Over de roeping
december 16, 2015
Timotheüs besneden
december 20, 2015
Show all

Door: Charles Haddon Spurgeon

Als een mens het ongeluk heeft om een bijzonder hol en ledig hoofd te hebben, schijnt hij meestal in de waan te verkeren, dat hij tot rechter over anderen en wel bepaald tot rechter over geloofszaken is voorbestemd en geboren. Niemand is ooit wijzer, dan de man, die niets geleerd heeft of wien alles weder vergeten is. Zijn onkunde is de moeder van zijne onbeschaamdheid en de voedster van zijn koppigheid, en al weet hij soms geen A van een B te onderscheiden, toch spreekt hij, alsof hij de wijsheid in pacht had, — alsof zijn onfeilbaarheid zekerder was dan die van de Paus. Hoor hem eens aan de gang gaan, als hij op een bijeenkomst geweest is, of een preek heeft gehoord, en u zult een sterk staaltje hebben, hoe men een goed mens over de hekel haalt, dat er geen stuk van heel blijft. Hij ziet gebreken, waar er niet zijn, en van fouten, die door een vergrootglas moeten gezien worden, maakt hij olifanten. Al kan zijn verstand en wetenschap met gemak in een notendop, toch weegt hij de preek in de weegschaal van zijn wijsheid met een voorkomen alsof hij een tweede Salomo is. Is het woord, dat hij hoorde, naar zijn smaak en maatstaf, dan gaat er de lof boterdik op; maar is het ongelukkig niet van zijn gading, dan gromt en blaft en keft hij als een hond tegen een egel. Wijze lieden zijn als hoornen in een doornheg, hier en daar één, en als zulke niet dagelijkse mensen spreken, gaan oor en hart te gast; maar als deze snorkende wijshoofden hun hoogklinkende wijsheid uitkramen, heeft hun gekwaak even weinig zin als het snateren van de ganzen op de gemeentewei. Uit een zak kan niets te voorschijn komen dan wat er in is, en daar hun zak leeg is, komt er niets dan wind uit voor de dag. Het is zonneklaar, dat er geen volmaakte leeraars noch volmaakte predikanten zijn, — in de besten tuin staat onkruid op en in het zuiverst koren is nog kaf, — maar de keurmeesters van deze stempel vragen eigenlijk niet naar goed en kwaad; zij bedillen gemakshalve alles om hun geleerdheid te luchten. Liever dan dat zij hun tong in rust laten, zullen zij verlangen, dat het gras een hemelsblauwen tint had of beweren, dat de lucht helderder zou zijn, als zij er de witkwast eens op konden zetten.

Onder deze Ismaëliten is één stam, die zuiver uit hoogvliegende weetnieten bestaat en die bijzonder sterk zijn op het punt van de leer in een preek. Waar zij slaan, raken zij als voorhamers en schieten in hun treffen raak als de dood. Hij, die niets weet, spreekt in den regel met het meest besliste zelfvertrouwen over alles, en stoot er op toe, mis of raak, als een wilde stier. Iedere klok en zelfs de zonnewijzer moet om juist te zijn naar hun uurwerk geregeld worden, en wie ook maar een haarbreed van hun leerbegrip durft verschillen, toont reeds alleen daardoor, dat hij als een rot lid door de gemeente moet worden afgesneden. Waag het niet hen te weérspreken hun kleine pot raakt aan ’t kooken, dat er de woordenschuim van alle zijden overvliegt; of vraag hun een deugdelijk bewijs en u kunt even goed suiker zoeken in het zandhok. Zij hebben de zee der waarheid in een apothekersflesje en dragen het altijd bij zich. Zij hebben de middaglijn van de genade zuiver gemeten en in een touw met een knoop de juiste maat der verkiezende liefde. En wat aangaat de dingen, waarin de engelen begerig zijn om in te zien, die hebben zij allen bekeken, als de jongens de vreemdigheden in een rarikiek op de kermis. Daar zij hun nederigheid spotprijs verkocht hebben, zijn zij wijzer dan hun meesters, berijden een zeer hoog paard en weten met een wonderbaren sprong over alle vijfmaal gegrendelde poorten van de Bijbelteksten, die met hun leer in strijd zijn luchtig heen te wippen. Als deze krankheid het deel is van overigens goede mensen, is het diep te bejammeren, dat zulke liefelijke balsem door dode vliegen stinkend wordt.

Toch als de mens overigens goed is, went men ook aan dit euvel, zoals het mij in mijn ouden paard niet meer hindert, dat hij zijn oren achterover werpt, en hij buien heeft, dat hij achteruit wil slaan. Maar de hoofdmacht van deze vitters is een zure en schreeuwerige hoop, enkel angel en geen drop honig; geheel zweep en geen spier hooi; enkel zwaard en geen aasje spek. Deze keurders zijn de ganse dag bezig met ieder te havenen, die niet door hun bril kan of wil zien. Als zij nog maar een hand vol wellevendheid onder de schepels geschreeuw wilden doen, die zij ter markt brengen, waren zij misschien nog te dulden; maar voor hen is de wet van wellevendheid niet geschreven. Van mensen, die zo gezond in de leer zijn, mag men toch waarlijk niet verwachten, dat zij nog tot iets anders nut zijn. Zij zijn de bevoorrechte hemelse wachthonden, die het huis des Heeren hebben te behoeden voor al de dieven en moordenaars, die de gezonde leer niet prediken, en indien zij nu van hun zijde de schapen al eens bijten en knauwen, of zo in de loop een konijn of twee stelen, dat moet niemand in zo voortreffelijken durven berispen. Des Heeren dierbaar volk, zoals zij zichzelven graag betitelen, heeft genoeg te doen met de leer gezond te houden, en is hun zedelijk leven wat verdacht of zijn hun manieren wat grof, geen nood, want wie was er ooit in staat zo nauw op alles te letten. Deze vrienden zijn de mollen in onze weiden, die men vooral in de val moet krijgen, niet omdat ze zo smakelijk zijn, want er is aan hen geen stukje vlees dat eetbaar is, maar ter wille van de oogst, die zij door hun woelen en wroeten geheel dreigen te vernielen.

Op hun leer heb ik het niet eerst en meest gemunt, maar op de geest, die hen bezielt, want daar is overhaalde azijn zoet en zijn krabben vijgen bij. De opvatting van de Bijbelleer gaat mij niet licht te hoog, maar wie in de leer zwaar op de handen is, moet het ook zijn in de ervaring van de kracht en in de beoefening der waarheid, of het hart draait mij bij de veelheid der klanken. Maar genoeg, of men zou tegen mij zeggen: geneesmeester genees uzelf. Soms is het niet zozeer om zijn leer maar om zijn wijze van voordracht, dat de spreker boven een klein vuur wordt geroosterd. Ook dit veld om gebreken te jagen schijnt nooit afgejaagd te zijn, en geen wonder, want iedere boon heeft haar zwarte plekje en ieder mens zijn gebrek. Ik heb nooit een goed paard gekend, dat niet het een of ander vreemds had; en evenmin een leeraar, die zijn zout waard was, die niet zijn zonderlingheid of stokpaardje had. En die zwakke punten zijn het, welke deze scherpneuzigen als korstjes kaas ruiken en waaraan zij als uitgehongerden knabbelen. Deze leraar spreekt te langzaam en een ander te snel, en die is weer te bloemrijk en die weer te plat. Indien al uw goede schepselen naar de maatstaf van dit in eigen oog dierbaar volk werd geoordeeld, dan werd de duif de hals omgedraaid, omdat zij te tam is; dan maakte men jacht op roodborstjes, omdat zij spinnen eten; dan sneed men koeien de hals af, omdat zij met haar staart slaan, en doodde de hennen, omdat zij geen melk geven. Als iemand een hond wil slaan, kan hij altijd een stok vinden: en zo is ook is beste prediker uit het land niet schotvrij voor de berispingen van de dwazen. Stijl en voordracht van een prediker zijn niet onverschillig, maar als hij, die spreekt, gezonde taal voortbrengt, moest men niet jammeren over het ontbreken van de fijne schaaf, want als de waarheid degelijk en ernstig besproken wordt, dan is ze met stichting te horen.

Slecht spreken behoord op de predikstoel niet geduld te worden en alle taal is slecht, waaraan eenvoudigen geen kop of staart kunnen vinden, maar op vrome, eenvoudige, goed gemeende woorden moet geen luisteraar wat aan te merken hebben. Een buitenman voelt zich even warm in zijn duffelsch pak als de koning in een fluwelen gewaad, en de waarheid beweegt zich even gemakkelijk in eenvoudige woorden als in hoogklinkende volzinnen. Wie honger heeft, laat het aan de kok over, hoe hij het vlees wil gereed maken, als hij er maar goede en voedende kost van bereidt. Als de hoorders beter waren, zouden de preken vanzelf beter worden. Wanneer er zijn, die over hun gehoor klagen, raad ik hun aan een gehoor apperaat te kopen en wijs hen op het oude spreekwoord, dat niemand zo doof is, als wie niet horen wil. Zo dikwijls ik jonge sprekers ontmoet, wie door harde en onvriendelijke aanmerkingen neerslachtig en moedeloos geworden zijn, herinner ik hen aan de geschiedenis van de ouden man en zijn zoon met de ezel en wat er van kwam, dat zij het iedereen naar hun zin wilden maken. Geen pijper heeft nog aan aller oor behaagd. Waar grillen en inbeelding op de bank van de rechter zit, is het vonnis, dat zij vellen, enkel wind; en wijs is daarom hij, die het zich niet meer aantrekt dan het fluiten van de wind door het riet.
Menigmaal heb ik bij mensen een preek hard horen vallen om hetgeen er niet in was. Hoe goed en degelijk het eigenlijke onderwerp van de tekst er ook in mocht behandeld zijn, van een zeker ander onderwerp, dat er niets bij te pas kwam, was niets gezegd en derhalve was de ganse rede niets waard. Zou men niet met evenveel recht op mijn ploegen kunnen schimpen, omdat het ploegijzer te gelijk met de voor geen gaten voor de bonen maakt; of voor een akker met goed graan de neus optrèkken, omdat er geen knollen tussen het koren staan. Wie geeft iemand recht om iedere mogelijke waarheid bij gelijke hoeveelheden in een zelfde preek te eisen?

Zo zou men wel bij elk middagmaal alle denkbare spijzen kunnen verlangen en op het opgezette kunnen smalen alleen omdat het ontbrekende wat er niet in was. Zullen wij een preek afkeuren, die niet vol van vertroosting voor de gelovige is, maar de zondaar op de rechten toon waarschuwt en in het hart grijpt? Hoe slecht zou het van de hand gaan, om met een handzaag te willen schaven, maar wie zal zijn zaag wegwerpen, omdat hij er niet mee kan schaven? Wat nuttigheid is er in, om altoos te azen op gebreken ? Ik kan ze niet dulden, die altijd naar zaken om te kunnen gispen ruiken, als een rattenjagershond naar rattengaten zoekt.
Over leraars en hun werk oordeel te vellen is een sober ambacht, want het brengt geen van beide partijen voordeel aan. Bij een ploegwedstrijd wint de knapste onder ons de prijs, maar dit soort van preekrechters weet niet van geven of belonen, en hun hand blijft zelfs gesloten voor degenen, met wie zij zeggen zo veel op te hebben. Zij betalen hun hoogachting in lofredenen, maar houden de taart voor zichzelven. Zij ontvangen de blijde boodschap om niet, en menen voor het ontvangene dubbel en dwars dankbaar te zijn geweest, als zij het de boodschapper niet op allerlei wijze zuur maken.

Ieder meent, dat hij in staat is om een preek te kunnen beoordeelen, maar negen van de tien zouden even goed kunnen beweren, dat zij in staat zijn om de maan te wegen. Ik geloof, dat zeer velen in de grond van hun harten menen, dat het preken een doodgemakkelijke zaak is en dat zij het zelven er al wonder wel vanaf zouden brengen. Zo meent iedere ezel, dat hij minstens waard is om naast de koningspaarden op stal te staan, en ieder meisje, dat zij het huishouden beter doen zou dan haar moeder; maar denken is nog geen doen; want de sprot dacht dat het een haring was, maar de visser wist het wel beter. Ik denk vaak, dat iemand die fluiten kan daarom denkt ook wel te kunnen ploegen, maar er wordt van een goed ploeger meer geëischt dan lustig te kunnen fluiten. Zo is er ook meer in preken dan een tekst bij het hoofd te vatten en dan te zeggen ten eerste, ten tweede en ten derde. Ook tot mijn roeping behoort het om nu en dan een preek te doen, maar ik vond het een alles behalve gemakkelijke zaak, om de hoorders iets op te dissen, dat waard is gehoord te worden. Wilden zij, die van hun hoge rechterstoel ons zo gemakkelijk zitten te bedillen, zelf de handen eens uit de mouwen steken, en hun oordeeltong zou wel wat rustiger worden. Maar honden hebben altijd een lust in blaffen, en wat erger is, sommigen hebben evenveel smaak in het bijten. Wie nu van die honden en hun tanden last heeft, doet er verstandig aan om, als hij ze al niet muilbanden kan, ze dan toch zover van zich af te houden als hij kan. Het is treurig om aan te zien, dat christelijke gezinnen, waar vrede en liefde woonde verdeeld en in onmin geraken, enkel en alleen door het stoken van deze alles en altijd kwaad gissende en kwaad zoekende mondbelijders. De snede van een wigge beslaat weinig plaats, maar als de duivel de hamer in zijn handen heeft, dan doet de kleine wig gehele kerken in puin vallen, zonder dat de mensen de oorzaken begrijpen. Het is altijd het slechtste wiel dat het luidst kraakt, en een dwaas maakt er velen, en zo verliest menige gemeente door een dwaaskop haar goede en getrouwe leraar, die haar tot duurzamen zegen zou zijn geweest, als zij de beste vriend niet door opstokerij ergdenkend naar elders had doen heentrekken. Zij, die eigenlijk de ellende brouwen, zijn in de regel aan alle godzaligheid vreemd, en zijn als de mussen, die vechten om koorn, waarvan geen korrel aan hen toebehoort, en als eksters, die alles vernielen, wat zij nooit hielpen bouwen. Wat ik wens is, dat wij allen bewaard blijven voor dolle honden en keurmeesters uit de nachtschool; en evenzeer dat wij bewaard blijven van geneigdheid om te luisteren naar de klaagtoonen en oordeelvellingen, waarmede zij ons tegen elkaar zoeken warm te maken.

Uit: “Praatjes van Jan Ploeger” van Charles Haddon Spurgeon.

Send this to friend

Spring naar werkbalk