Timotheüs besneden
december 20, 2015
Ondervinding van een gelovige
december 24, 2015
Show all

Brief van John Newton aan een edelman. Maart 1765.

Mijn heer,

Ik herinner mij, dat toen ik eens het genoegen had bij u op bezoek te zijn, het u behaagde, een gesprek van veel belang te beginnen, hetwelk, tot mijn leedwezen‚ te snel afgebroken werd. Het onderwerp was, over de oorzaken, de aard, en de kentekenen van verachtering in de genade; hoe het komt, dat wij die levendigen indruk van de Goddelijke dingen, die wij in sommige gelukkige ogenblikken bijna onvergetelijk achten, verliezen; in hoever deze verandering van gemoedsgestalte bestaanbaar is met de geestelijke wasdom in andere opzichten; hoe wij een rechtmatig oordeel zullen vellen, aangaande ons toenemen over het geheel beschouwd; en langs welke weg het verlies, dat wij, door onze onvermijdelijke verbindtenis aan een zondige natuur en een zondige wereld, lijden, van tijd tot tijd hersteld kan worden. Uw Lordschap vergunt het mij, deze brief te besteden aan de overdenking van deze onderscheiden stukken. Ik ben niet van plan een uitgewerkte proeve over dezelve te leveren, maar alleen de gedachten mee te delen, die mij onder het schrijven zullen voorkomen. De overtuigde ziel – in het bijzonder, wanneer zij na een tijd van droefheid en angst, begint te smaken dat de Heere goedertieren is – vindt zich als in een nieuwe wereld overgezet. Geen verandering in het uitwendige, kan zo gevoelig, en zo aandoenlijk zijn. Het is geen wonder, dat men op zulk een tijd zeer weinig aan iets anders kan denken? De overgang uit de duisternis tot het licht, van een gevoel van toorn tot de hoop der heerlijkheid, is de grootste, die men zich maar verbeelden kan, en is menigmaal zo snel als wonderbaar. Vandaar ook, dat meestal in de nieuw bekeerden de heersende hartstochten zijn: ijver, en liefde! Zoals Israël bij de Rode Zee, hebben zij zeer onlangs de wonderlijke daden van de Heere aanschouwd, en kunnen niet nalaten Zijn, lof te zingen; zij zijn diep getroffen door het gevaar, waaraan zij ontkomen zijn, en verdrietig en aangedaan over de toestand van zo velen rondom hen, die gerust en zorgeloos in hetzelfde vreselijke gevaar leven; het besef van de gunst die hen is bewezen, en het medelijden met de zielen van anderen, is zo groot, dat zij het moeilijk kunnen nalaten om te prediken tot een ieder die zij ontmoeten.

Deze gemoedsaandoening is ten hoogste recht en redelijk, ten aanzien van de oorzaken waar ze uit voortkomt; en het is buiten twijfel een bewijs, niet slechts van de onvolmaaktheid, maar ook van het bederf van onze natuur, dat wij niet altijd in die gemoeds toestand zijn. Maar toch, is ze niet helemaal zuiver. Als wij deze gesteldheid – die, bij de eerste oogopslag, tot een voorbeeld en tot beschaming van een ouder Christenen schijnt te moeten strekken — nauwkeurig bekijken, dan zullen wij er meestal aanmerkeljke gebreken in vinden.

1. Zulke mensen zijn zeer zwak in het geloof. Hun vertrouwen ontstaat meer uit het levendig gevoel van inwendige blijdschap, dan uit een onderscheidend en klaar gezicht van het werk van God in Christus. De vertroostingen, die hen dienen moesten tot hartsterkingen, om hen aan te moedigen tegen de weerstand van een ongelovige wereld, gebruiken zij verkeerd door er in te rusten, als eigenlijk grond van hun hoop. En daarom is het zo, dat, wanneer de Heere Zijn handelingen omtrent hen verandert, en Zijn aangezicht verbergt, zij direct verlegen staan, en radeloos worden.

2. Zij, die in dezen staat van hun eerste liefde verkeren, zijn zelden helemaal vrij van een bemoeizuchtige geest. Zij hebben tot nog toe de bedriegelijkheid van hun eigen hart in al haar uitgestrektheid nog niet leren kennen; zij hebben geen genoegzame kennis van de listen en verzoekingen van de Satan; en daarom weten zij niet van medelijden te oefenen, of toegevenheid te gebruiken, waar dit nodig is en vereist wordt, en kunnen maar moeilijk iemand dulden, die niet dezelfde ernst betoont als zij.

3. Zij zijn ook min of meer onder de invloed van eigengerechtigheid en eigenwil. Zij menen het wel goed; maar zij hebben nog geen behoorlijke kennis van de geestelijke zin en het eigenlijk gebruik van de Wet, en omdat zij nog niet bevestigd zijn in het leven van het geloofs, bepaalt een gedeelte — en niet zelden een groot gedeelte van hun ijver zich enkel tot uitwendige en niet wezenlijke dingen, zet hen aan tot de betrachting van hetgeen niet geboden is, tot onthouding van geoorloofde dingen, en tot inachtneming van verscheidene onnodige strengheden en bijzonderheden, naar dat hun gestel of hun omstandigheden het meebrengt.

Maar toch, met al deze gebreken, is er, dunkt mij, iets schoons, iets beminnelijks, in de oprechte ijvergloed van een jong bekeerde. Sommige koele en strenge rechters staan direct gereed, om deze gunstige vertoningen meteen te verwerpen, door aanmerking op enige toevallige smetten. Maar zou een hovenier een goede perzik wegwerpen, omdat deze groen is, en niet al de schoonheid en al de geur heeft, die door enkele regendagen en zonneschijn haar zullen geven? Misschien gaat het voor een groot deel, op enkel uitzonderingen na, in de genade, net zoals in de natuur. Als er niet enig vuur is in de jeugd, kan men moeilijk op een oudere leeftijd een gepaste warmte verwachten.

Maar de grote en goede Landman waakt over hetgeen Zijn hand geplant heeft, en volvoert Zijn werk, door vele ten enenmale verschillende, en zelfs strijdige behandelingen. Terwijl hun berg dus vast staat, menen zij van geen wankelen te zullen weten; maar ten laatste bevinden zij het anders. Soms komt de verandering trapsgewijs en ongevoelig. Dat gedeelte van hun aandoening, wat zuiver natuurlijk is, zal meestal verflauwen, wanneer de kracht van het nieuwe leven er uit is; zij zullen, in sommige gevallen, hun onbescheidenheden bemerken, en de poging, om de buitensporigheden van hun onbedachtzame ijver te verbeteren, zal hen niet zelden tot een tegenovergesteld uiterste van nalatigheid doen vervallen. De boosheden van hun hart, die wel bedwongen, maar niet uitgeroeid zijn, zullen herleven; de vijand zal zijn kans waarnemen, om hun eigenaardige verzoekingen voor te werpen; en naardien het Gods oogmerk is, dat zij door eigen ondervinding hun zwakheid leren kennen en voelen, zal het hem in sommige gevallen toegelaten worden, te slagen. Wanneer er dus schuld op het geweten gebracht is, dan wordt het hart hard, de handen worden traag, en de knieën slap; dan wankelt het vertrouwen, de geest des gebeds wordt verhinderd, en de wapenrusting is verloren; en dus gaat het voort, van erger tot erger, totdat het de Heere behaagt, tussen beide te komen. Want hoewel wij wel vanzelf kunnen vallen, wij kunnen niet opstaan zonder Zijn hulp. Inderdaad, elke zonde strekt uit haar eigen aard tot een eindelijke afval; maar er is voor gezorgd in het Verbond der genade, en de Heere keert weer op zijn eigen tijd, om de ziel te overtuigen, te verootmoedigen, te vergeven, te vertroosten, en te vernieuwen. Hij raakt de rotssteen aan, en de wateren vloeijen. Door herhaalde proeven en ondervindingen van deze aard — want deze wijsheid wordt zelden verkregen door één of weinige lessen — beginnen wij eindelijk te leren, dat wij niets zijn, niets hebben, niets doen kunnen, dan alleen maar zondigen. En dus worden wij trapsgewijs bereid, om meer van onszelf uit te leven, en al onze bekwaamheid, tot alles, alleen uit Jezus, de Bron der genade, te putten. Wij leren meer om op onze hoede te zijn, en minder om op onze eigen krachten te steunen, lager te denken van onszelf, en hogere gedachten te hebben van Hem. In deze twee laatste bijzonderheden bestaat eigenlijk, mijns oordeels, hetgeen de Schrift noemt, te wassen in de genade. In beide neemt een levend Christen gedurig toe — elke dag toont hem meer van zijn eigen hart, en meer van de macht, algenoegzaamheid, ontferming, en genade van zijn aanbiddelijke Verlosser; maar geen van beide zal volmaakt zijn, voordat wij ten hemel ingaan.

Ik ben derhalve van oordeel, dat — hoewel wij een aanmerkelijke vermindering van die gevoelige hitte van deze hartstochten, die in het begin in ons aanwezig was, gewaar worden — nochtans, als onze begrippen meer evangelisch zijn, ons oordeel meer bezadigd is, onze harten meer hebbelijk verootmoedigd zijn onder een besef van ons inwendig diep bederf, en wij een meer zachtmoedige en volgzame geest bezitten; als onze heersende begeerte geestelijk zijn, en het uit onze wandel blijkt, dat wij waarlijk Gods geboden, en inzettingen, en volk liefhebben — wij dan veilig mogen besluiten, dat het goede werk van Zijn genade in ons, over het geheel, toeneemt.

Ondertussen is het te betreuren, dat de vermeerdering van kennis en ondervinding zo algemeen vergezeld gaat van verflauwing van de ijver. Ware het niet uit aanmerking van hetgeen in mijn eigen hart is omgegaan, ik zou het bijna voor onmogelijk houden. Maar deze zelfde omstandigheid overtuigt mij des te meer van mijn eigen boosheid en bederf. Het gebrek aan verootmoediging verootmoedigt mij, en mijn onverschilligheid zelf wekt mij op en spoort mij aan tot ernst. Er zijn evengoed tijden van verkwikking, onuitsprekelijke aanblikken van licht en kracht op de ziel, die als zij voortkomen uit duidelijkere ontdekkingen van de Goddelijke genade — indien niet zo zichtbaar naar buiten als de eerste blijdschap, echter dieper in het hart indringen, meer het gemoed verbeteren, en tot heiligheid aanzetten. Zulke aanblikken, vergeleken met onze snode ongevoeligheid wanneer zij ingehouden worden, spenen het hart aan deze ellendigen staat van zonde en verzoeking, en maakt de gedachte aan dood en eeuwigheid begeerlijk. Dan zal deze strijd ophouden — ik zal niet meer zondigen, niet meer afzwerven; ik zal de Heere zien zoals Hij is, en Hem gelijk zijn voor eeuwig.

Vraagt men, hoe deze heugelijke ogenblikken kunnen verlengd, vernieuwd, of vergoed worden? Wij worden vermaand tot geloof en naarstigheid. – Een zorgvuldig gebruik van de gegeven genademiddelen, een werkzame poging, om de gelegenheden en de schijn des kwaads te mijden, en vooral, aanhouden in verborgen gebeden, dit zal ons van hen zoveel doen genieten, als de Heere voor ons goed oordeelt. weet best, waarom ze ons niet geduriglijk mogen te beurt vallen. Hier moeten wij wandelen door geloof; wij moeten geoefend en beproefd worden. Eenmaal zullen wij gekroond worden, en de begeerten, welke in ons gelegd heeft, overvloedig voldaan zien.

Ik ben, enz.

Send this to friend

Spring naar werkbalk