingen; zonder dit, zouden zij de naam van Christen onwaardig zijn. Maar zij kunnen niet doen wat zij, zo graag willen; hun beste begeerten zijn zwak en krachteloos —niet volkomen, want Hij die het willen in hen werkt, maakt hen ook enigermate bekwaam om het te volbrengen; in vergelijking van het doel ‘dat zij op het oog hebben. Zodat, terwijl zij grote reden hebben om dankbaar te zijn voor de begeerte, die Hij in hen gelegd heeft, en voor de mate waarin zij gedaan wordt, zij ook reden hebben om zich te schamen en te verootmoedigen, onder een besef van hun gedurige gebrek, en van het zondige, waardoor hun beste pogingen besmet en bedorven worden. Het zou niet moeilijk zijn, een hele reeks van bijzonderheden op te noemen, die een gelovige zou doen , als hij kon, maar waartoe hij zich, van de eerste tot de laatste toe, zichzelf jammerlijk tekort ziet schieten. Laat mij toe, er enkele te noemen, die ik niet uit een boek hoef over te schrijven, terwijl ze toch altijd  in mijn gedachten aanwezig zijn. ’

Zo wil een Christen graag God genieten, in de oefening van het gebed — want hij weet, dat het gebed zijn plicht is, maar in zijn verstand beschouwt hij het bovendien, als zijn grootste eer en voorrecht. In dit licht bezien kan hij het anderen aanbevelen, en hun vertellen van ‘de wonderbare nederbuiging van de Allerhoogste, die niet alleen zo laag bukt, en acht wil slaan op de dingen die in de hemel zijn, maar nog veel lager, en zó laag zelfs, dat Hij een gunstig oor wil lenen aan de smekingen van zondige wormen op aarde. Hij kan hen aanmoedigen, om in het nadere tot de Heere een vermaak te verwachten, verschillend van aard, en in een veel grotere mate, dan alles wat de wereld ooit kan bieden. Hij zal tegen u zeggen: In het gebed hebt u de vrijheid om al uw zorgen te werpen op Hem, die voor u zorgt; in een uur van een gemeenzame toegang tot de troon der genade, wanneer de Heere Zijn heerlijkheid voorbij de ziel die Hem zoekt, wil laten gaan , kunt u meer ware geestelijke kennis en troost ontvangen, dan door een dag of een week met de beste mensen te verkeren, of het ernstig lezen van veel grote boeken. En in dit licht wil hij het ook graag voor zichzelf zo zien, en er gebruik van maken. Maar ach, helaas! hoe zelden kan hij doen hetgeen hij wil! Hoe dikwijls vindt hij dit voorrecht een lastige taak, die hij graag, door een goedkope verontschuldiging, zou willen nalaten! en het voornaamste genoegen, dat hij, na het volbrengen, vindt, is dat hij denkt dat hij zijn taak heeft afgedaan — hij is tot God genaderd met zijn lippen, terwijl zijn hart verre van Hem was 1). Zeker, dit is niet, te doen hetgeen hij wilde, wanneer hij — om maar eens de uitdrukking van een oude vrouw hier, te gebruiken — voor God gesleept wordt als een slaaf, en wegsluipt als een dief.

Hetzelfde mag men zeggen van het lezen van de heilige Schrift. Hij gelooft, dat de Bijbel het Woord van God is; hij bewondert de wijsheid en genade, die zich in haar leerstukken openbaren, alsmede de schoonheid van haar voorschriften, en de volheid en gepastheid van haar beloften. En daarom acht hij ze, met David, beter dan duizenden van goud of zilver, en zoeter dan honig of honigzeem. maar nochtans, terwijl hij er zo over denkt, en begeert dat dit Woord rijkelijk in hem zal wonen, en verlangd om deze hemelse zaken dag en nacht te overdenken, kan hij echter niet doen hetgeen hij wil. Hij heeft een zekere mate van standvastigheid nodig, om op elke dag een gedeelte uit de Bijbel te lezen; en dan nog wordt zijn hart er menigmaal minder door getroffen, dan wanneer hij een niets betekenend opstel zou lezen. En hier verandert wederom niet zelden zijn voorrecht in een lastige taak. Zijn smaak is bedorven, zodat het zielevoedsel hem maar weinig bevalt.

Hij zou zo graag een blijvend en zielverrukkend gezicht hebben, van de Persoon en de liefde van de ‘Heere Jezus. Hij verblijdt zich in alles wat hem aanleiding geeft om aan zijn Verlosser te denken; en met dit inzicht blijft hij aanhouden in zijn pogingen om te bidden en te lezen, en in het waarnemen van de openbare Godsdienst. Maar wederom, weerzin. Met hoeveel recht hij ook als een dankbaar en gevoelig mens, ten aanzien van zijn medeschepselen, gezien mag worden; hij moet met smart belijden, dat hij omtrent zijn beste Vriend en Weldoener zeer ondankbaar en onverschillig is.


 1) Hij is tot God genaderd met zijne lippen, terwijl zijn hart verre van Hem was. — Deze spreekwijs is bij den Profeet Jesaja 29 vers 13, een afbeelding van volslagen huichelaren; men moet derhalve deze en soortgelijke gezegden, in het vervolg meermalen voorkomende, niet opvatten in een onbepaalde zin, maar in zover als die zonde, die in onherboren mensen heerschappij voert , de godvruchtigen , tegen hun wil en heersende toeleg, nog blijft aankleven, maar waartegen zij oprecht strijden, en over welke zij zich, gelijk hier, bij God en mensen ernstig beklagen. Een onbekeerd mens, die de zonde vrijwillig en met genoegen dient, zou dus te vergeefs een dekmantel daarvoor ontlenen, uit de overgebleven gebreken en zwakheden van Gods kinderen.


 Ach! hoe kunnen nietige kleinigheden Hem dikwijls uit onze gedachten sluiten, van wie wij moeten zeggen: Hij is de Beminde van onze ziel, Hij die ons liefhad, en Zichzelf voor ons overgaf, en die wij vrijwillig tot ons hoogste goed en enig deel verkozen hebben! Wat kan ons verlies vergoeden, dat wij hier lijden? Evenwel, als wij het konden, wij zouden Hem altijd voor ons stellen; Zijn liefde zou het lieflijkste onderwerp zijn van onze overdenkingen, van de morgen tot de avond. Maar hoewel wij dit goede willen doen, het kwade ligt ons gedurig bij; wij bemerken, dat we slechts ten dele vernieuwd zijn, en wij hebben steeds reden om voor de Heere te pleiten op Zijn belofte: Dat Hij het stenen hart uit ons zal wegnemen, en ons een vleesen hart zal geven.

Verder; wil hij graag berusten in al de beschikkingen van Gods Voorzienigheid. Hij gelooft, dat alle voorvallen onder het bestuur van de Oneindige Wijsheid en Goedheid staan, en dat ze zeker zullen uitlopen op de eer van God, en het goede van hen die Hem vrezen. Hij twijfelt niet, dat al de haren van zijn hoofd zijn geteld, en houdt zich ervan verzekerd, dat al de zegeningen die hij geniet, aan hem geschonken zijn, en voortduren, door de goedheid en bijzondere gunst van de Heere, die hij dient. Maar ook dat het verdriet niet uit de aarde voortkomt, maar dat al de wederwaardigheden, die hem in dit leven treffen, vruchten en bewijzen zijn van de Goddelijke liefde, niet minder dan de weldaden die hij genieten mag, en dat hem nooit enig bezwaar overkomt, dan om zeer gewichtige reden. Aan deze waarheden twijfelt hij zo weinig, als aan hetgeen hij met zijn ogen ziet; en hij heeft tijden, dat hij ze genoegzaam oordeelt, om hem de allerzwaarste beproevingen die hem overkomen mogen, geduldig en blijmoedig te doen verdragen. Maar dikwijls gebeurt het, wanneer hij er zich in een uur van tegenwoordige bezoeking van wenst te bedienen, dat hij niet doen kan hetgeen hij wil. Hij vindt een wet in zijn leden, die strijdt tegen de wet van zijn gemoed, zodat hij, in weerwil van de klaarste overtuigingen, ziende als niet bemerkende, gereed is om te klagen, te morren, en moedeloos neer te zitten. – Helaas! hoe ijdel is de mens, zelfs in zijn beste stand! Wat een zwakheid en onstandvastigheid ontdekt zich, ook bij hen bij wie hun harten volkomen zijn voor de Heere; en hoeveel reden hebben wij, om te belijden dat wij onwaardige, en onnutte dienstknechten zijn!

Ik zou op deze wijze kunnen voortgaan, als dit papier en de tijd het zouden toelaten. Maar, geloofd zij God! wij zijn niet onder de Wet, maar onder de Genade! En zelfs deze treurige uitwerksels van de overgebleven inwonende zonde worden ten goede bestuurd. Door deze ondervindingen wordt de gelovige meer ontdekt aan zichzelf, en leert hij hoger prijs te stellen en meer onbepaald te vertrouwen op Hem, die ons van God geworden is wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, en verlossing. Hoe geringer wij zijn in onze eigen ogen, zoveel te dierbaarder zal Hij ons wezen. En een dikwijls herhaald en diep geworteld gevoel van de boosheid van ons hart is nodig, om alle roem uit te sluiten, en ons gewillig te maken, om al de eer van onze zaligheid te geven aan Hem, wie ze toekomt. Het gevoel van al deze boosheden zal ons wanneer zij ons bezwaarlijk zijn, zonder afkeer aan de dood doen denken, ja ons ernaar doen verlangen, opdat wij niet meer zondigen; omdat wij het bederf zo diep in onze natuur geworteld vinden, dat, men zoals het melaatse huis, het gehele gebouw moet gesloopt worden, eer wij van de besmetting bevrijd kunnen zijn. Dan, en niet eerder, zullen wij kunnen doen hetgeen wij willen; wanneer wij Jezus zullen zien, dan zullen we zijn beeld gelijkvormig worden, en voor eeuwig van zonde en droefheid bevrijd zijn.

Ik ben met diepe ‘hoogachting, enz.  Februari, 1772.

Send this to friend

Spring naar werkbalk