In de avond geween ’s morgens gejuich. Psalm 30:6
mei 13, 2016
Mede erfgenamen van Christus. Romeinen 8:17
mei 14, 2016

   Wat een leven…

          “Rebecca de Graaf van Gelder verteld haar levensverhaal”

Voor veel Joden en christenen in Nederland is Rebecca de Graaf van Gelder — ‘Tante Rebecca‘ — geen onbekende. Ze groeide op in een orthodox-joods gezin, studeerde piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en ging, na het behalen van haar einddiploma in 1925, de muziek in. Op haar 25e jaar begon ze de bijbel te lezen en ontdekte de rijkdom van haar eigen Tora,Psalmen en Profeten. Jesjoea Hammasjiach werd een levende werkelijkheid. Dat betekende voor Rebecca geen afscheid van haar Joodse wortels. Integendeel, het geloof in Jezus Messias is helemaal verankerd in Israël. Ze trouwde, een dag voor de oorlog, met een ‘gelovige uit de volken’. Het gezin ging in die bange jaren door een diepte heen, maar het geloof in Jesjoea hield hen staande.

Rebecca de Graaf-van Gelder heeft haar geloof en haar inzicht in de relatie tussen Israël en de gemeente, ook na het overlijden van haar man, naar velen uitgedragen en uitgestraald: Gelovigen uit de heidenen zijn geënt op de edele stam van het Joodse volk. Zo vormt de Goede Herder, de Gezalfde Israëls, zijn ene kudde. ‘Haar invloed is in ons gezin van beslissende betekenis geweest,’ schrijft ds Willem Glashouwer in zijn voorwoord op de levensgeschiedenis van deze dochter Sions.


Van dezelfde schrijfster verschenen enkele kleine brochures:

De kleine lettertjes in de polis van Paulus

Jezus is niet los verkrijgbaar

Is de uitdrukking ‘de nieuwe mens’ voor tweeërlei uitleg vatbaar?

Zijn bloed kome over ons en onze kinderen

(naar aanleiding van het optreden van het echtpaar Goeree)

Besnijdenis en doop (twee aparte zaken) zijn een Joodse aangelegenheid

 

Inhoud

Voorwoord door ds Willem Glashouwer

Inleiding

 Wat een leven …

1. Een speurtocht

2. Het mikveh

3. De bijbelschool

4. Leen

5. Oorlog

6. De ster

7. Alles kwijt

8. De schuilplaats

9. Het eeuwige volk

10. Verblijd ons in de morgenstond

11. De ‘sjabbesjongen’

12. Een kudde, één herder

Artikelen over Israël en de gemeente

13. Breekpunt of verbinding?

14. De grootste kraakactie aller tijden

15. Op één been kun je niet lopen


Voorwoord

Met vreugde en soms geestelijke ontroering heb ik het boekje met persoonlijke levenservaringen van mevrouw Rebecca de Graaf-van Gelder, dat u thans in handen houdt, gelezen. Wat een zegen is het als een mens het eenvoudig mag wagen met het Woord van God. ‘Als je leest wat er staat en gelooft wat er staat, dan heb je wat er staat.’ Ook in de meest duistere ogenblikken van het leven. En hoe onpeilbaar moet de duisternis geweest zijn voor een jonge Joodse vrouw in door nazi’s bezet Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog en met vragen en verdriet om verlies erna. Maar Rebecca is een Joodse vrouw die in dat alles de hand mocht vastgrijpen van de Gezalfde Israëls. ‘Onderzoekt de Schriften… en die zijn het die van Mij getuigen,’ zei Hij tegen haar. ‘En welke Schriften kan Hij anders bedoeld hebben dan Mozes en de profeten?’ dacht ze. ‘Het Oude Testament,’ zeggen wij. Kohlbrugge zei, om geen aanleiding te geven tot misverstand als zou het ene door het andere achterhaald zijn: ‘We moeten niet spreken van Oude en Nieuwe Testament, maar van Mozes en de Profeten en van Evangelisten en Apostelen.’ De oude reformatorische theologen, wanneer ze dogmatisch nadachten over de betekenis van de bijbel, spraken over de scriptura sacra, de Heilige Schrift, enkelvoud! Nog uitdagender sprak Van Ruler zelfs over het Oude Testament als de eigenlijke bijbel, met het Nieuwe Testament als verklarend woordenlijstje achterin. Jezus, evangelisten en apostelen; ze hadden niets anders dan Mozes en de profeten. Rebecca heeft de Schriften onderzocht en Hem mogen vinden van Wie ze getuigen. Het ‘wat’ van het Oude Testament, dat het ‘dat’ werd van het Nieuwe Testament. Niet alleen met het verstand maar vooral ook met het hart. Het leven van haar en haar man is een levend getuigenis geworden van zijn liefde en genade, voor Jood en heiden samen (‘Maar wel in die volgorde,’ zal ze zeggen). Bij mij thuis werd de naam van Rebecca de Graaf met respect genoemd. Vader heeft niet nagelaten te vertellen hoe de gesprekken met haar mede van wezenlijke betekenis zijn geweest om tot een dieper verstaan van de plaats en de betekenis van Israël te komen, het volk van de verbonden en de beloften, ook vandaag nog. ‘Niet de Kerk in de plaats van Israël, maar ingeplant in Israël.’

Moge dit werkje zijn weg vinden naar de harten van velen onder Joden en heidenen, zodat velen de ervaring zullen opdoen van de echte ‘sjaloom’ van de tot één gemaakte nieuwe mens. In Hem, en voor Hem, en tot Hem.

W.J.J. Glashouwer, Tuil en ’t Waal, 27 maart 1987


Inleiding

Al jaren terug en van verschillende zijden, was mij gevraagd om mijn belevenissen eens op te schrijven. Door allerlei omstandigheden stelde ik het maar uit, totdat men er zo sterk op aandrong, dat ik meende er niet meer onderuit te kunnen. En zo begon ik allerlei punten op te schrijven. Toen dit al aardig vorderde, werd ik plotseling ziek en kwam ik tot tweemaal toe in een ziekenhuis terecht. De laatste maal met een operatie in het vooruitzicht. En ik wilde nog zo graag naar mijn dochter en haar man en kinderen in Israël. Ik realiseerde me dat een reis naar Israël en het schrijven van dit boekje voorlopig niet door konden gaan. Nu was het zo dat wij met enkele vrienden eenmaal per maand bij elkaar kwamen in de oude synagoge in de Van Mandelostraat in Alphen aan de Rijn. Op 22 december zou de volgende bijeenkomst zijn en men vroeg mij of ik ook weer kon komen. Het was dan chanoeka (het feest der lichten). Ik ben gegaan, maar nam een ligstoel mee, gezien mijn zwakke gezondheid. De sfeer was heel erg fijn en Daniël vertelde over chanoeka. Er kwam een verlangen in mijn hart om te vragen of ze met mij wilden bidden. Maar nog voor ik mijn verlangen kenbaar maakte zei Jacob ineens: ‘Nu is Rebecca ziek en wij willen haar aan de Here God opdragen. Zijn er van de stam van Levi in ons midden?’ Ik had dit nog nooit eerder gehoord of meegemaakt. Twee staken hun handen op en met Jacob, die zelf ook een Leviet was, baden ze voor mij. Een kort gebed, zonder enig protocol. Daarna ging de dienst gewoon door. Later vroeg ik aan Jacob: ‘Waarom de Levieten?’ ‘Wel Rebecca, dat is toch de priesterstam?’

’s Avonds had ik een wat moeilijk gesprek bij mij aan huis, met iemand waar ik zeer mee verbonden ben. Na afloop van dat gesprek, ik was weer alleen, wilde ik nog even wat lezen om troost te zoeken. Ik nam mijn bijbel en sloeg 2 Kronieken 35 vers 14 en 15 op. Daar viel mijn oog op de Levieten. Vooral vers 15 trof mij zeer: ‘Zij behoefden hun dienst niet te onderbreken, want hun broeders, de Levieten, maakten het voor hen gereed.’ Voor mij betekende dit zoveel als: Ga maar door met je werk, want de Levieten hebben het gereed gemaakt. De dreigende operatie is niet doorgegaan. Ook ben ik in Israël geweest. En dit boekske is klaar gekomen! Moge het zijn weg vinden waartoe het geschreven is.

Rebecca de Graaf-van Gelder


WAT EEN LEVEN…

1. Een speurtocht

Toen mij gevraagd werd mijn levensgeschiedenis op te schrijven en ik aarzelend begon de dingen op een rijtje te zetten, ging alles weer zo voor me leven, dat het me pakte en ik in verwondering terugblikte hoe God, de God van Israël, in één mensenleven zo duidelijk heeft laten zien dat Hij er is, dat Hij leidt, dat Hij in welke vorm dan ook kennelijk aanwezig is. Nu ik dit neerschrijf komt er tegelijkertijd een smart in mij op, dat mijn gehele familie (op één neef na) en al mijn lieve vrienden en bekenden mij dit niet na kunnen zeggen, omdat ze er niet meer zijn…

Ik kom uit een Joodse familie en ben geboren op 19 juni 1907. Mijn vader kwam oorspronkelijk uit Rotterdam. Mijn moeder uit Leiden. Ik was de middelste van drie zusjes. Pa was goudsmid in de Vleerstraat in Den Haag, in de omgeving van Westeinde en Assendelftstraat. De Vleerstraat bestaat niet meer. We hadden het goed met elkaar. Grootvader Van Gelder, die weduwnaar was, woonde bij ons in. Een vrome vriendelijke man. Iedere sjabbat gingen we aan zijn hand naar de synagoge in de Wagenstraat. Daar mochten wij boven op de galerij zitten (in de orthodoxe synagoge zitten mannen en vrouwen gescheiden). Mijn oudste zuster Bep, mijn persoontje en m’n jongere zus Esther. Ik ging naar de Joodse school aan de Voldersgracht, bij meester De Jong. Daar leerden we Hebreeuws, het opzeggen der gebeden en onze eigen Joodse geschiedenis.

Mijn moeder was een stille, rustige vrouw. Wat kon ze ons fijne verhalen vertellen en gedichten van het vrouwtje van Stavoren. Dan hingen we aan haar lippen. Pa kocht al gauw een piano voor ons, want hij had gemerkt dat we veel van muziek hielden, vooral Bep en ik. Al op mijn achtste jaar ging ik naar de koorklas van Toos Hoog op het Koninklijk Conservatorium. Daar begon ik als het ware de muziek in te drinken. Al heel gauw kreeg ik pianoles van een nicht van pa, Rachel Fresco. Wat een heerlijke herinneringen heb ik daaraan. Al gauw werd ik klaargemaakt voor het toelatingsexamen van het Koninklijk Conservatorium. Daar heb ik op mijn 18e het diploma voor pianolerares behaald. In het gebouw voor Kunst en Wetenschappen (welk gebouw is afgebrand) werden de diploma’s uitgereikt.

Vanaf 1925 gaf ik met heel veel animo les in Den Haag en Scheveningen bij de leerlingen aan huis. Mijn transportmiddel was een fiets met een kaarslantaarn. Als het erg waaide ging de kaars uit. Dat was dus afstappen en weer aansteken. Ook begeleidde ik veel koren. Kortom, ik zat volop in de muziek.

Toen de crisisjaren aanbraken — we waren inmiddels verhuisd naar de Boekhorststraat, het ging in de zaak van pa niet meer zo goed —voelde ik mij geroepen om mee te helpen verdienen. Daarom ging ik in een strijkje spelen, dat werd goed betaald. O.a. in Scheveningen het Prinsessenpaviljoen, met Hongaren. Bij Heek op de Blaak in Rotterdam en verder in Groningen, Arnhem, ‘s-Hertogenbosch, enz. Ik weet nog als de dag van gisteren mijn eerste ‘religieuze’ conflict met mijn vader. Toen mijn beide grootvaders overleden waren, viel er voor mij op godsdienstig gebied een groot gat. Met hen ging ik in de Wagenstraat in Den Haag en in Leiden op het Levendaal geregeld naar de synagoge. In Leiden gingen mijn oma en twee ongetrouwde tantes ook altijd mee. Wat was ik graag bij hen. Zolang mijn grootvaders nog leefden was de zaak van mijn vader op sjabbat gesloten. Toen zij overleden waren, gebeurde dat niet meer. Toen ik in Rotterdam bij Heek op de Blaak speelde, kwam er een telegram van pa dat ik op grote verzoendag een vervanger moest nemen. Want op grote verzoendag mocht niet gewerkt worden, alleen vasten. En daar kwam ik in conflict. Had God dan niet geboden om elke sjabbat het werk neer te leggen, te rusten? Pa hield toch ook de sjabbat niet meer? En ik speelde toch ook elke sjabbat? Hoe vreemd het ook moge klinken, maar juist door dat telegram ging ik meer nadenken over God en zijn geboden.

In die tijd kwam ik in aanraking met een Joodse jongeman. Zijn familie woonde in Rotterdam en ik kwam er veel aan huis. Tenslotte verloofden wij ons. Ik ging weer lessen geven en de rythmische gymnastiek van het Erasmusgymnasium en de meisjesschool in de Witte de Withstraat begeleiden. De familie van mijn verloofde was volkomen ongodsdienstig en daardoor kwam ik met vele atheïstische mensen in aanraking. Achteraf zie je dat het een constant zoeken was naar de zin van het leven. Zo gingen ongeveer vier jaar voorbij. Ons leven bestond uit uitgaan, dansen, cabaret, debatteren over alles en nog was en naar voetbalwedstrijden gaan. Op zondagmorgen gingen we meestal naar een film op de Kruiskade. Die werd door ‘De Dageraad’ vertoond, een atheïstische vereniging. Ik weet nog als de dag van gisteren dat we naar een cabaretavond gingen op de Coolsingel. Daar zong en speelde Koos Speenhof, een bekende zanger. Plotseling trof het me hoe leeg en zinloos we als grote mensen eigenlijk bezig waren. Waar vulden we ons leven mee? Met Ajax en Feijenoord en dansen. Op een keer droomde ik dat mijn verloofde en ik samen dansten in Pschorr, een grote dancing op de Coolsingel, waar nu ongeveer De Doelen is. Die dancing had een dansvloer van grote vierkante blokken glas en verschillend van kleur. Dat gaf altijd een mooi effect. Ik droomde dat wij daar alleen dansten. Plotseling lieten we elkaar los en elk van ons danste achteruit. De afstand werd steeds groter. Toen werd ik wakker. Nu ben ik niet iemand die veel waarde hecht aan dromen. Maar deze maakte diepe indruk op mij. Het was als het ware een bevestiging van dat wat zich tussen ons afspeelde: we waren al lang uit elkaar gegroeid. Er was geen innerlijk contact. We besloten dan ook uit elkaar te gaan.

Nadat ik nog enige tijd in Rotterdam gewoond had, ben ik weer naar Den Haag vertrokken naar mijn ouders en ben les gaan geven. In dezelfde straat woonde de familie-Van Eymeren die een herenmodezaak had. Er waren twee dochters en de oudste was mijn vriendin. Ik hielp als het druk was wel eens in de zaak en ik kwam er graag. Vaak bleef ik als ze gingen eten. Ik at niet mee, want dat was niet kosjer, maar na de maaltijd werd er altijd uit de bijbel gelezen. Dat was een gewoonte die ik niet kende. Wij hadden wel de gebedenboeken thuis, maar geen bijbel en zeker niet het zogenaamde Nieuwe Testament. De vader las altijd voor en deed dat vaak uit het Oude Testament. Hij vertelde mij later dat hij dat speciaal deed omdat ik er bij was. Met het eigen gezin werd bijna altijd het Nieuwe Testament gelezen want, zo dacht hij, dat is meer voor de christenen. Een gewoonte die er helaas nog niet helemaal uit is en waardoor een grote scheiding ontstond tussen jodendom en christendom. Ik kom hier later nog op terug. Wat ik vanaf mijn achtste jaar als geschiedenis gehoord had, werd nu uit onze eigen bijbel voorgelezen. Ik was 18 jaar en hoorde met heel andere woorden dezelfde verhalen. Er ontsponnen zich, na het lezen, intense gesprekken. Ik zag bijvoorbeeld de doortocht door de Rode Zee als een natuurverschijnsel, toevallig, maar de familie Van Eymeren zag hierin het directe ingrijpen van God. Vaak stond de tafel nog een poos gedekt omdat we alsmaar aan het discussiëren waren. Ik, als Jodin, sprak onze eigen Tora tegen, terwijl deze gelovigen uit de volken met hun hele hart geloofden wat in de Tora geschreven was.

Inmiddels was mijn vriendin getrouwd en woonde nu boven de zaak. Op een dag moest zij ergens naar toe en vroeg mij of ik even de zaak wilde waarnemen. Dat deed ik natuurlijk. Achter de winkel was een kantoor en daar lag een grote bijbel. Het Nieuwe Testament was voor mij een verboden boek. Toch pakte ik het op en sloeg zomaar wat open. En wat las ik daar? Een uitspraak van Jezus (Jesjoea): ‘Onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin het eeuwige leven te hebben en die zijn het die van Mij getuigen’ (Johannes 5:39). Ik dacht: ‘Ik ken Mozes en de Profeten niet. Ik heb wel van ze gehoord, maar kennen, ze onderzocht, dat beslist niet.’ Toen besloot ik zelf een bijbel te kopen. Die heb ik van het begin tot het einde gelezen. Nu had ik al enorm veel gelezen; rijp en onrijp. In de kringen waar ik mij toen bewoog was van alles te koop. Nu kwam ik in aanraking met iets heel anders, de Tora, ons eigen boek nota bene. Het pakte me. Jaren later in een gesprek met Shalom Ben Gorin in Jeruzalem, zei deze: ‘Ik pakte de bijbel en de bijbel pakte mij.’ Het verging mij net zo omstreeks 1931. Bij het lezen ging er voor mij een wereld open. Een heel andere dan waarin ik tot nu toe verkeerd had. Voor mij werd de alles beheersende vraag: ‘Wie is die Jezus (Jesjoea)? Is Hij de Messias? Is Hij de Beloofde?’

Ik ging dus lezen, hield als het ware een speurtocht. Zou ik antwoord krijgen? Intuïtief begreep ik dat ik daarvoor niet bij alle christenen terecht kon. Ik had er al zoveel leren kennen die allemaal een ander antwoord gaven op mijn vragen. Daar, in het kantoor achter de winkel, had ik duidelijk een hint gekregen, om de Schriften te onderzoeken. Bij dat onderzoek kwam ik teksten tegen als Deuteronomium 18:18: ‘Een Profeet uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal de Here uw God u verwekken; naar hem zult gij horen.’ Hij moest dus iemand zijn uit ons eigen volk. Dat had ik al begrepen toen ik voor de eerste maal in mijn leven zomaar de bijbel opensloeg, en las ‘Dat gij Mozes en de Profeten leest, die zijn het die van mij getuigen.’ Verder lezende kwam ik bij Micha 5:1: ‘En gij Betlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn in Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid.’ Ik kon er tenslotte niet meer onderuit. Zoals ik uit de gewone vaderlandse geschiedenis geleerd had dat Napoleon geleefd had, zo wist ik ook dat bijna 2000 jaar geleden ergens een jongetje geboren was uit de maagd Mirjam, die de naam Jesjoea kreeg. En ook dat hij honderden jaren daarvoor door onze profeten voorzegd was.

Ik ging de dingen heel anders zien. Was het leven van Mozes eigenlijk geen wonder? Hoe wonderlijk heeft de Here God hem geleid, opgevoed, om naderhand voor zijn zware taak bekwaam te zijn. Was de geboorte van Izak geen wonder? Geboren uit twee verstorven ouders? Ja, het hele volk Israël is een wonder. Ondanks alle vervolgingen nog bestaand en nu weer wonend in het eigen land, door God beloofd en teruggegeven. Zo hebben de profeten het gezegd: Want Ik zal u uit de heidenen halen en zal u uit al de landen vergaderen en Ik zal u in uw land brengen’ (Ez. 36:24 e.v.).

2. Het Mikweh

Op een morgen kwam mijn vriendin Leny met de vraag of ik zin had om ’s avonds mee te gaan naar een lezing. Daar zou onder andere een bekeerde Jood spreken. Ik reageerde met de opmerking dat ik niet van plan was naar een afvallige Jood te gaan luisteren. Zij drong niet verder aan. Tegen de avond vond ik, dat ik eigenlijk best eens zou kunnen gaan luisteren. Maar o wee, als hij wat van ons Joden zegt! En zo ben ik die avond toch meegegaan. De lezing werd gehouden in het Venduehuis in de Nobelstraat. Ik voelde me zeer onwennig en dacht dat iedereen naar me keek; ik, Jodin, tussen al die christenen. Op het podium zaten drie heren. Een grote dikke blozende, één veel kleinere met een sikje en één nog kleinere met een wat kalig hoofd. Ik wist niet wie wie was. Mijn vriendin lichtte me ook niet in en ik vroeg er niet naar. De eerste die sprak (later wist ik dat het ds. Postumus Meijes was) zei me totaal niets. Ik zat wat verveeld te luisteren. De tweede was ds. W. ten Boom, broer van de bekende Corrie ten Boom. De meeste aandacht had ik voor zijn sikje. ‘Net een kokosnoot,’ dacht ik. Zijn woorden drongen niet tot mij door. Op dat moment wist ik dus nog steeds niet wie er sprak. De pauze werd aangekondigd en ik overwoog weg te gaan, maar dat vond ik niet leuk voor mijn vriendin, dus ik bleef.

Toen kwam de kleinste van de drie heren aan het woord. Ineens was het anders: elk woord drong tot mij door. Wat me bovenal trof was dat hij vertelde welke liefde de mens Jezus voor zijn volk had. Wanneer ik de naam Jezus vroeger hoorde was dat altijd een naam uit het andere kamp, de christenen. In mijn geest stonden altijd christenen tegenover Joden. Dus ook de naam Jezus tegenover Israël. Hier hoorde ik voor het eerst: niet tegenover, maar liefde voor Israël. Die avond besloot ik vaker te luisteren naar die man. Zijn naam was J. Rottenberg en hij was van Poolse afkomst. Door het lezen van het Nieuwe Testament was hij tot de ontdekking gekomen dat Jezus de Messias is. Ik ben Rottenberg toen gaan volgen. Overal waar hij sprak was ik: in Den Haag, Scheveningen, Vlaardingen, Rotterdam, enz. Ik las zijn geschriften en zijn boeken. Ik kon niet anders dan beamen wat hij zei of schreef. Hij liet zien dat Jezus een Jood was en dat Hij als een getrouwe Jood de wet hield, kortom als een rechtgeaarde Jood leefde. Hij kwam alleen in conflict met, laat ik maar zeggen, het starre jodendom, dat zich alleen aan de regels, de voorschriften, de traditie hield, maar waar de ziel, God zelf, aan ontbrak. Daar zat het breekpunt.

Zoals ik al zei, ging ik de bijbel vanaf het begin lezen en las hem helemaal door. De eeuwigheid kwam me, bij wijze van spreken, tegemoet en ik ging hoe langer hoe meer zien wat ik tot nu toe in mijn leven gemist had, namelijk een levende God, een God waar je mee kunt praten. Dat had Abraham gedaan, maar ook Izak en Jacob, Mozes en David en ga zo maar door. Diezelfde God is geen verleden tijd, Hij is tot op de dag van vandaag dezelfde als duizenden jaren geleden. Ook ontdekte ik, door de jaren heen, dat wat wij zo angstvallig gescheiden houden, het Oude en het Nieuwe Testament, eigenlijk één doorlopend boek is, door Joden geschreven. Precies zoals de Here God het bedoeld heeft. Hij heeft de profeet Jesaja laten zeggen: ‘Het is te gering dat gij mij een knecht zoudt zijn om de stammen Jacobs weer op te richten en de bewaarden van Israël weer terug te brengen; Ik heb U ook gesteld, tot een licht der volkeren, opdat mijn heil reike tot aan het einde der aarde’ (Jes. 49:6). Dus door zijn volk Israël heen tot een licht voor de volkeren. Nu ik achterom kijk (ruim een halve eeuw), ga ik steeds duidelijker begrijpen waar de schoen wringt en waarom er zo’n grote kloof ligt tussen Joden en Christenen: de christenen hebben Jezus (Jesjoea) losgeweekt van Israël en hebben Hem geannexeerd.

Op een avond sprak Ds. Rottenberg in de Julianakerk in Scheveningen over Matteüs 23:37 en Lucas 13:34: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, hoe gaarne had ik u bijeen vergaderd als een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild.’ Vooral het gedeelte: ‘gij hebt niet gewild’ raakte mij. Alles wat ik las en hoorde erkende ik wel als waarheid, maar persoonlijk bleef ik buiten schot. Na afloop van de dienst die avond, ben ik naar ds. Rottenberg toegestapt en vroeg hem om een onderhoud. We maakten een afspraak. Toen de tijd daar was, had ik het gevoel of ik naar de tandarts moest. Maar afspraak is afspraak en dus reed ik op mijn fiets naar de Brugschestraat in Scheveningen waar ds. Rottenberg woonde. Het werd het begin van een nieuwe periode in mijn leven.

Inmiddels had mijn zoeken naar de waarheid onze familie niet onberoerd gelaten. Mijn vader, waar ik overigens een goede relatie mee had, reageerde het heftigst. Hij had in mijn agenda verschillende aantekeningen gezien van spreekbeurten en lezingen en vroeg om opheldering. Ik vertelde hem dat ik gegrepen was door het lezen van de bijbel en zei hem ook dat ik graag eens met onze rabbijn, opperrabbijn Maarssen, zou willen spreken. Ik vroeg een onderhoud aan, want hoe meer ik in het Nieuwe Testament las, des te begeriger ik werd om meer van het jodendom te weten. De gebruiken kende ik wel, maar het ging mij meer om het wezen, de relatie met God, waar Jesjoea steeds op attendeerde. En bij wie kon ik daarvoor beter terecht dan bij de rabbijn? Deze ontving mij heel vriendelijk en ik stak dadelijk van wal:

‘Ik moet u een bekentenis doen. Ik lees het Nieuwe Testament. En dat niet alleen, maar ik voel me er geweldig door aangetrokken.’

Zijn gezicht betrok en hij schudde zijn hoofd. Hij vroeg mij wat ik eigenlijk kwam doen, toch niet alleen om hem dat te vertellen? Nee, dat was het niet. ‘Maar hoe verder ik lees in het Nieuwe Testament, hoe groter mijn verlangen wordt om meer van ons eigen Joodse geloof te weten. U weet wel wat ik bedoel. Niet zozeer de buitenkant als wel de binnenkant. Dat merk ik nu pas goed, nu ik in het Nieuwe Testament over het jodendom lees.’

Ik wist toen nog niet, en kon ook nog niet weten omdat niemand onder de christenen mij erover aansprak, dat het hele Nieuwe Testament geschreven is door messiasbelijdende Joden. Intuïtief moet ik ervaren hebben dat daarin iets heel eigens naar mij toekwam, uit mijn eigen volk. Toen ik ging lezen en zien dat wat Mozes en de profeten gezegd hebben in Jesjoea vervuld was, kwam ik innerlijk thuis! Toen ik las dat de engel tegen Mirjam zei dat zij een zoon zou baren. Begreep ik, of liever gezegd, aanvaardde ik dat op dat moment in vervulling ging wat de profeet Jesaja lang voordien geprofeteerd had: ‘Zie, een maagd zal zwanger worden en zij zal een zoon baren, en zijn naam Immanuel noemen’ (Jes. 7:14). Ik had Jesaja 53 verschillende keren gelezen en hoe langer hoe meer zag ik daar als het ware de hele levensgang van Jesjoea Hammasjiach in weerspiegeld. Dat vertelde ik ook aan de Rabbijn. Hij zei echter: ‘Dat zijn wij, Israël.’ Ik stelde hem voor overal waar ‘hij’ of ‘hem’ staat, ‘Israël’ te lezen. Dat hebben we gedaan en we ontdekten dat het niet klopte.

De rabbijn raadde mij aan eens met de heer B. te spreken, een vrome Jood. Dat heb ik gedaan en ook hij ontving mij erg vriendelijk. Daarna kwam de heer De L. erbij. Hij stond bekend als een zeer kundig man in de Schriften, een echte schriftgeleerde. Het gesprek kwam als vanzelf op geestelijke zaken. De oude kwestie, de geboorte van de Messias, werd aan de orde gesteld, namelijk de geboorte uit een maagd. Welk verstandig mens kon dit nu geloven? Ik was het er niet mee eens: ‘U kunt deze vraag met evenveel recht toepassen op de schepping van Eva. En ofschoon ik geen christen mag heten, voel ik toch, dat, hoe wonderlijk die geboorte van de Messias ook moge zijn, de geboorte van ons eigen volk “in Izak” toch minstens even wonderlijk is.’ We kwamen er niet uit.

Een goede vriend raadde mij aan ook eens met een liberale Jood te praten, L., het hoofd van de liberale Joodse Gemeente in Den Haag. Ik maakte een afspraak en hij ontving mij in zijn bibliotheek. Na wat inleidende woorden maakte hij de opmerking: ‘U moet in mij geen vijand van Jezus van Nazaret zien. Ik behoor absoluut niet tot een van zijn tegenstanders. Integendeel, ik vind het Nieuwe Testament één van de schoonste boeken die ik ken. En Jezus van Nazaret is naar mijn inschatting, de volmaakte mens, de volmaakte Jood. Ik kan hem alleen niet als de Messias aanvaarden. Alleen als mens waardeer ik hem hoog.’ ‘Wel’, zei ik, ‘dan zou u evengoed een vrijzinnig protestant kunnen heten.’ ‘Och ja, zeker,’ antwoordde hij, ‘een dominee van die richting zei eens tegen mij: kom gerust bij ons, u hoort erbij.’

Ik vertelde hem toen wat de Messias voor mij geworden was. Daar kon hij zich niet mee verenigen. Voor hem was Jezus niets meer dan een gewoon mens, zij het dan ook de meest hoogstaande. Het beste bewijs daarvoor vond hij in de klacht op het kruis: ‘Eli, Eli, lama sabachtani.’ Als hij werkelijk God was, zou hij dat niet hebben kunnen roepen. Wij spraken daarna over de doop. Hij probeerde mij hiervan af te houden. Ik weet nog exact wat mijn antwoord was: ‘Als Jezus de volmaakte mens, de volmaakte Jood is, dan wil ik Hem volgen, ook in de doop, en zo het volmaakte jodendom najagen.’

Ik wist toen nog niet wat ik nu wel meen te weten, namelijk, dat de doop een volstrekt Joodse zaak is, het mikweh. Nu nog, wanneer men tot het jodendom wil toetreden, moet men het mikweh (de doop) ondergaan, waarbij men tweemaal ondergedompeld wordt. In orthodoxe kringen althans. Ook deze handeling hebben de kerken overgenomen van Israël en de doop christelijk gemaakt. Ik wilde alleen Jesjoea volgen. Hij onderging ook de doop, het mikweh, van Jochanan (Johannes de Doper). Dat sprak Hij ook uit, toen Johannes tegenstribbelde: ‘Verhinder Mij niet, want op die wijze past het ons alle plichten te vervullen’ (vertaling van Prof. Brouwer).

Aangezien ik in de synagoge niet terecht kon (en ik begrijp de afkeer en tegenstand goed), ben ik naar ds. Rottenberg gegaan en gaf mijn verlangen te kennen om evenals Jesjoea gedoopt te worden en dus eigenlijk het mikweh te ondergaan. De datum werd bepaald op 5 januari 1934 in de Regentessekerk in Den Haag, een vrijdagavond, erev sjabbat. Naderhand heb ik dit als een soort leiding gezien. Staat er niet in de Talmoed dat als de Messias gekomen zal zijn het een sjabbat zal zijn? Mijn moeder vroeg me eens: ‘Hou je nu de sjabbat niet meer, Rebecca?’ Mijn antwoord was: ‘Mamma, ik heb nu elke dag sjabbat.’

3. De bijbelschool

Ik schrijf dit alles in een paar woorden neer en toch zult u begrijpen, dat hier een wereld van gedachten en worsteling aan vooraf ging. Ik besefte dat het een breuk met mijn ouders, familie en het jodendom inhield. Ik kon echter niet anders. Na het ontdekken van een waarheid ben je nooit meer dezelfde. Het was een moeilijke tijd. De banden met thuis waren hecht en ik wilde geen breuk. In die tijd, de jaren 1933 en 1934, onderzocht ik alles vanuit de Schriften, de Tora, de Tenach en ook het Nieuwe Verbond. Ik was helemaal niet van plan om iets anders te worden of tot een ander geloof over te gaan, zoals dat heet; ik was op zoek naar de beloofde Messias. En het merkwaardige gebeurde.

Bij het lezen van de Schriften kwam ik van binnenuit op mijn plaats. Ik kwam thuis. Ik werd compleet. Ik werd nu pas met recht Jodin. Hierna brak er voor mij een geheel nieuwe periode aan. Ik was inmiddels bij mijn vriendin en haar man gaan wonen, omdat alles thuis toch een breuk veroorzaakt had. Ik had daar veel verdriet over. Ik moest blijkbaar wachten. Intussen bemerkte ik dat mijn Joodse muziekleerlingen, de een na de ander, de lessen opzegden. Eerst zag ik het niet zo gauw, maar later begreep ik dat het was om wat op 5 januari gebeurd was. Dat was een tijd van grote beproeving, maar tevens van lessen van God. Ik leerde op Hem alleen vertrouwen. Ik speelde nog op het gymnasium in Rotterdam en op de meisjesschool en gaf nog enkele lessen. Het gebeurde vaak dat ik dan van Den Haag op één dag naar Rotterdam fietste omdat ik geen geld had voor de trein. Maar ook deze tijd had ik niet willen missen. Onderweg op de fiets overviel me soms een blijdschap die eigenlijk niet te verklaren was. Ik kan me nu enigszins voorstellen hoe koning David voor de ark huppelde. Steeds sterker kwam bij mij het verlangen op, datgene wat ik ontvangen had, uit te dragen en dan speciaal aan mijn Joodse broeders en zusters, maar ik begreep, dat ik veel te weinig van de bijbel wist. Toen ik daar over sprak met enkele vrienden, kwamen we tot het besluit dat ik naar een bijbelschool zou gaan. Er was in Arnhem een jaar daarvoor zo’n school gestart. Het was een gereformeerde school. Het plan was negen maanden bijbelstudie en kerkgeschiedenis en dan drie maanden praktijk, het liefst in het buitenland. Ik was de enige Jodin. Ik moest zien in die drie maanden rond te komen en dus keek ik uit naar een baantje. Ik solliciteerde ondermeer bij de Martha Stichting in Alphen aan de Rijn en de directeur nodigde mij uit voor een gesprek. Juist een dag daarvoor zakte ik door mijn fiets. De voorvork brak doormidden toen ik in Den Haag op weg was naar de dames Bahnmüller, die een manufakturenzaak hadden op de Willem de Zwijgerlaan. Ik moest die middag nog naar Rotterdam voor een paar lessen en nu kwam ik bij hen aan met mijn kapotte karretje. Goede raad was duur. De dames hadden voor mij een eenvoudig uitzetje besteld voor de bijbelschool en ik mocht dat betalen wanneer ik het geld er voor had. Mijn kapotte fiets liet ik bij hen staan en ik ging met de tram naar huis om ’s middags met de trein naar Rotterdam te gaan om les te geven. Dat was een strop van één gulden.

’s Avonds kwam ik thuis, bij mijn vriendin en haar man. Leny zei: ‘Kom eens kijken, er staat iets voor jou in het kantoor.’ Ik kon mijn ogen niet geloven: een spiksplinternieuwe fiets met alles er op en er aan. Er was een briefje bij van een van de dames waar ik ’s middags geweest was: ‘Lieve Rebecca, je zult wel verwonderd zijn. Deze fiets is absoluut niet van ons. Net toen jij weg was kwam er een heer in de winkel. Hij zag die doorgezakte fiets staan en ik vertelde hem dat jij er op weg naar ons letterlijk doorgezakt was. Hij zei: Koop maar een nieuwe fiets voor haar en gaf mij het geld er voor, onder voorwaarde dat ik zijn naam niet zou noemen. Dus Rebecca, dank God er maar voor. Nu dat hebben we met ons drietjes natuurlijk meteen gedaan. De volgende morgen ben ik op mijn nieuwe fiets naar Alphen aan de Rijn gegaan voor een gesprek met de directeur van de Martha Stichting. Daar kwam ik dan aan in de Martha Stichting, een inrichting voor moeilijk opvoedbare kinderen, van gescheiden ouders of wezen. Ds. Van Voors ontving mij in zijn studeerkamer. Ja, ze hadden speciale vakantiehulpen nodig. Wat was mijn opleiding? Ik vertelde hem dat ik geen opleiding had. Wel dat ik aan kinderen en volwassenen pianolessen gaf. Maar ja, zo was zijn reactie, dat was heel iets anders. ‘Hier bent u dag en nacht bezig met moeilijke kinderen. Neen, het spijt me, maar dat zal niet gaan, juffrouw Van Gelder.’ Ik had er erg veel van verwacht. Hij stond op en ik ook. Ik prevelde zoiets van: Ik dacht dat ik het wel aan kon met Gods hulp en in het geloof.’ Daarop duwde hij mij terug in de stoel en zei: ‘Nu kunnen we verder praten.’ En, o wonder, ik werd aangenomen. Als ik me goed herinner met een salaris van 50 gulden per maand inclusief kost en inwoning. Op mijn vraag wanneer ik kon beginnen kreeg ik te horen: ‘Morgen!’ Ik zweefde de deur uit. Drie maanden onderdak en nog met een salaris ook! Terwijl ik met mijn fiets het grindpad afliep, merkte ik dat de zolen van mijn schoenen kapot waren. Ik besloot tot het einde van de maand te wachten op mijn salaris en dan mijn schoenen te laten verzolen. Tot zo lang moest ik mij maar behelpen met kranten in mijn schoenen. En zo fietste ik naar Den Haag, naar mijn vrienden. Na het eten stapte ik weer op de fiets en ging naar de bewuste dames om te vragen of ik vast twee schorten kon krijgen van mijn bijbelschool- uitzetje. Die had ik in Alphen nodig. In de winkel zei één van hen: ‘O, je moet even in de kamer komen, we hadden het net over je.’ ‘Nee,’ riep ik, ‘ik heb geen tijd want ik ga morgen al naar Alphen aan de Rijn.’ En ik vertelde haar mijn belevenissen. Ze trok me toch mee naar binnen en daar zat een oude heer, een schoenmaker.

Juffrouw Bahnmüller zei: ‘Mijnheer Sanders zei me daarnet: ‘Als je juffrouw Van Gelder spreekt, moet je haar zeggen dat ik graag haar schoenen wil maken en ze hoeft er niets voor te betalen.’ Ik heb ze ongetwijfeld een beetje vreemd aan staan kijken. De heer Sanders vroeg: ‘Hebt u soms kapotte schoenen?’ Ik knikte. ‘Laat mij eens zien,’ sprak hij. Ik durfde mijn voet bijna niet op te tillen. ‘Doe ze meteen maar uit,’ zei hij. ‘Maar hoe moet ik dan terug?’ Juffrouw Bahnmüller: ‘Dan krijg je van mij zolang een paar andere schoenen.’ En zo gebeurde het. Ik had maat 36 en kreeg een paar kisten maat 40. Op de fiets hinderde dat niet. De volgende dag al had ik een paar keurige schoenen om naar Alphen te gaan. ‘Eer zij roepen, zal ik antwoorden,’ zegt de Schrift…

Bij de Martha Stichting heb ik geleerd elke dag aan zijn hand te gaan. Het was een leven van diepe afhankelijkheid. Alles was nieuw voor me, maar ik had gezegd dat ik dacht het met Gods hulp wel te kunnen. Drie jaar heb ik dit werk in de vakanties mogen doen. Er werden daar banden gesmeed, ook met pupillen. Het werk nam me geheel in beslag. Daarom was het fijn zo af en toe ook buiten de Martha Stichting te zijn. Eén van de contacten was mevrouw Verkerk. Haar man had een transportbedrijf. We hadden elkaar ontmoet op een avond van de Christelijke Vrouwen Bond. Daar had ik toen gesproken over het onderwerp: ‘Heeft Israël nog toekomst?’ Het klikte meteen tussen ons. Op een keer zei ze tegen mij: ‘Weet u waar u eens naar toe moet gaan? Er is hier ene mijnheer De Graaf, directeur van de Alphense Bank. Het is iemand die altijd over Israël spreekt en net als u duidelijk ziet dat Israël toekomst heeft.’ Terug in de Martha Stichting hoorde ik verschillende geluiden over die mijnheer De Graaf. Stel je voor, Israël nog toekomst. De Kerk was er nu toch voor in de plaats gekomen? Het moest een eigenaardige man zijn. En ook nog ongetrouwd. Ik besloot er toch maar niet heen te gaan.

Bij mijn vertrek naar de bijbelschool in Arnhem ging ik even afscheid nemen van mevrouw Verkerk. ‘Bent u nu al bij mijnheer De Graaf geweest?’ vroeg ze. Ik schudde van nee. ‘Maar dat moet u beslist doen. U komt er langs als u naar het station gaat.’ Toen ben ik toch maar gegaan. Een van de procuratiehouders kwam mij tegemoet en vroeg waarmee hij mij van dienst kon zijn. Nu, voor zaken kwam ik niet en enigszins benauwd vroeg ik of ik mijnheer De Graaf kon spreken. Na enig wachten werd ik in het privékantoor gebracht en kwam ik tegenover hem te zitten. Ik vertelde wie ik was en al heel gauw ontspon zich een gesprek.

De tijd vloog om en toen moest ik me haasten om de trein te halen. Echter niet zonder eerst beloofd te hebben om, als ik volgend jaar weer naar de Martha Stichting kwam, hem een bezoek te brengen en verder te praten. Zo gebeurde het, dat ik, na een jaar, opnieuw een bezoek bracht bij mijnheer De Graaf. Dit keer in zijn woning, boven de Bank, waar hij met een huishoudster, juffrouw Burger, woonde. Wat een fijne avond was dat. Een ware openbaring. Die man dacht hetzelfde als ik en hij was geen Jood. Hij bracht mij die avond terug naar de Martha Stichting.

Intussen had ik gehoord dat hij ook Bijbellezingen gaf of eigenlijk meer Bijbelbesprekingen. Het was geen ‘One man show’. Dat trof me direct. Het leefde. Het jaar daarop ging ik weer drie maanden naar Alphen. Ik weet nog dat ik eens tegen mijn vriendin in Den Haag zei: ‘Het is toch zó eigenaardig, het is net of die ziel yan mijnheer De Graaf dezelfde is als mijn ziel.’

De bijbelschool was afgelopen en ik dacht er over terug te gaan naar Den Haag. Toen ik dat besluit genomen had, kwam voor mij totaal onverwacht, een verzoek van gravin Van Limburg Stirum eens bij haar te komen. Zij was het hoofd van het bestuur van de bijbelschool. Zij bood mij aan hoofd van een afdeling te worden. Dat was een zeer aantrekkelijk aanbod, zeker financieel. In Den Haag zou ik, om in mijn onderhoud te voorzien, mijn lessenbestand weer moeten zien op te bouwen. Ik stond in dubio.

In de drie jaren bijbelschool had ik enorm veel geleerd uit de bijbel. Vooral wat ik wel en wat ik niet moest doen. Er waren drie Gereformeerde predikanten aan de school verbonden: Douma, J.C.J. Kuiper en Both. Eén daarvan doceerde het Oude Testament. Nu trof het mij telkens dat wanneer in één van de profeten het woord Israël stond, hij in zijn uitleg consequent ‘de kerk’ zei. Ik kwam in 1935 op die school als een pasgeboren kind. Ik kende geen leer, geen dogma’s of iets dergelijks. Alleen maar iets van de bijbel. Op een keer vroeg ik, heel argeloos: ‘Dominee, u zegt daar Kerk, maar hier staat toch Israël?’ Dat irriteerde hem, want hij zei letterlijk: ‘Dat is chiliastisch geklets.’ Ik schrok heel erg en het huilen stond me nader dan het lachen. Ik had nog nooit van chiliasme gehoord. Dat was een nieuw woord voor me. Ik wist dus ook niet wat het betekende. Maar ik voelde me doodongelukkig. Ik ging hiermee naar een oudere docent en aan hem vroeg ik wat chiliasme was en waarom die dominee zo boos geworden was. Hij legde mij enkele dingen uit en ook dat er verschillende opvattingen, visies, aangaande Israël bestonden. Dat wist ik dan ook weer.

Veel later hoorde ik iemand eens zeggen: ‘Als je leest wat er staat en je gelooft wat er staat, dan heb je wat er staat.’ Dat lijken me wijze woorden. Maar hoe dan ook, bij al het fijne en goede wat ik daar geleerd heb, was er iets waardoor ik mij geestelijk niet thuis voelde. Ik meen, nu 60 jaar later, dat ik toen in mijn onnozelheid iets gezegd heb wat ik nu volkomen onderschrijf.

Iedere vrijdagavond was er een zogenaamd ‘vruchtbaar thee-uurtje’. Dan kwamen we als studenten bij elkaar. Eén van ons hield dan een soort inleiding en dan gaven de anderen, alsmede de dames Apeldoorn en Arntzen, hun kritiek of maakten opmerkingen. Ik was de eerste die moest beginnen. Naderhand heb ik wel eens plagend gezegd: ‘Die eerste avond van het vruchtbaar uurtje was echt Schriftuurlijk. Want er staat geschreven: ‘Eerst de Jood en ook de Griek’ (Rom. 2:9).

Toen wij naar huis gingen stonden de dames in de deuropening om ons een hand te geven. Een van hen zei tegen mij: ‘Rebecca, ik ben toch zo blij dat jij bij ons gekomen bent.’ Waarop ik zei: ‘Pardon juffrouw Arntzen, u bent bij ons gekomen.’ ‘Kijk, dat was nu op deze bijbelschool de hele tendens, de exegese. In hun ogen was ik ‘christin’ geworden. En dat was mijns inziens nu net niet waar. De Here God heeft Israël verkoren om een licht te zijn voor de volken en allen die tot geloof komen worden bij Israël ingelijfd. Het merkwaardige was dat ik, als ik die drie maanden in Alphen was, die ‘geestelijk-niet-thuis- gevoelens’ niet had. Integendeel. Achteraf zie je zo Gods leiding door alles heen. Op een gegeven moment wist ik zeker dat mijn weg niet in Arnhem lag en nam ik het besluit naar Den Haag terug te gaan. Waar zou ik gaan wonen? Ik wist het niet. Bij mijn vrienden was het huis vol. Ze hadden inmiddels vijf kinderen. Mijn voornemen was de helft van mijn tijd lessen te geven en de andere tijd in dienst van God te besteden. Je kunt dat nooit precies gescheiden houden natuurlijk, maar ik wilde, net als Paulus met tenten maken, in mijn eigen onderhoud voorzien. Er ging een hardnekkig praatje rond dat je de doop alleen maar deed voor het geld. God weet dat het mij om Hem ging en niets anders. Nu woonde er in Den Haag een zuster van mijn moeder. Ze was weduwe en haar jongste zoon woonde bij haar. Aan de Oranje laan, vlakbij het Hollands Spoor. Aan haar vroeg ik of zij voor mij een kamer had. Tante Rozet vond het goed. Het was geen grote kamer, maar iets van twee bij drie meter. Er konden een opklapbed staan, een tafel, twee stoelen en een klein orgeltje. Maar ik was er gelukkig mee. Zo begon mijn leven weer in Den Haag. Ik gaf piano- en orgellessen en de tijd die overbleef besteedde ik aan bezoeken en samenkomsten. Ik kwam veel bij dominee Rottenberg aan huis en had contacten in Den Haag en Scheveningen. In die tijd sprak ik ook wel eens op vrouwenbonden, bij de Vergadering van Gelovigen, bij baptisten en in Utrecht voor de Christelijk Gereformeerde Mannenvereniging. Meestal over het onderwerp: ‘Heeft Israël nog toekomst?’ Dat was toentertijd een brandende vraag en helaas nu ook nog. Heel veel kerken hadden Israël afgeschreven. Op zulke avonden was er altijd een levendige nabespreking. Vrij geregeld volgde ik ook de bijbelbesprekingen in Alphen aan de Rijn bij mijnheer De Graaf. Toch kwam er een tijd dat ik bij tante Rozet weg moest.

4. Leen

Ik had met de Here God een afspraak gemaakt. Mijn neef was een orthodoxe Jood. Hij vervulde trouw al zijn plichten. Tante niet zo. We hadden het goed met elkaar en lieten elkaar vrij. Ik had met God afgesproken dat, zodra we ons met elkaar zouden gaan bemoeien, ik weg zou gaan. Dat deed ik niet graag, want ik had het er erg naar mijn zin.

Op een avond sprak ds. Rottenberg in de Assendelftstraat, in gebouw Aurore. Het was stampvol; veel christenen, veel Joden en zo maar nieuwsgierigen. Het onderwerp was: ‘Is Jezus de Messias?’ Na afloop mochten er vragen gesteld worden. Daar werd veelvuldig gebruik van gemaakt. Opeens stond er een klein, dik vrouwtje op en vroeg: Ik hoor bij ons altijd negatief over Jezus spreken. Hoe komt het nu dat u, ook een Jood, zo positief over Hem spreekt?’ Dominee Rottenberg beantwoordde haar vraag en daarna werd de avond afgesloten. Ik keek nog even in de richting van die dame en bedacht, dat ik eigenlijk even naar haar toe zou moeten gaan. Maar ik had een drukke dag achter de rug en ik besloot gauw de fiets te pakken en naar huis te gaan. Ik voelde me moe. Ik stak de Prinsengracht over om linksaf te slaan, maar het was of ik een signaal kreeg om te stoppen en dus draaide ik me om. Daar zag ik, op de hoek van de straat, een groepje mensen staan en in het midden daarvan die kleine Joodse vrouw. Ik voegde mij erbij en hoorde hoe men trachtte haar ervan te overtuigen dat de spreker het absoluut verkeerd had, een afvallige. Na een tijdje mengde ik mij in het gesprek en zei: ‘Ik ben er ook zo een. Ik geloof dat Hij de Messias is, maar daarom ben ik nog geen afvallige. Integendeel, ik heb aangenomen wat God aan Mozes en de profeten beloofd heeft.’ Ik kreeg natuurlijk de wind van voren en na verloop van tijd ging de één na de ander weg en waren wij, beide vrouwen, alleen. Zij was lopend en ik informeerde waar zij woonde en zij vroeg waar ik woonde. Toen besloot ik met haar mee te lopen en dan terug te gaan naar mijn eigen woning. Want ze had enorm veel vragen. En zo gebeurde het, dat wij, al lopend en pratend, voor haar woning stonden. Maar Jet, want zo heette ze, was nog lang niet uitgepraat. Ze stelde voor dat zij mij naar huis zou brengen. Dat was een flink eind.

Ze woonde voorbij het Hobbemaplein en ik bij het station. Maar alle moeheid was verdwenen. Voor mijn deur maakten we een afspraak voor een verder gesprek en sindsdien was jet geregeld bij mij. Ze was getrouwd en had twee kinderen. Ook ik kwam bij haar thuis. Er woonde ook een zwager bij haar in. Ik kreeg natuurlijk de nodige kritiek, maar wat gaf dat? Ik was toch zelf net zo geweest. Er groeide tussen Jet en mij een hechte vriendschap. Ze hadden twee schatten van kinderen, een meisje en een jongen. Maar op een dag gebeurde het dat Jet, omdat ik niet thuis was, door tante was ontvangen. Dat gebeurde wel vaker en dan gaf tante de boodschappen door. Toch gaf de inhoud van dit gesprek tussen tante en Jet, maar ook de grootte van mijn kamertje, de doorslag om naar een andere ruimte uit te kijken.

Ik maakte er een gebedszaak van en besprak het met mijn vrienden Henk en Leny. We besloten naar een huis te zoeken waar we samen zouden kunnen wonen. Dat zou financieel wat aantrekkelijker zijn. Bovendien zou ik meer ruimte krijgen om mijn vele vrienden te kunnen ontvangen. Op een goede dag was daar precies een huis dat voor ons geschikt was. Ook financieel. Het was in de Van Bleiswijk- straat in het Statenkwartier. Het huis had een souterrain, stenen trapje af naar beneden, en twee kamers die uitkwamen op een grote tuin achter het huis. Bij de ingang van het huis was ook een stenen trap naar boven. Dat was de eigenlijke ingang. Daar waren twee grote kamers-en-suite met aan de achterzijde een ruime serre. Daarnaast weer een kamer. De grote achterkamer met serre was voor mij bestemd. De serre zou ik als keuken inrichten. In gedachten zag ik mijn kleine beetje meubilair daar al staan. We waren heel erg blij met het huis, dat voor beiden een aparte ingang had.

Toen gebeurde er iets wonderlijks. Het contract was net getekend toen er een telefoontje kwam op de Oranjelaan, of ik misschien even naar de Rijswijkseweg wilde komen. Ik stapte op de fiets en ging naar het opgegeven adres. Ik kende de mensen niet. Bij mijn komst vertelden ze van mij gehoord te hebben. Ze zeiden ook: ‘Onze moeder is heengegaan en nu hebben wij deze kamer nodig. Kunt u de piano misschien gebruiken?’ Maar er was ook een tafel van mahoniehout en uitklapbaar plus acht stoelen en een theetafel met servies. Ze keken me vragend aan. Ik was sprakeloos. In gedachten zag ik alles al staan in ons nieuwe huis. Een piano! Hoe kreeg ik dit allemaal in de Van Bleiswijkstraat? Daarbij dacht ik aan de transportkosten. Maar o wonder, daar hoorde ik hen zeggen: ‘Wij zorgen natuurlijk dat alles bij u komt.’ Toen was het mijn beurt om hen te vertellen dat ik ging verhuizen, maar dat ik pas over een paar weken de beschikking over de kamers kreeg. En dat ik dit alles ervoer als de goede hand van God over mijn leven. Dat Hij zijn fiat gaf aan de weg die ik ingeslagen was. Ik huppelde op mijn fietsje naar huis, God dankend. De volgende morgen lag er een brief in de bus van een echtpaar uit Bodegraven. Ze waren aan het verhuizen en of ik soms een eiken dressoir kon gebruiken. Enfin, toen we echt verhuisden, had ik een kant en klaar gemeubelde huiskamer. Ik moest denken aan Psalm 55:23 en 1 Petrus 5:7: ‘Werp al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u.’

Jet was één van de eersten die bij me kwam en me met alles hielp. Onderwijl praatten we over de eeuwige dingen die ons bezighielden. Ik had nog een fijne ervaring. Ik kreeg bericht van iemand die bepaalde dingen nodig had, maar niet in staat was het aan te schaffen. Het was iets uit de linnenkast. Ik ging naar de kast om er iets uit te nemen, ik weet niet meer exact wat het was, maar het was net of mij gezegd werd: ‘Neem het beste wat je hebt.’ En ik gehoorzaamde en dacht er verder niet meer over na. Enkele dagen later kreeg ik bezoek van een oude dame, mevrouw Zalman. Aan haar had ik veel te danken, zowel geestelijk als stoffelijk. Ze kwam mijn nieuwe woning bekijken. Terwijl we een boterhammetje aten vroeg ze: ‘Is er iets wat je nog niet hebt en waar ik je een plezier mee kan doen?’ ‘Ja,’ zei ik, ‘ik heb nog geen komkommerschaaf.’

Na het eten ging mevrouw Zalman even op mijn bed rusten. Ik dekte haar lekker toe, want toen was er nog geen centrale verwarming. In de serre had ik wel vitrage maar geen overgordijnen. Dat kon bruintje niet trekken. Dus echt behaaglijk warm was het niet. Maar als je jong bent, heb je daar niet zo’n erg in en ook geen last van.

Na het rusten zei mevrouw Zalman: ‘Nu weet ik wat je kunt gebruiken, Rebecca. Hier moeten overgordijnen komen en wel op de scheiding van de kamer en de serre. En zo stapten we ’s middags nog op lijn 8 (Scheveningen was vlak bij) en reden naar De Bijenkorf. Daar moest ik het beste uitzoeken wat er was. Kleur mocht ik zelf bepalen. Wat een prachtige gordijnen waren dat. Groen velours, dubbel. Jaren lang heb ik er nog plezier van gehad. En wat hielden ze de kou goed tegen in de winter. Ik vond dat ik een vorstelijke kamer had. Soms hielden we er avonden, een soort bijeenkomst. Dan was er meestal iemand die ik uitnodigde, die de leiding had. Ook mijnheer De Graaf en zijn huishoudster waren soms van de partij.

Mijn moeder, tante Rozet en nog een vriendin kwamen me vaak bezoeken. Dat was fijn. Ze konden eigenlijk alles op de voet volgen wat er zoal in mijn leven gebeurde. Het waren altijd fijne uurtjes samen. Mijn oudste zuster Bep woonde eerst met haar man en kinderen in Rotterdam. Daarna verhuisden ze naar Den Haag. In Rotterdam kwam ik bijna iedere week even bij hen langs. Er waren wat moeilijkheden gekomen in hun gezin. Bep en ik konden goed met elkaar overweg, met elkaar praten en soms ook elkaar helpen. Ze hadden drie jongens. De oudste Loutje, dan Hansje en de jongste Mautje (Maurits). Ik had eens tegen haar gezegd: ‘Denk er om Bep, je kunt altijd bij mij terecht hoor,’ want het was vaak erg moeilijk voor haar thuis. Ik bedoelde natuurlijk voor een poosje. Maar de tijd verstreek en ik hoorde gelukkig niets en dacht er niet meer zo aan.

Op een dag werd er bij mij gebeld en daar stond het echtpaar waar ik dat mooie dressoir van gekregen had voor de deur. Hij stond met zijn rug naar mij toe en zij vertelde me: ‘Rebecca, we kregen het in ons hart om je dit te brengen.’ Toen draaide hij zich om met in zijn handen een grote mand met levensmiddelen. Blikken met boerenkool, hutspot, vlees, koffie en thee, worst, kaas en boter, teveel om op te noemen. Verbaasd vroeg ik mij af: ‘Waar is dat nu voor?’ Met spoed maakte ik een tafeltje leeg en daar belandde die prachtige mand op. Een lust voor het oog. Toen ze weg waren kwam het oudste zoontje van mijn vrienden even binnen wippen. Hij keek met grote ogen naar de mand en vroeg waarom ik die gekregen had. Ik zei: ‘Een mijnheer en een mevrouw vertelden mij dat ze hem hier moesten brengen.’ Toen riep hij naar beneden: ‘Mamma, moet u eens komen kijken wat tante Rebecca nu weer van de lieve Heer gekregen heeft.’ De volgende avond werd er weer gebeld. Daar stond mijn zuster Bep voor de deur. ‘Mag ik bij je komen?’ vroeg ze. ‘Ik weet dat je het niet breed hebt, maar thuis gaat het op het ogenblik niet meer.’ We gingen de kamer in en ik wees op de mand en zei: ‘Kijk zus, die heb ik gisteren gekregen. God heeft al voor ons gezorgd.’

Intussen ging mijn leven gewoon door, met lessen geven en bezoeken afleggen en bezoek ontvangen. Zuster Bep maakte alles mee wat er bij mij gebeurde en Jet kwam iedere week bij me. Die twee babbelden dus ook met elkaar. Voordat Bep bij mij voor de deur stond, was haar man ook al een paar keer bij mij geweest. Wij konden goed met elkaar opschieten en bespraken samen de moeilijkheden. Ik had maar één oplossing en dat was: terug naar God. Natuurlijk werd mij duidelijk gemaakt dat ik niet getrouwd was. Dan zou ik wel anders piepen. Datzelfde had ik ook eens van een soldaat gehoord. Die zei: ‘Je moet eerst maar eens soldaat worden, dan praat je wel anders.’ Waarop ik antwoordde: ‘Er is toch geen aparte soldaten-bijbel?’ En dat geldt natuurlijk ook voor getrouwde en ongetrouwde mensen. In die tijd kwam ook hun oudste zoontje een poosje bij me wonen. Iedere dag las ik, gewoontegetrouw, uit de bijbel. Wat een vragen dat joch kon stellen. Onvoorstelbaar gewoonweg. Hij speelde erg graag in de tuin. Wanneer het dan tijd was om te eten, riep ik hem. Maar dan moest ik dat enige malen herhalen, want dan had hij geen zin.

Op een dag las ik de geschiedenis van David voor, dat hij de schapen hoedde en toen naar huis geroepen werd, op bevel van Samuel. Ook nu weer volop vragen en opmerkingen. Op een gegeven moment zei ik: ‘Zeg Loutje, denk je dat David na de eerste keer roepen direct gegaan is?’ Merkwaardig genoeg heb ik hem sindsdien nooit meer tweemaal hoeven te roepen.

Op 1 april 1940 ontving ik een telegram. Het luidde: Kom om vier uur. Ondertekend L. de Graaf. Bep en Jet waren bij me, maar trokken zich bescheiden terug. Precies om vier uur ging de bel en daar stond mijnheer De Graaf. Ik schonk een kop thee in en hij vroeg: ‘Hebt u mijn brief ontvangen?’ Ik schudde van nee. Even kwam hij daardoor in verlegenheid. Hij had mij namelijk in die brief voorbereid op zijn boodschap. Die brief arriveerde de volgende dag. Toen zei hij: Ik wil u vragen of u mijn vrouw wilt worden.’ Ik zei toen alleen: ‘Ja.’ En toen vielen we elkaar in de armen.

Naderhand vertelde hij mij dat hij God om een teken gevraagd had. Het moest een duidelijk antwoord zijn op de vraag. Niet zoiets van: ‘Ik moet er eerst nog eens over nadenken.’ Dat teken werd bevestigd door mijn korte ‘ja’. Korter had het niet gekund. Ik was toen 31 en hij 53 jaar. Daar in die kamer bogen we samen onze knieën en toen we opstonden zei Leen: ‘Rebecca, nu zijn wij voor God al man en vrouw.’ We riepen Bep en Jet en vertelden het hen. Er was grote vreugde in die kleine kring. We zijn eerst naar een boekhandel gegaan en hebben kaarten laten drukken. Daarna zijn we samen gaan eten op de Groot Hertoginnenlaan. Na de maaltijd gingen we wandelen en daar, op een bank, zei Leen: ‘Waarom zullen we lang wachten met trouwen, Rebecca? Boven de bank heb ik een fijne woning. We moeten alleen met juffrouw Burgers, de huishoudster, een overeenkomst maken.’ Ik reageerde: ‘Voor mij kan ze gewoon blijven.’ Dat vond Leen fijn. We zouden op 23 mei gaan trouwen. Het werden drukke weken. De lessen moest ik afzeggen en ik moest voorbereidingen treffen voor mijn vertrek naar Alphen aan de Rijn.

5. Oorlog

In Den Haag gingen we aantekenen op het Goudenregenplein. Leen stelde voor om daarna een kopje koffie te drinken in het Cornerhouse aan de Laan van Meerdervoort. Daar zei hij toen tegen mij: ‘Je hebt zeker wel gemerkt dat ik de datum veranderd heb?’ Ik keek hem stomverbaasd aan en zei: ‘Nee.’ Ik had het inderdaad niet gemerkt. Ik vroeg hem toen waarom. ‘Zie je die donkere wolken aan de politieke hemel dan niet?’ Nee, die zag ik helemaal niet. Ik zag geen enkele donkere wolk. Ik moet wel raar gekeken hebben, want hij zei: ‘Rebecca, als je het er niet mee eens bent, dan gaan we terug en veranderen de datum alsnog. Ik vroeg hem welke datum hij genomen had. ‘9 mei,’ antwoordde hij. ‘Dat scheelt maar veertien dagen,’ dacht ik en sprak er verder niet meer over. In de auto, onderweg naar Alphen aan de Rijn, waar we op de Bank zouden feestvieren, zat ik hem verwonderd aan te kijken. ‘Ben je zo,’ dacht ik, ‘zo zonder enig overleg iets van en voor ons samen, alleen beslissen.’ Later heb ik in deze zaak de leiding van Boven gezien.

Eindelijk was het 9 mei. Een stralende dag. Trouwens al de weken er voor waren als met zon overgoten. Mijn vrienden Leny en Henk hadden hun hele huis opengesteld voor familie, vrienden en kennissen. Mijn ouders kwamen helaas niet. Mijn vader had grote bezwaren dat ik met een christen trouwde. Moeder was de dag daarvoor geweest en dat was een kleine troost voor me. Tante Rozet en haar zoon en ook nog twee zusters van moeder waren er gelukkig wel. Ook gravin Van Limburg Stirum uit Arnhem was er bij. Ze woonde vlak bij die brug die in de daaropvolgende dagen nog een rol zou gaan spelen. We trouwden in het oude stadhuis op de Groenmarkt. Bruidsmeisjes waren de jongste zuster van Leen, Pie de Graaf en Margherite van Eymeren, de zuster van mijn vriendin Leny. Bruidsjonker was Pieter, het zoontje van mijn jongste tante. Daarna werd ons huwelijk ingezegend door ds. Rottenberg in het gebouw Aurore in de Assendelft – straat. Vandaar gingen we naar het hotel De Twee Steden op het Buitenhof. Er waren 51 gasten, waaronder zij, die mij in mijn moeilijkste perioden zo bijzonder hadden bijgestaan. Ze waren voor mij de verlengde handen van de Here God.

De procuratiehouders van de bank hadden mijn man gevraagd zijn huwelijksreis niet in het buitenland door te brengen. Zij zagen blijkbaar de bui ook al aankomen. Het werd, mede daarom, hotel Beekhuizen bij Arnhem. Na het diner gingen we even naar de moeder van Leen in Bodegraven, die ziek was en daarom niet op de bruiloft was geweest. Van Bodegraven door Arnhem heen, naar hotel Beekhuizen. De volgende morgen, op weg naar de eetzaal, zagen we veel mensen heen en weer lopen. We gingen aan tafel en de ober kwam bij ons. ‘U heeft het zeker al wel gehoord?’ was zijn vraag. We keken hem vragend aan, waarop hij antwoordde: ‘We zijn in oorlog. De Duitsers zijn ons land binnengevallen.’ Tegelijk hoorden we de vliegtuigen. We wisten toen nog niet dat ze Rotterdam gingen bombarderen. Even later kwamen er Duitse soldaten het hotel binnen. De hotelier had even te voren de hele voorraad uit de wijnkelder in de beek achter het hotel weg laten lopen. Hij was bang voor eventuele drinkgelagen. We zaten als ratten in de val. Mijn man sprak hem aan en zei: ‘Ik weet niet hoe lang dit gaat duren.’ Hij antwoordde: ‘Mijnheer De Graaf, zolang het duurt bent u onze gast. Geen zorgen over geld.’ Toch wilde mijn man zo snel mogelijk naar huis, naar de bank. We overlegden en ik stelde voor naar baron Van Heemstra te gaan, de commissaris van de koningin. Ik kende zijn vrouw. Zij zat in het bestuur van de bijbelschool. Hij woonde op de Markt in Arnhem. We maakten een afspraak, maar ook hij kon niets zinnigs zeggen over de toestand. Hij maakte ons wel duidelijk, dat als wij al iets zouden ondernemen, dat geheel voor eigen risiko was. Hij kon niets voor ons doen. We gingen meteen even informeren bij gravin Van Limburg Stirum. We spraken met haar over ons plan om naar Alphen te gaan. Ze vroeg ons, als we zouden gaan, een paar bijbelstudenten mee te willen nemen uit Den Haag en Rotterdam. Dat beloofden we. Voor we weggingen las de freule (zo noemden we haar) Psalm 37 met ons. Dat sprak ons in die omstandigheden allemaal erg aan. Na met elkaar gebeden te hebben, gingen we naar Beekhuizen en pakten onze koffers. We waren innerlijk overtuigd dat we terug konden gaan. Als ik me goed herinner, was dat de vijfde of zesde dag na onze aankomst.

Er was in het begin niet veel verkeer op de weg en dus konden we flink opschieten, maar op een gegeven moment kwam er een Duitser op een motorfiets aan en die gebaarde met zijn arm en schreeuwde: Zurück, zurück! We keerden om en kwamen bij een bos. Leen kon zich goed oriënteren en begreep dat hij hier dwars doorheen moest, om weer op de grote weg te komen. Dat ging een tijdje goed totdat we ineens allemaal neergevelde bomen zagen. Of dit door de Hollanders of door de Duitsers gedaan was, wisten we niet. De moeilijkheid was de auto er door te krijgen. Het lukte met veel achter- en vooruit manoeuvreren. Toen waren we weer op de grote weg naar Utrecht. Daar reden wel veel auto’s. Van de andere kant zagen we opeens een grote Duitse kolonne op ons afkomen. In mijn gedachten zie ik nog die dikke Duitse soldaat boven op een vrachtwagen staan en in een grote ketel roeren. Ze reden langzaam en wij stonden onverwacht in een file. Mijn man keek eens om zich heen, sloeg opeens links af en reed verder, dwars door de polder. Daar zagen we Hollandse soldaten lopen, zonder geweren. Ze hadden gehoord dat Koningin Wilhelmina weggegaan was en daardoor waren ze volkomen ontredderd. We stopten even en spraken met hen. We hadden een grote doos bonbons voor ons trouwen gekregen, maar daar waren we in die voorgaande dagen niet aan toe gekomen: geen trek. Maar nu kwam die doos goed van pas. We deelden de doos leeg en vervolgden onze weg. Een flink gedeelte van de polder stond onder water. Ik zie nog een eenzame koe boven op een terpje staan met rondom allemaal water. Eindelijk stonden we voor de bank. Later vertelde mijn man me dat er geen druppel benzine meer in de tank zat. Wat een vreugde om weer thuis te zijn. We zorgden dat onze medereizigsters veilig verder konden gaan. Mijn echte Alphense periode brak nu aan. Wat dat voor een grote omschakeling was, begrijp je achteraf veel beter. Leen en ik wisten dat God ons samengebracht had. Meer wisten we niet, maar het was genoeg.

Ik herinner mij nog goed, dat, toen er vele moeilijkheden kwamen, iemand eens tegen me zei: ‘Als Leen alles van te voren had geweten, dan was hij nooit met een Jodin getrouwd.’ Ik liet niets merken, maar schrok hevig. Ik ging regelrecht naar Leen toe en vroeg het hem op de man af. Zijn antwoord was: ‘Rebecca, ik heb daar nooit één seconde aan gedacht.’ Ik was gerust gesteld. Samen met Gods hulp — een drievoudig snoer wordt tenslotte niet gauw verbroken — konden we het aan.

6. De ster

In het begin van de oorlog kwam er een jonge vrouw naar me toe om te vragen of we iets voor Israël konden doen, ten eerste bidden voor Israël en daarnaast de schriften onderzoeken. Mijn antwoord was: ‘Brengt u de mensen maar bij elkaar. Ons huis staat open.’ Uit vele kerken en kringen kwamen ze; gereformeerden, hervormden, mensen van de Vergadering van Gelovigen. Twee dames van de familie Sam- som boden ook hun huis aan, het was dus niet altijd bij ons aan huis. Leen, voorheen scriba in de Nederlands Hervormde Kerk, was om verschillende redenen geen lid meer van de kerk. Dat was al lang voor ons trouwen. Verschillende gelovigen uit de omgeving kwamen regelmatig bij ons aan huis, boven de bank, omdat ook zij problemen hadden met hun kerken. Zo groeide er een gemeente die iedere zondagmorgen bij elkaar kwam. Omdat het groeide besloot men een zaaltje te huren. Eerst in de Raadhuisstraat, het zaaltje van Van Kemp. Maar dat werd te klein en men huurde toen het ijsclubgebouw. Ondanks de naam ‘ijsclub’ heerste er een warme en goede sfeer. De diensten werden daar elke zondagmorgen gehouden, maar als er extra diensten waren, bijvoorbeeld een doopdienst, dan kwamen we na afloop altijd boven de bank bij elkaar om te zingen en een kopje koffie te drinken. De dopelingen met hun familie en vrienden waren dan allen hartelijk welkom. Ook was er gelegenheid om een broodje te nuttigen. Daar waren dan de helpende handen van Jet en Co.

Toen wij ons eerste kind verwachtten en onze trouwe juffrouw Burgers ons zou gaan verlaten, omdat het voor haar te druk werd, kregen wij behoefte aan een goede hulp. Maar ja, voor ons gezin, met zoveel aanloop, waar vind je die persoon, die daarvoor geschikt is? Voor ons maar één weg: ook dit voorleggen aan de Here God. Op onze dames- krans maakte ik het ook bekend. Eén van de dames reageerde door te zeggen dat zij misschien wel iemand voor me wist. ‘Zal ik het haar eens vragen?’ Ik knikte bevestigend. De volgende dag meldde zich een klein dik meisje bij me. Mijn gedachten waren: ‘Die is veel te klein, die kan het hier nooit aan.’ Ik vroeg hoe oud ze was en vernam dat ze 16 jaar was. Ik wilde reageren en zeggen dat het niet door kon gaan. Maar dacht opeens: Je hebt er toch voor gebeden? En nu er iemand komt, stuur je die zomaar weg. Je kan het toch proberen en ze op proef nemen? En dat is gebeurd en Jet is bij ons gekomen. En hoe voorbeeldig heeft ze ons door de oorlogsjaren heen geholpen.

Op een keer sprak ik op de dameskrans bij Alice Samsom thuis aan de Buitenweg. Als tekst had ik, ongewild of gezocht, opgeslagen Jesaja 31:1: ‘Wee degenen die naar Egypte aftrekken om hulp en steunen op paarden en vertrouwen op wagens, omdat er velen zijn en op ruiters omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige Israëls en zoeken de Here niet.’ Ik vertaalde het ongeveer zo, daar op die dameskrans. Wanneer we in een noodsituatie verkeren, in welke vorm dan ook, dan moeten we geen hulp gaan zoeken bij een NSB-burgemeester of Advocaat, maar linea recta bij God. Enkele dagen later kreeg ik de rekening gepresenteerd! De Duitsers hadden weer eens een nieuwe wet uitgevaardigd, waardoor ons gezin opnieuw in gevaar verkeerde. Mijn schoonzuster, Pie de Graaf, die ook beneden op de bank werkte, kwam naar boven en zei dat één van de procuratiehouders voorstelde om met een bepaalde man te overleggen. Deze persoon was zeer goede vrienden met de Gestapo. Mijn man en ik luisterden, maar plotseling kwam de tekst van de dameskrans in mijn hart. We moesten het eenvoudigweg afwijzen, hoezeer men ook aandrong en ons misschien voor gek verklaarde.

Door alles heen is gebleken dat de Here God de leiding had in ons en mijn leven. Aan mijn geloof had ik het niet te danken, God alleen weet hoe bang ik soms was. Bovendien was ik in verwachting. Op een donderdagavond, onder de bijbelbespreking in het zaaltje van Van Kemp, kwamen de eerste weeën. Ik liet niets merken. De dag daarop zou Leen een jubileum meevieren van de Nationale Nederlanden, waar hij 25 jaar mee had samengewerkt. Het feest zou op de Alphense Bank zijn.

Dat feest is doorgegaan, althans voor Leen. Ik weet nog dat ik alleen even naar beneden ben gegaan om bij het aanbieden van het cadeau te zijn tussen twee weeën door. Op zaterdagmorgen, 5 april om 5 uur, werd onze zoon geboren. We noemden hem Theodorus Kors. De eerste naam betekent: ‘Gods geschenk’ en de tweede is de naam van Leens vader. Vol verwondering lag ik naar dit wonder te kijken; alles volmaakt aanwezig, de vingertjes en de nageltjes. Wat een kostbaar bezit en hoe dankbaar waren we beiden. En dat nog wel in zo’n donkere tijd. Maar het zou nog donkerder worden. Er was in die tijd overal gebrek aan. Je kon praktisch niets meer vrij kopen. Van alle kanten kwamen er niettemin geschenken, ook in de vorm van levensmiddelen. Bijzonder trof ons de fijne cake gebakken door twee Duitse dames. Daardoor kreeg ze voor ons een bijzondere smaak.

Intussen zat Hitler ook niet stil en bij monde van Seys Inquart kwamen er steeds meer maatregelen tegen de Joden. Ons tweede kind werd op Koninginnedag geboren: 30 april 1942. We noemden hem Johannes Salomon. Johannes betekent: God is genadig en Salomon was de naam van mijn vader. In de jaren 1940-1942 kwamen we door de zaken van mijn man nog al eens in Den Haag. Dan had ik altijd verdriet dat we niet naar mijn ouders konden gaan. Pa wilde immers niets met Leen, die goj, te maken hebben. Op een dag waren we weer in Den Haag. We reden met de tram en ik zei: ‘Leen, ik vind het zo erg dat we niet naar pa en moe kunnen gaan.’ Waarop Leen zei: ‘En waarom eigenlijk niet? Kom, Rebecca, we gaan er heen, wij hebben toch niets tegen hen, is het wel?’ En zo stapten we op een gegeven moment bij pa de zaak binnen in de Wagenstraat. Ik zei: ‘Pa, ik kom even mijn man voorstellen en Leen stak zijn hand naar hem uit.’ Het was een complete overval. Pa zei: ‘Ga maar vast naar boven, ik kom zo.’ Ik denk dat hij even moest bekomen van de schrik. Moeder was heel erg blij en al gauw zaten we met ons vieren thee te drinken. Het ging eigenlijk allemaal zo gewoon alsof er niets gebeurd was. Bij het weggaan stonden ze ons samen na te wuiven, maar zij waren nog niet bij ons in Alphen geweest. Dat veranderde toen we hen het bericht stuurden van de geboorte van onze tweede zoon, die pa’s naam droeg. Toen kwamen ze direct naar Alphen toe. Het ijs was gebroken en wat konden Leen en pa het samen goed vinden. We wisten toen nog niet dat het zien en bij elkaar komen maar van korte duur zou zijn. Maar ik ben nog altijd dankbaar dat er toen een echte verzoening tot stand is gekomen. Verzoening is eigenlijk de enige voorwaarde voor een gelukkig leven, met God en met elkaar.

Er kwamen steeds meer nieuwe wetten. Eén daarvan was dat we moesten opgeven bij het gemeentehuis, dat we Jood waren. Ik stapte de deur uit en ontmoette daar op straat de oude mevrouw Van Dien, ook een Jodin. Ze huilde. Ik vroeg haar waarom en ze zei dat ze het zo erg vond om zich op te geven als Jood. Daarop gaf ik haar een arm en samen gingen we naar het gemeentehuis. Ik probeerde haar te troosten. Ik weet wel dat ik de eerste was die mij liet inschrijven als Jodin in Alphen. Tot dan toe konden we nog vrij reizen, maar toen de gele ster kwam ging dat niet meer. Ik herinner me nog goed, dat ik, na de geboorte van Joop, voor het eerst tussen mijn man en de zuster op straat liep, er van tegenovergestelde richting een rij Duitse soldaten kwamen aanmarcheren. Toen ze mij zagen met de gele ster, hieven ze een spotlied aan en lachten honend. Weet u hoe ik dit ervaren heb7 Het was alsof Jesjoea voor mij liep. Hij had immers ook de gele ster moeten dragen. Ik voelde mij beschermd.

Er was in die tijd ook een beweging van christelijke werkgevers. Men had behoefte om met elkaar de moeilijkheden die er waren, te dragen. Mijn man zat in het bestuur. In 1942 zou er weer een conferentie zijn. Ik kon natuurlijk niet mee, want ik mocht niet meer reizen. Alleen met een speciale vergunning ging dat nog. Bovendien had ik mijn zoon aan de borst. Ik meen dat de conferentie drie dagen duurde. Op de tweede dag van die conferentie kreeg ik een oproep om de volgende dag naar Amsterdam te komen in de Euterpestraat. Daar zou ik een J op mijn persoonsbewijs krijgen. Ik belde Leen, hij zou direct naar huis komen. Hij deelde dat op de vergadering mee en vertelde de reden. Men beloofde hem dat ze in gedachte en gebed bij ons zouden zijn. Er was voor ons een speciale vergunning bij om met de bus naar Amsterdam te gaan.

En zo stapten we in een stampvolle bus, met Joop in mijn armen. Met zijn hoofdje lag hij net voor mijn gele ster. Direct stond een Duitse soldaat voor mij op. In dank nam ik dit van hem aan. Maar tot Amsterdam heb ik Joop zo vast gehouden, dat mijn gele ster niet zichtbaar was, hoewel mijn arm er als het ware lam van werd. In Amsterdam stapten we in een tram om de Euterpestraat te bereiken. In de tram heb ik blijkbaar de kleine Joop even aan Leen gegeven, want de tram stopte en de Hollandse conducteur beval ons uit te stappen, hij had mijn ster gezien. Ik heb Leen nog nooit zo verontwaardigd gezien. Hij was een zachtmoedig mens. Eindelijk kwamen we in de Euterpestraat aan en gingen naar binnen.

We hoorden beneden hard schreeuwen en na enig zoeken begrepen we dat we daar naar toe moesten. Achteraf ontdekten we dat we de verkeerde ingang genomen hadden. We waren namelijk door de hoofdingang gekomen en die was voor Joden verboden. Joden moesten achterom, via het souterrain. Er klonk daar een vreselijk rumoer en achter een lange tafel zaten Duitsers, met papieren voor zich. De sfeer was afschuwelijk. We wachtten op onze beurt en kwamen voor een lange Duitse officier te staan. Deze keek de papieren in. Hij begon wat vragen te stellen en keek ons daarbij vriendelijk aan: ‘Is dat uw kind?’ We antwoordden bevestigend. Hij bleef vriendelijk. Het was zo’n contrast; rondom ons geschreeuw en bevelen en tegenover ons stond zo’n vriendelijke man. Ik begreep het niet.

Toen de zaak afgehandeld was vertrokken we snel. We gingen naar vrienden op de Overtoom, ’s Avonds belde een vriend uit Alphen om te horen hoe alles gegaan was. Dat kon hij vragen omdat hij ook op die bewuste werkgeversconferentie was geweest. Ik vertelde hem dat we griezelig vriendelijk ontvangen waren, waarop hij reageerde: ‘Daar hebben wij speciaal om gevraagd, Rebecca.’ Het was een verhoring van de gebeden. De maatregelen tegen Joden werden steeds strenger. Zo kwam er een wet dat Joden alleen tussen drie en vier uur naar buiten mochten om eventuele inkopen te doen. Eens brak onze theepot. Vlak bij ons in de buurt stond ‘Het Landbouwhuis’, waar dergelijke waren verkocht werden. In de etalage stond wat ik zocht en dus stapte ik de winkel binnen. De eigenaar stond achter de toonbank en groette mij vriendelijk. Ik bestelde de theepot. Plotseling keek hij mij scherp aan maar zei niets. Ik herhaalde mijn vraag, met hetzelfde gevolg. Ik keek achterom en daar stond een vrouw, een vooraanstaand NSB-er. Ineens begreep ik wat er aan de hand was. In mijn onnozelheid had ik er helemaal niet aan gedacht dat het nog geen drie uur was toen ik het huis uitging. Ik was dus in overtreding. Snel verliet ik de winkel, zonder theepot, want voor zo’n overtreding kon je naar een concentratiekamp worden gestuurd. Dat kon zelfs al wanneer je je ster op je mantel vastgespeld in plaats van vastgenaaid had.

7. Alles kwijt

Op een morgen, zo eind september 1942, zaten we te ontbijten toen de bel ging. We wisten dat Leen al enige tijd op de gijzelaarslijst stond. Daarom hadden we een schuilplaats gemaakt bij de buurman, een mandenmaker. Vanaf ons platte dak konden wij die schuilplaats via een trap bereiken. Toen we de bel hoorden en een Duitse soldaat zagen staan, was Leen in een mum van tijd verdwenen. Mijn schoonzusje Pie, die kort tevoren was aangekomen vanuit Bodegraven om bij de bank te gaan werken, was juist even boven. Zij had de tegenwoordigheid van geest om op de plaats van Leen te gaan zitten en zijn boterham verder op te eten.

Intussen stond ik oog in oog met iemand van de Grüne Polizei, met in zijn hand een gedrukt wit boek. ‘Rebecca van Gelder?’, vroeg hij. Ik antwoordde: ‘Ja, aber nicht nur Van Gelder aber De Graaf-van Gelder.’ ‘Mitkommen,’ beval hij. Hij liep achter mij de trap op en ik zei tegen mijn schoonzuster: ‘Ga Leen maar halen, het is om mij te doen.’ Onze oudste zoon Theo zat in de kinderstoel heel gezellig te keuvelen met de soldaat. Ik vroeg de soldaat of ik de baby nog even de borst mocht geven in de andere kamer, maar dat mocht niet. Hij dacht zeker dat ik zou vluchten. Leen kwam binnen en er ontstond een gesprek tussen hem en de soldaat. Tenslotte zij Leen, toen er ook nog enkele NSB-ers bijgekomen waren: ‘Ik beroep mij op de Neurenberger wetten.’ Daar werden ze stil van en reageerden: ‘We komen vandaag nog terug.’ Buiten voor de bank zag het zwart van de mensen en ik zag onze Joodse vrienden bepakt en bezakt voorbijtrekken. Het is onmogelijk om te beschrijven of weer te geven wat er op dat moment in me omging. Deze beelden draag je altijd mee. Wat dat betreft is de oorlog nooit voorbij.

Ik herinner me nog goed, dat een moeder van tien kinderen bij ons naar boven glipte. Ze bad met mij voor hen die weggevoerd werden en voor mij om bewaring, dat ik niet opgepakt zou worden. Twee uur later kwamen dezelfde NSB-ers volkomen onverwacht terug. Ze stonden zo maar voor onze neus. Terwijl ze rond keken zeiden ze: ‘Hier is ook niets te halen.’ En ze verdwenen… Waarom dit gebeurde? Ik heb er geen verklaring voor. Wilden ze ons nog eens goed laten schrikken? Toen ik na de oorlog eens van een vriend afscheid nam met de woorden ‘Auf Wiedersehen’ keek hij mij boos aan en zei: ‘Rebecca, ik spreek nooit meer Duits.’ Ik stond even perplex, maar zei hem toen: ‘Dan kun je ook geen Nederlands meer spreken, want er zijn er geweest die een Jood voor één rijksdaalder verraden hebben.’ Het bovenstaande bevestigt dit. De grens tussen twee landen vormt niet de scheiding tussen goede en kwade mensen. Wij hadden vrienden in Duitsland, zeer betrouwbare, gelovige mensen, die omwille van hun overtuiging alles zijn kwijtgeraakt.

Na de geboorte van onze tweede zoon Joop kwam ik maar niet op krachten. Blijkbaar door alle spanningen. De dokter adviseerde ons er eens uit te gaan als het enigszins kon. Wij hadden vrienden in Woerdense Verlaat. Hun zuster en zwager hadden een boerderij. Daar konden we een poosje komen. We hadden er overigens al eens eerder gelogeerd met ons zoontje Theo. Nu gingen we met ons viertjes naar Woerdense Verlaat. De familie Blok ontving ons hartelijk. Boerderij Adrianahoeve was een heerlijk oord om wat bij te komen. Vader en moeder Blok hadden twee zoons en twee dochters. En zo jong als ze waren, ze hielpen allemaal mee. Onze vrienden daar, de families Van Wijngaarden en Van der Vaart, lieten zich in de oorlog niet onbetuigd. Waar mogelijk hielpen ze Joden en ‘Grieken’. We kregen er zelfs nog mijn ouders te logeren. Dat kon allemaal. (In Israël is voor hen een bos van 1000 bomen opgericht en Jad Vasjem in Jeruzalem heeft hen met een onderscheiding geëerd.)

Ook ds. Rottenberg was bij ons met zijn vrouw, in 1941. Nog zie ik hem en Leen samen wandelen. Die twee hebben wat afgepraat. Iets daarvan is mij bijgebleven. Dominee Rottenberg zei tegen Leen: ‘Mijnheer De Graaf, we leven in een heel bijzondere tijd. God is bezig voor Israël een groot feest voor te bereiden.’ Een profetisch woord als we daarbij aan 1948 denken. Ds. Rottenberg sprak nog bijna iedere zondag. Onder zijn gehoor bevonden zich vaak Duitsers en hij nam bepaald niet altijd een blad voor de mond. En dat nog wel als Jood. Dat moest een keer spaak lopen. Hij is dan ook gevangen genomen en in het concentratiekamp Mauthausen overleden aan een hartverlamming! Zo werd het althans aan zijn vrouw meegedeeld.

Bij de familie Van der Vaart op de Amstelkade zou op zekere avond iemand spreken. Hij werd vader Jantzen genoemd en kwam uit Rusland. Hij was in Rusland krachtdadig tot bekering gekomen en stond daardoor bloot aan hevige vervolging door de bolsjewisten. Zijn gehele gezin was in Rusland achtergebleven en werd als verloren beschouwd. Hij heeft er nooit meer iets van gehoord. Hij kwam na veel omzwervingen in Holland terecht. Die avond zou hij vertellen over zijn leven en wij waren daar ook voor uitgenodigd. Moeder Blok bood aan op onze kinderen te passen. Na een goede avond met elkaar gehad te hebben, wandelden wij terug naar de boerderij. Daar kwam moeder Blok ons tegemoet en zei: ‘Er is huiszoeking geweest.’ Een stel NSB-ers had gehoord van een Joods-communistisch complot en was de boerderij komen doorzoeken. Of de familie De Graaf thuis was en of er kinderen waren. ‘Ja,’ zei mevrouw Blok, ‘twee stuks.’ Ze wilden de kinderen ondervragen. Ze werden binnengelaten en stapten de slaapkamer van de kinderen in. Die lagen heerlijk te slapen. De NSB- ers keken overal rond en vroegen waar wij waren. Daar kon mevrouw Blok geen antwoord op geven en ze wist ook niet hoe laat we thuis zouden komen. Tenslotte dropen ze af, maar het was duidelijk, dat we in de gaten werden gehouden.

Op een avond wilden wij even een wandelingetje maken, maar omdat het wat kil was trok ik een dikker jasje aan. Na de wandeling stapten we het erf op en werden opgewacht door een paar mannen. Eén van hen wees op mijn jasje en zei: ‘U heeft geen ster op, maar u bent wel Jodin.’ Ik keek naar mijn jasje en zei: ‘De ster zit op mijn andere mantel. Ik heb er helemaal niet aan gedacht.’ Hij wilde die jas dan wel eens zien en ging mee naar binnen. Tegen zijn collega zei hij, dat die wel naar huis kon gaan. In de kamer ging hij zitten en zag een bijbel op tafel liggen en begon er wat in te bladeren. Hij zag allerlei strepen en aantekeningen en vroeg wat dat betekende. Ik vertelde hem dat ik dat deed als die tekst mij bijzonder aansprak, als ik ervoer dat God rechtstreeks tot mij sprak. ‘Hé,’ was zijn antwoord, ‘dat deed mijn moeder ook.’ Toen hij tenslotte wegging sprak hij met mijn man af dat ze de volgende morgen eens met elkaar zouden praten.

Ik moet zeggen dat toen hij weg was, ik mijzelf al in de gevangenis zag zitten. Ik had dan ook geen prettige nacht, ’s Morgens vroeg sloeg ik mijn dagboek Geheel voor Hem van Oswald Chambers op. Het was 27 juni. Ik las: ‘Wij worden gered, doch niet het onze.’ In mijn bijbel luidde de tekst: ‘Gij wordt gered, doch niet het Uwe’ (Jeremia 1:8). Ik las het later met Leen samen en hij zei: ‘Rebecca, dat mogen we geloven.’ Ik dacht dat deze tekst iets betekende in de sfeer van: jij wordt wel gered, maar je zult alles kwijt raken, arm worden. Hoe arm ik zou worden aan familie en vrienden had ik toen niet door. Dat iets dergelijks zou kunnen gebeuren ging mijn verstand te boven.

Toen Leen bij die NSB-er in Nieuwkoop was, vertelde deze dat hij mij moest aangeven bij de Gestapo in Den Haag. We gingen direct naar Alphen terug. We zouden van de heren in Den Haag wel nader horen. Na de oorlog vroeg een dame een gesprek aan bij mijn man op zijn privé-kantoor. Ze vertelde dat zij de vrouw was van de NSB-er in Nieuwkoop en of mijn man een goed woordje voor hem wilde doen. Hij had tenslotte mijn dossier laten verdwijnen. Feit is, dat ik inderdaad nooit meer iets van dat voorval in Woerdense Verlaat heb gehoord. Leen is nooit op haar  verzoek ingegaan. Wonderlijk, maar wie door God bewaard wordt, heeft niets te vrezen.

Eenmaal terug in Alphen dacht ik elke keer dat de bel ging: ‘Nu komen ze mij halen.’ Ik keek altijd boven van de trap af of ik zwarte laarzen zag. Lang nadat we in Alphen teruggekeerd waren ging de bel weer en ik zag zwarte laarzen en hoorde ik beneden een Hollandse stem zeggen: ‘Mevrouw De Graaf, weet u dat er bij u een ruit gebroken is?’ ‘Nee,’ riep ik, ‘komt u maar boven.’ We gingen samen naar de kinderkamer. Daar stonden de twee kinderen, half in de gordijnen gewikkeld om zich onzichtbaar te maken. De ruit was echt gesneuveld. Ik ben nog nooit zo blij geweest met een gebroken ruit. Midden in de oorlog kregen we bezoek van broeder Gutter uit Amsterdam. Een gelovig man, die het land door reisde en hen die in nood waren bemoedigde en vertroostte. Ik vergeet nooit zijn gebed aan het einde van het bezoek. ‘Here God, de satan strekt zijn hand uit naar dit gezin. Houdt U hem tegen.’ Dat gebed is verhoord.

De maatregelen tegen de Joden werden steeds dreigender. De gemengde huwelijken waren tot op zekere hoogte nog ongemoeid gelaten. Daarover heerste bij de Duitsers grote tweestrijd. Sommigen wilden ze nog beschermen, anderen wilden iedereen wegvoeren Toen wij ons derde kind verwachtten, bereikten ons steeds meer berichten over het wegvoeren van Joden.

Mijn zuster Bep was eens een keer bij ons en vertelde dat ze af en toe naar een kerk ging om wat meer over God te weten. Wij hadden natuurlijk met haar ook vaak over geestelijke zaken gesproken. Ik herinner me nog goed, dat ze na de geboorte van Joop bij ons was en ze met Leen meeging naar de samenkomst. Terug gekomen ging ze op de rand van mijn bed zitten en zei: ‘Dat was fijn wat Leen vanmorgen zei in de dienst. Weet je, Rebecca, ik kan wel in God geloven, maar niet in Jezus.’ Ik antwoordde: ‘Jezus zegt zelf dat Hij de weg naar God is, Bep. Die weg zijn wij kwijt geraakt.’ Bij een volgend bezoek vertelde ze mij: ‘Ik ben zondag in een vrijzinnige kerk geweest. Wist jij dat deze mensen niet geloven dat Jezus de Zoon van God is? Dat geloof ik wel hoor!’ Toen ze weg was, wipte ik even naar beneden, naar Leen en zei: ‘Al zou ik Bep nooit meer terugzien, dan weet ik toch, dat ook zij gelooft dat Jezus de Messias is.’ Ik vertelde wat ze zomaar aan mij verteld had. En ik heb Bep nooit meer gezien. Ze is eerst naar Westerbork gebracht. Wat later kreeg ik van een Joodse verpleegster een briefje dat Bep geschreven had. Ze had het haar vanuit de wegrijdende trein gegeven. Ik las: ‘Zeg aan de kinderen dat God liefde is. Ben gisteravond nog gedoopt. Ga dus niet alleen, maar ga rijk weg.’ Later heb ik gehoord dat zij door een messiasbelijdende Jood gedoopt is (de doop is tenslotte een Joodse handeling).

Op een nacht droomde ik. Ik lag op de divan in de grote hoekkamer. Ik zag de huiskamerdeur opengaan en daar stond moeder. Ze wuifde naar me en zei: ‘Dag Becca, dag Becca.’ Diezelfde dag is mijn moeder ook weggevoerd. Iemand die juist in Den Haag was, kwam het ons vertellen. Korte tijd later ontvingen we het bericht dat pa, die had weten te ontsnappen, toch gevangen genomen was en nu op de Paviljoensgracht verbleef. Leen, als Ariër, mocht reizen en ging er onmiddellijk naar toe. Ze hebben nog rustig met elkaar kunnen spreken, wat op zichzelf al een wonder was. Toen het gesprek ten einde liep, zei Leen: ‘Pa, Rebecca vroeg me u te zeggen of u God wilde zoeken. Hij laat zich vinden.’ Daarop knikte pa ‘ja’. Dit is het laatste wat we van mijn ouders gehoord hebben. Behalve dat ze vanaf Westerbork naar Sobibor gebracht zijn en daar zijn omgekomen.

8. De schuilplaats

Het was 29 oktober 1943, de verjaardag van mijn moeder die al weggevoerd was. Het zal zo vijf uur, half zes geweest zijn toen Leen naar boven kwam. Aan zijn gezicht zag ik dat er iets aan de hand was. Hij vertelde dat de heer Meijer, een advocaat, bij hem was geweest die had gezegd: ‘Nu moet u maken dat u wegkomt. Ze zijn aan de gemengde huwelijken begonnen.’ We beraadslaagden. Mr. Meijer zat tenslotte in de ondergrondse en had het bericht uit de eerste hand. Er was overigens nog een gemengd huwelijk in Alphen en Leen besloot dat echtpaar eerst te waarschuwen. De kraamverzorgster was al bij ons in verband met de komst van ons derde kind (op 16 november werd onze Ruth geboren). We besloten de kinderen maar eerst te laten slapen. Ik was erg geschrokken en van slag. De kinderen riepen: ‘Mamma, pelano spelen.’ Dat betekende ‘piano spelen’. Voor het slapen gaan was mijn gewoonte ‘Ik ga slapen, ik ben moe’ te spelen. Dat zongen we dan met elkaar. Dat gebeurde ook nu, maar de tranen vielen op de toetsen. Even daarna zou er een bidstond voor de nood van de tijd zijn. Er kwam een juffrouw binnen. Wij gingen tegenover elkaar in de huiskamer zitten en ik vertelde haar in het kort wat er aan de hand was. En zij begon te bidden. Er drong niets van tot mij door. Er heerste complete chaos van binnen.

Terwijl zij bad, hoorde ik ineens in mijn linkeroor een stem zeggen: ‘Lees wat je vanmorgen hebt gelezen.’ Toen zij klaar was met haar gebed, stond ik op en zei haar: ‘Ik moet lezen wat ik vanmorgen heb gelezen.’ Ik had mijn bijbel niet bij me en liep naar de slaapkamer om hem te pakken. Ondertussen vroeg ik God wat ik gelezen had. Ik wist het niet meer. Langzamerhand herinnerde ik me dat het Spreuken 3:25 en 26 was: ‘Vrees niet voor plotselinge schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen als ze komt. Want de Here zal u tot hope wezen (nieuwe vertaling: want de Here zal uw betrouwen zijn) en Hij zal uw voet ervoor bewaren gevangen te worden.’ Het was of ik een telegram van God kreeg en ik riep: ‘Dank U wel.’ Tegelijkertijd hoorde ik Leen thuiskomen. Ik liep hem tegemoet en zei: ‘Leen, we gaan niet weg.’ ‘Hoezo?’ vroeg hij mij en ik vertelde hem alles. We besloten thuis te blijven. Pas later is mij duidelijk geworden hoe de Here God met ons meeleeft, ja, dat zijn oog op ons is. Hoe Hij ons leert en onderwijst aangaande de weg die wij te gaan hebben en dat Hij ons raad geeft (Psalm 32:8). Wat was het geval? Ik had die teksten die morgen al gelezen. God had mij dus al gewaarschuwd. Maar ik had daar toen geen acht op geslagen. Dat gebeurt zo vaak in het leven. Toen kwam die bedreigende en chaotische toestand bij mij.

En nu komt weer mijn exegese, waar Leen me af en toe mee plaagde: de Here God heeft mij gezien en heeft één van zijn ‘dienende geesten’ (Hebr. 1:14) uitgezonden en gezegd: ‘Ga nog eens een keer naar Rebecca en zeg haar dat ze moet lezen wat ze vanmorgen ook al gelezen heeft.’ ‘Want in Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij’ (Handelingen 17:28). Wat een waar woord!

Tweemaal heb ik gedurende de oorlog duidelijk een stem gehoord. Daarna nooit meer. Ik had dit blijkbaar nodig om ondersteund en geholpen te worden alléén op Hem te vertrouwen. Van de tweede keer weet ik de datum niet meer, maar nog wel precies hoe het was. Leen was beneden in de bank en ik stond in de keuken voor het gasfornuis in de pap te roeren. Toen hoorde ik duidelijk zeggen: ‘Aan uw zijde zullen er duizend vallen en tienduizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.’ Ik keerde mij om, om te zien of er iemand was en keek uit het raam, want daar was een plat dak. Maar ik zag niets of niemand. Even daarna kwam Leen boven om te eten en ik vertelde hem natuurlijk direct wat er gebeurd was. Hij keek mij verwonderd aan en zei: Ik kreeg zoéven de tekst: ‘Slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen en gij zult de vergelding der goddelozen zien.’ Leen had geen stem gehoord. Het wonderlijke hiervan was, dat beide teksten op elkaar volgen in Psalm 91 vers 7 en 8.

Wij hebben het gezien, toen de oorlog voorbij was. Als de dag van gisteren herinner ik mij hoe Leen ’s morgens vroeg riep: ‘Rebecca, kom eens kijken.’ En wij zagen een lange rij NSB-ers die in de Martha Stichting geïnterneerd waren, naar de trein lopen, op weg naar Westerbork. Jesaja 14:2 zegt: ‘En zij zullen gevangen houden degenen die hen gevangen hielden.’ Op dat ogenblik moest ik denken aan: ‘Gij zult de vergelding der goddelozen zien.’ Het was natuurlijk maar een momentopname, want de oorlog was nog niet voorbij.

Ik lag een keer ziek op bed en had flinke verhoging. Daar kwam Leen boven en zei: ‘Rebecca, nu moet je echt weg. Ik werd van drie kanten gewaarschuwd vanwege de gemengde huwelijken. Dit mogen we niet in de wind slaan. Mijnheer Van Staalduinen, een van de procuratiehouders, biedt je onderdak aan recht tegenover de bank.’ Ik ging, hoewel met tegenzin, omdat onze oudste zoon, Theo, jarig was (het was 5 april 1944). Een meisje, Dea was haar naam, dat ons in die dagen hielp, nam de beide jongetjes mee naar het huis van haar ouders. Ik zie ze nog gaan, afschuwelijk. Ikzelf werd liefdevol ontvangen door de huishoudster van de heer Van Staalduinen. Ik kreeg een grote kamer beneden en kon recht op de bank kijken. Er kwam een onrustig gevoel over me. Van Staalduinen kwam binnen en merkte dat ik niet rustig was. Ik vertelde het hem ook. ‘Mevrouw De Graaf,’ probeerde hij me gerust te stellen, ‘u moet niet naar huis gaan. Beter één dag langer weg dan vijf minuten te vroeg.’ Ik antwoordde: ‘God laat me niet langer ronddolen dan nodig is.’ Ik schrok van mijn eigen woorden. Wat een grootspraak.

Toen ik weer alleen in de kamer was, kwam dat onrustige gevoel opnieuw over mij. Op tafel lag een grote gezinsbijbel met een heel eigen vertaling. Ik riep tot God en vroeg om antwoord. Ik nam de bijbel en sloeg die open. Mijn oog viel op Nehemia 4:12 waar ik las: ‘Gij moet tot ons wederkeren.’ Voor mij betekende dat terugkeren naar huis. Ik deelde dit per telefoon aan Leen mee, maar hij was het niet met mij eens. Dus bleef ik daar die nacht slapen. De volgende morgen belde ik mijn man op en zei: ‘Leen, ik moet naar huis, ik sta niet in de wil van God.’ Hij kwam en zei: ‘Ik moet je iets vertellen. Je weet dat ik nooit zoals jij de bijbel willekeurig opensla. Vanmorgen deed ik het wel en ik sloeg Nehemia 6 op.’ Hij had van vers 11 tot 13 gelezen. Hij vervolgde: ‘Rebecca, weet je wat mij het meeste trof in die verzen? ‘Zou een man als ik vlieden! Daarom was hij gestuurd, opdat ik zou vrezen en alzo doen en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot een kwade naam, opdat zij mij zouden honen.’ Ik wist dat vele mensen al zo dikwijls naar mijn man hadden gekeken in moeilijke situaties en zich afvroegen, wat mijnheer De Graaf zou doen. Ons vertrouwen moest alleen op God gericht zijn. Daarom was ik eigenlijk zo bang bij mensen hulp te vragen. Na het lezen van Nehemia 6:13 zei Leen: ‘Rebecca, kom maar mee, we gaan naar huis.’ En God heeft bevestigd dat dit een goede beslissing was.

23 februari 1943, Leens moeder werd 80 jaar. Die dag zou de hele familie bij elkaar komen in Bodegraven. Ik mocht niet met een trein of met een bus want Joden mochten niet meer reizen. De vraag kwam bij mij of ik wel gaan moest. Het werd mij zeer afgeraden en ik wist zelf ook niet wat te doen. Gewoontegetrouw sloeg ik de bijbel open en las in 1 Koningen 1:53, het laatste gedeelte: ‘En Salomo zeide tot hem: ga heen naar uw huis.’ Duidelijker kon het niet zijn voor mij. Leen en ik gingen daarna van Alphen naar Bodegraven lopen, ’s Morgens heen, ’s middags terug. Bij Zwammerdam zagen we op de terugweg bij een karretje het hoofd van de NSB uit Alphen staan. Mijn knieën begonnen wel te knikken, want ik mocht als Jood niet uit mijn woonplaats gaan. Ik was dus dubbel in overtreding. Maar Gods boodschap van die morgen kwam uit, want we hebben nooit iets over die ontmoeting in Zwammerdam gehoord en dus van de reis naar Bodegraven geen enkel nadeel ondervonden.

We kregen inkwartiering. Iemand van de Grüne Polizei kwam kijken of er een goede accommodatie was voor een officier, het werd de suite. We hadden wel een haard in de suite, maar het elleboogje van de pijp was stuk en wij hadden geen mogelijkheid om zoiets te laten maken. Trouwens er waren ook geen kolen. Maar geen nood, in een mum van tijd was de elleboog gemaakt en kwamen er kolen. Er zou ook nog iemand komen om dagelijks het bed op te maken. Voor die hulp hebben we bedankt. Dat was net iets teveel van het goede. Maar toen ik voor de eerste keer dat divanbed op moest maken, wist ik me geen raad. Telkens moest ik aan mijn ouders denken en aan al onze vrienden, die misschien langs de weg lagen of nog erger. Met Gods hulp ben ik er tenslotte doorgekomen. Wel moet ik zeggen dat deze officier zich keurig gedragen heeft. Hij wist wie ik was, want bij het binnenkomen stelde mijn man mij aan hem voor en zei: ‘Mijn vrouw is Jodin.’ Hij sprak mij aan met ‘Gnadige Frau’. Tegelijkertijd hadden wij een nicht van mijn man met haar man in huis. Op zichzelf niets bijzonders, ware het niet dat hij ondergedoken zat. Hij, Chris, was al een keer in Duitsland geweest en had er schoon genoeg van. Sari, de nicht, verwachtte haar eerste baby.

Nu hadden we in de eetkamer een schuilplaats, die voor mij gemaakt was. Tot dan toe was hij nooit gebruikt, maar nu kwam hij goed van pas. Wanneer de officier thuiskwam en Chris met ons in de eetkamer was, ging hij plat tegen de muur staan, tot de officier voorbij was. Een familielid trachtte ons af te raden Chris nog langer in huis te houden. Veel te gevaarlijk. ‘Juist niet,’ zei Leen, ‘want niemand verwacht dat bij een Duitse officier ook nog een onderduiker in huis zit.’

9. Het eeuwige volk

Op een zaterdagmorgen gingen wij samen even naar de familie N. om over een bepaalde zaak te spreken. Het was ook een gemengd huwelijk. Het echtpaar woonde tegenover het Nutsgebouw. We hadden op dat moment een logé, een oude dame uit Den Haag. Ik kon geen kwaad bij haar doen en we waren erg op elkaar gesteld. Zij was zeer anti-Duits en als ze maar ergens gevaar voor mij zag, werd ze als een leeuwin. Wij zaten net bij de familie N. en daar kwam onze Jet aanhollen. Ze was helemaal buiten adem. We keken verwonderd en vroegen wat er aan de hand was. Jet vertelde haar verhaal:

‘Er werd gebeld. Ik liep naar beneden en deed open. Daar stond een Duitse soldaat voor de deur. Hij vroeg of mijnheer De Graaf thuis was. Ik schudde mijn hoofd. Hij gaf zijn visitekaartje af en vroeg of hij op mijnheer De Graaf kon wachten. Ik keek hem aan en heb toen ja gezegd.’ Ze waren naar boven gegaan en daar stond juffrouw Strikling, de logé, die met argusogen toekeek naar wat er gebeurde. De Duitser werd in de kamer gelaten en toen kwam juffrouw Strikling in het geweer. Ze ging tegen die arme Jet tekeer en zei of ze helemaal gek geworden was. ‘Ga direct naar mijnheer en mevrouw toe om ze te waarschuwen.’ Dat was het verhaal en ter verontschuldiging zei ze: Ik keek hem aan en hij had zulke lieve ogen.’ Het kon volgens Jet dus geen slecht mens zijn.

Leen zei tegen Jet: ‘We komen er zo aan.’ Eenmaal thuis in de kamer stond de Duitser direct op en wij stelden ons voor. Natuurlijk zei Leen erbij dat ik Jodin was. Zijn ogen (Jet had gelijk) begonnen te schitteren en hij zei hoe lief hij Israël had. Hij vertelde dat hij in Liebenzell op een bijbelschool zat, maar opgeroepen was voor het bezettingsleger in Holland. Hij was gelegerd in Ede. In Liebenzell had hij geïnformeerd waar hij in Holland gemeenschap met gelovigen kon hebben. Toen had hij ons adres gekregen en daar was hij nu. De goede man wist van mijn bestaan niets af. Maar merkwaardig genoeg was er tussen hem en mij niets afstotends. Integendeel, wij waren verbonden met elkaar in Israels God en in de Messias. We leerden dwars door het uniform heen te kijken. Hij vertelde dat hij nog onlangs in China was geweest, voor een tentevangelisatie-campagne. Wij op onze beurt vertelden hem dat er vanavond bij ons een bidstond was en de volgende morgen een dienst in het gebouw van de ijsclub. ‘Morgenavond komt er een zendelinge uit China spreken,’ vulden we aan. We nodigden de Duitser hartelijk uit om dat mee te maken en hij nam de uitnodiging aan.

De man overnachtte bij ons. Op de bidstond en in de samenkomst, die toch een besloten karakter droegen, vertelde Leen dat deze Duitse soldaat een gelovige was. Het werd zondagmiddag en wij verwachtten de zendelinge uit China, ze zou namelijk eerst bij ons aankomen. Het werd later en later, maar er kwam niemand opdagen. We begrepen er niets van. Hoe moest dat nu vanavond? Er was bekendheid aan gegeven en dus verwachtten wij nogal wat mensen. Opeens vroeg Leen aan onze Duitse gast: ‘Zou u vanavond iets willen vertellen over China?’ Deze antwoordde: ‘Zijn er hier verraders?’ ‘Ja,’ zei Leen. De man dacht even na en zei: ‘Toch doe ik het.’

Zo gingen we naar de zaal. Ik zie nog die verbaasde en afwerende gezichten van de aanwezigen voor me. We liepen naar voren en het eerste wat die soldaat deed was zijn koppel met pistool losgespen en ophangen aan de muur. Iedereen kon het zien. Leen vertelde dat de spreekster van deze avond niet gekomen was, maar dat onze gast toevallig ook in China was geweest. Later hoorden wij dat er die avond beslissingen voor de Heer zijn genomen! Achteraf bleek dat de bewuste zendelinge, die tijdelijk in Scheveningen woonde, die zaterdag onverwachts moest evacueren en ons niet meer kon bereiken om ons in te lichten. Maar God had voorzien!

Na de dienst gingen we nog even naar huis om vervolgens de soldaat naar de trein te brengen. Bij het afscheid in de hal was ook juffrouw Strikling aanwezig, die omgeslagen was als een blad aan de boom, evenals Jet en nog enkele anderen. Toen hij bij Jet kwam vroeg de soldaat haar: ‘Bist du schon ein Kind Gottes?’ Jet schudde van nee. Ze was wel gereformeerd, dat had ze mij uitdrukkelijk gezegd bij haar sollicitatie. We brachten onze broeder naar de trein en konden terugzien op een gezegend weekend.

De volgende dag waren Jet en ik samen de afwas aan het doen. Opeens vroeg Jet: ‘Zou die soldaat nog wel eens terug komen, mevrouw?’ ‘Dat kan ik niet zeggen,’ antwoordde ik, ‘want er is niets afgesproken. Maar waarom vraag je dat?’ ‘Dan zou ik hem nu wèl een antwoord kunnen geven,’ zei Jet. De vraag van die Duitse soldaat was voor haar de stoot geweest om haar hart en leven aan God te geven. Ze is tot op de dag van vandaag trouw gebleven aan die beslissing. De man die later haar echtgenoot werd, was ook aanwezig op die avond in het gebouw van de ijsclub. Hij nam die avond de beslissing om in dienst van God te gaan werken. Hetgeen ook gebeurd is. Ze hebben acht kinderen gekregen. Hoe wonderlijk zijn Gods wegen.

Op een dag werden we opgebeld door onze vriend Wout. Hij zat met een probleem. Twee Joodse dames uit Den Haag waren op weg naar zijn huis in Woerdense Verlaat, maar ze moesten voor één nacht ergens ondergebracht worden. De vraag was of dat bij ons kon. Hij had de hele route voor hen uitgestippeld, hij was namelijk de leider van een groep in Woerdense Verlaat. Natuurlijk was het goed. De dames arriveerden. Omdat ik nog een boodschap moest doen, trok ik mijn mantel aan. Eén van de dames schrok zichtbaar. Toen besefte ik dat ze mijn ster zag. Ik stelde haar gerust. De volgende dag zouden wij hen naar een pont in het Aarkanaal brengen. Aan de overkant zou Wout hen met paard en wagen opwachten en hen van ons overnemen. De dames hadden ieder een koffer bij zich en we besloten die in de kinderwagen te leggen en er netjes een dekentje overheen te doen.

Het was nog een flink eind lopen. Wij liepen voorop, zij volgden op ongeveer honderd meter afstand. We waren nog maar in de Van Boetselaerstraat of we hoorden opeens vliegtuigen heel laag over ons heen vliegen. We gingen met onze rug tegen de huizen staan. Het was een afschuwelijke gewaarwording, die gepaard ging met een oorverdovend lawaai. Er woonden daar vrienden van Leen, die ging vragen of we even binnen mochten schuilen. Hij belde aan, zei wie we waren en wie we bij ons hadden. We kregen nul op het rekest. Ondertussen werd de hefbrug over de Gouwe gebombardeerd. Wij zochten, zo goed en zo kwaad als het ging, dekking bij de huizen en eindelijk verdwenen de vliegtuigen, zodat wij onze weg konden vervolgen. Eenmaal bij de pont aangekomen zagen we Wout aan de overkant zitten, rustig wachtend op de bok van de wagen. De man van de pont was een ‘goeie’. Daar gingen onze dames scheep naar de overkant. Ze zijn, Gode zij dank, door de oorlog heen gekomen. Een zoon van één van hen was bij een broer van Wout ondergedoken, ook hij heeft de oorlog overleefd. Hij is nu professor in Jeruzalem.

Toen Chris en Sary bij ons in huis waren moest de buikriem steeds strakker worden aangehaald. Voor Chris waren er natuurlijk geen bonnen. We probeerden daarom allerlei dingen te ruilen tegen etenswaren. Wol was bijvoorbeeld een goed ruilmiddel. Ik had bovendien nog een leren jas. Maar aan het aantal ruilobjecten kwam op een gegeven moment een eind. Op een vrijdagavond — we waren aan de laatste aardappelen bezig — zei Leen: ‘We moeten met elkaar overleggen wat ons nu verder te doen staat.’ Ik had nog enkele knotjes wol, maar het was niet veel soeps. We keken elkaar een beetje verslagen aan. Ik kon natuurlijk mijn mond niet houden en stelde voor dat we er voor zouden bidden. Ja, dat zal wel helpen,’ merkte Sary schampertjes op. Voor ons was er echter geen andere weg. Onze mogelijkheden waren uitgeput.

Het werd zaterdagmorgen en Leen zou even naar Hazebroek gaan om op de bonnetjes wat eten te halen. Hij liep in de Bruggestraat en werd opeens op zijn schouder getikt. ‘Mijnheer De Graaf, heeft u nog genoeg aardappelen?’ Leen antwoordde: ‘Nog net genoeg voor één keer.’ ‘Komt voor mekaar,’ was de laconieke reactie. Ongeveer een uur later stond er een grote zak aardappelen in de keuken. Maar de dag was nog niet om. ’s Avonds, na de bidstond, stonden er op het aanrecht in de keuken twee witte broden, twee flessen melk en een pot honing. We riepen Chris en Sary om hen onze schatten te laten zien. We hoefden niets meer te zeggen. Staat er niet geschreven: ‘Roept Mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal u uitredden’?

U zult wellicht zeggen: En die anderen dan, die ook geroepen hebben maar die God niet geholpen heeft? Ik kan me zo’n reactie heel goed voorstellen, maar heb er geen antwoord op. Wel weet ik dat er in hoofdstuk 11 van de brief aan de Hebreeën (aan de Joden dus) over twee groepen wordt gesproken. In het begin lees je telkens: ‘Door het geloof…, door het geloof…’ Maar in vers 36 gaat het ineens over ‘anderen’, óók gelovigen. De Here is niet na te rekenen. Kunnen deze tweeërlei groepen ook niet in één mensenleven voorkomen? Wij weten toch eigenlijk niet wat ons nog te wachtenstaat? Trouwens, Paulus, een Israëliet, wist hier ook van mee te praten. Lees maar in 2 Korinthiërs 11, vanaf vers 22. In zijn eigen leven wist hij van beide groepen alles af. ‘Vele zijn de tegenspoeden der rechtvaardigen, maar uit die allen redt hen de Here,’ roept David uit (Ps. 34:20). En wist die niet wat lijden en vervolging was? Ik bevind mij dus in goed gezelschap.

Alles werd steeds nijpender. Zowel wat betreft het voedsel als de maatregelen. Er waren.allerlei berichten en geruchten, ook weer in verband met de gemengde huwelijken. Onder de Duitsers spitste het conflict over de gemengde huwelijken zich toe. Eén partij stelde voor alle Joden weg te halen, een andere wilde de gemengde huwelijken nog sparen. Gevolg hiervan was dat sommigen zich lieten scheiden, waarvan enkelen voor de schijn. Zo kon het gebeuren dat het de ene groep Duitsers lukte een groep van 53 Joodse vrouwen uit gemengde huwelijken naar Westerbork te transporteren. Maar er kwam een bevel van degenen die tegen deze maatregel gekant waren en ze werden weer teruggeroepen. 51 van hen zijn ook inderdaad teruggekomen. Want ‘de heren’ kwamen twee personen tekort voor een ander transport en pakten daarvoor twee willekeurige vrouwen uit deze groep van 53. Wat kan een mens zich verlagen.

Het enige wat me met het oog op dergelijke onbegrijpelijke dingen vasthoudt zijn de woorden uit Psalm 10:14: ‘Gij aanschouwt de moeite en het verdriet.’ Anders zou ik er geen raad mee weten. Ook David worstelde hiermee. Al kwam er in 1945 een einde aan de oorlog, in mijn leven is hij nooit voorbij. Nog hoor ik de vliegtuigen, die witte broden naar beneden dropten. Een soort manna. En ik vergeet nooit meer het bericht waar Leen mee naar boven kwam: ‘Rebecca, het zuiden is bevrijd door de Canadezen.’ Tjonge, wat waren we blij. Dat gaf hoop voor heel Nederland. Beneden op de bank hingen ze bijna aan de radio. En ja hoor, daar kwam het bericht dat de Canadezen via Bodegraven naar Alphen zouden komen. De Alphense Bank stond op een viersprong: de Schoolstraat (nu Castellumstraat), de Juliana- straat, de Bruggestraat en de Prins Hendrikstraat. Vanuit onze ramen er waren er elf — konden we de hele Prins Hendrikstraat zien. Er werd ons gevraagd of de mensen bij ons binnen mochten komen om te kijken. Zo gebeurde het dat een kleine menigte mensen in ons huis de komst van de Canadezen afwachtte. Het werd zo vol dat er voor onszelf bij geen enkel raam meer een plaatsje vrij was. Dat hebben we toen toch maar even geregeld en we reserveerden het hoekraam voor onszelf.

Daar kwamen ze aan, onze bevrijders. Er brak een luid gejubel los en even was alle leed vergeten. Maar vlak voor de komst van de Canadezen kwam een groepje jongelui binnen. Of ze vanuit ons raam pamfletten mochten strooien, vroegen ze, pamfletten met de beeltenis van koninging Wilhelmina erop. Plotseling kwamen er auto’s met Duitsers voorbij. Ze bliezen de aftocht maar blijkbaar heeft één van die Duitsers zo’n pamflet met de foto van de koningin in handen gekregen, want opeens hoorden we schieten. De jongelui gingen snel plat op de grond liggen. Het naambord van de bank was compleet stukgeschoten!

Natuurlijk hebben we in die bange oorlogsjaren alles met onze kinderen meegemaakt. Een paar herinneringen wil ik noemen. Bij de komst van Theo, de eerste, waren de maatregels van de bezetters nog niet zo streng. Hij was een heerlijk, zonnig kind en dat straalde z’n ogen uit. Toen onze tweede zoon Joop geboren werd, was de toestand inmiddels zo dat ik de ster moest dragen en dus moeilijker reizen kon. Kort na zijn geboorte kreeg hij oogontsteking. De huisarts bekeek het en gaf er iets tegen, maar het mocht niet baten. Na enkele dagen stond zijn oogje helemaal scheef. We ontboden opnieuw de huisarts en deze vond dat we naar een specialist moesten gaan. Dat betekende dat

Leen moest gaan, want ik mocht niet reizen. Voor een specialist moesten we immers naar Leiden, Amsterdam of Den Haag. Ik vond het erg naar. Dat was er ook de reden van dat ik tegen Leen zei: ‘We hebben er nog niet ernstig voor gebeden.’ Toen hebben we samen gebeden om hulp en om genezing van het oog van Joop. ’s Morgens vroeg stapte ik mijn bed uit en liep regelrecht naar de wieg. Ik geloofde mijn eigen ogen niet: er was niets meer te zien van de ontsteking. Alles was goed. Later beleefden we hetzelfde met onze Ruth. Ze kwijnde bijna weg en ook daar haalden we de dokter bij. Alles werd geprobeerd, maar niets hielp. Ik riep God hardop aan en vroeg om wijsheid. Op dat ogenblik verhoorde God letterlijk en ik huilde van blijdschap. De Here God is geen automaat die, wat wij ook vragen, altijd antwoordt precies zoals wij willen. Ook wij moesten door operaties heen. Maar hoe dan ook, Hij was er altijd bij.

In deze oorlogsjaren is mij nog iets duidelijk geworden. Eens lagen we ’s avonds op bed nog wat te lezen, toen Leen opeens begon te lachen. Ik keek op en vroeg waar hij zo’n schik om had. ‘Ik lees hier dat Hitler in Berlijn een tentoonstelling geopend heeft met als thema “Der ewige Jude”. De duivel heeft precies in de roos geschoten. Het is ook een eeuwig volk.’ Dat brengt mij op de positie van mijzelf en alle andere Joden die belijden dat Jezus de Messias is. Door de eeuwen heen heeft men van deze gelovigen christenen gemaakt. We zeggen dan ook: Je moet er wel aan denken dat de eerste christenen Joden waren. Wanneer je daar goed over nadenkt, ga je zien dat ‘men’ hier iets heel essentieels veranderd heeft. Laat ik proberen duidelijk te maken wat ik bedoel.

Wanneer ik de Schriften goed lees heeft God bedoeld om via Israël, te beginnen bij de belofte aan Abraham, een zegen voor de hele aarde te zijn (Gen. 12:3), een licht voor de heidenen (Jes. 42:6 en 49:6). In één van de donkerste momenten uit Israëls geschiedenis is in Betlehem, uit de maagd Mirjam, een jongetje geboren. Geheel overeenkomstig de beloften van de profeten — Mozes, Jesaja, Micha en noem maar op. Zijn naam was Jesjoea. Hij groeide op en bij zijn bar mitsva leerde Hij al in de tempel en waren de oudsten verwonderd over zijn kennis en wijsheid. Deze Jesjoea heeft, zolang hij leefde, trouw Gods wet vervuld. Hij zegt dan ook: ‘Ik ben gezonden tot de verloren schapen van het huis Israels’ (Matt. 15:24). Naderhand zegt Hij: ‘Nog andere schapen heb ik, die niet van deze stal (Israël) zijn, ook deze moet ik binnenbrengen’ (Joh. 10:16). Gods programma loopt vanaf den beginne via Israël naar de volken. Steeds is het: ‘Eerst de Jood en ook de Griek’ (Rom. 1:16). Hij heeft dit programma nooit veranderd. God heeft een gemaakt bestek. Daar hebben de kerkvaders grondig aan gesleuteld, denk maar aan de uitdrukking ‘in plaats van’. Waar staat dat toch in de Schriften? Ik kan het nergens ontdekken. Wel lees ik dat de Here God zijn heil schenkt aan een volk dat het tot nu toe niet gehoord heeft. Dat volk komt er dus bij, maar het vervangt het volk Israël niet! De eeuwig trouwe God houdt zijn woord dat Hij aan zijn volk gegeven heeft. De hele gedachte als zou Israël door een ander volk vervangen zijn, is een menselijke inzetting. Want wanneer u op iemands plaats wilt gaan zitten, moet die iemand eerst opstaan, de plaats vrijmaken. Maar God heeft meerdere stoelen: ‘Nog andere schapen heb ik, die niet van deze stal, de stal Israël, zijn. Ook die moet ik binnenbrengen. En zij zullen mijn stem horen en het zal zijn één kudde, één herder’ (Joh. 10:16).

Hetzelfde geldt voor de vaak gehoorde gedachte dat de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen. Waar staat dat? God heeft met een heel volk een verbond gesloten en als teken daarvan de besnijdenis gegeven. Dit is een puur Joodse aangelegenheid. Zo is ook de doop, het mikve, tot op de dag van vandaag een Joodse aangelegenheid. De kerk heeft het verbond, de doop, de sjabbat en de feesten, ja zelfs de naam van Gods volk ‘christelijk’ gemaakt, naar zich toegehaald. In Ezechiël 36:5 klaagt de profeet over mensen ‘die Mijn land aan zichzelf ten erve gegeven hebben’. Wat zou het goed zijn wanneer de gelovigen uit de volken aan Israël zouden teruggeven wat de kerk zich zo ongemerkt heeft toegeëigend. Dan komen de zaken weer op zijn plaats te staan, op Zijn plaats.

10. Verblijd mij in de morgenstond

Leen komt uit een heel ander milieu dan ik, hij uit een streng calvinistisch en ik uit een gematigd-orthodox Joods gezin. Totaal verschillend. En toch vormden wij een eenheid. Ik denk dat die eenheid er was omdat we beiden ons leven aan de Here God hadden overgegeven en in zijn weg, in zijn voetstappen wilden wandelen. Dat was ons raakvlak. Een huwelijksbureau zou ons vast niet bij elkaar gebracht hebben — een man van 53, bankdirecteur en met een zware kerkelijke achtergrond, en ik, 32 jaar oud, pianiste, iemand van de wereld die van uitgaan hield. Nee, dat is bepaald geen combinatie. Toch geloofden wij beiden dat God ons bij elkaar gebracht had. En achteraf zie ik de leiding in ons leven, door alle moeite en verdriet heen.

Direct na de trouwdag werden we al met de oorlog geconfronteerd, van een normaal huwelijk was dus geen sprake, we kregen niet de gelegenheid om aan elkaar te wennen. Maar, zonder te idealiseren zoals zo gemakkelijk gebeurt, kan ik zeggen dat ik met grote dankbaarheid terugzie op het feit dat God mij juist deze man gegeven heeft. Ik was zeker geen heilige, Leen ook niet. We waren twee gewone, zwakke mensenkinderen, met fouten en gebreken. In de 36 jaar dat we bij elkaar waren hebben we ons aan elkaar aangepast, elkaar leren verdragen, ook al waren er dingen waar we elkaar mee irriteerden. Maar telkens gingen we weer samen naar de Here God en naar elkaar.

We zijn op ‘huwelijkse voorwaarden’ getrouwd. De vrijdag nadat we ons verloofd hadden, op 1 april 1940, gingen we naar mijn oom en tante in Hilversum. Ik wilde hen mijn verloofde voorstellen. In Utrecht zette Leen de auto aan de kant en zei: ‘Ik wil even wat met je bespreken over ons komende huwelijk. Ik heb twee voorwaarden. De eerste is dat we nooit geheimen voor elkaar zullen hebben. De tweede is dat ‘de zon niet zal ondergaan over onze toorn’. Dat hebben we elkaar toen op die plek beloofd. Vandaar ook dat we altijd schoon schip maakten, iets wat we al die 36 jaren geprobeerd hebben vol te houden. Dat waren onze ‘huwelijkse voorwaarden’.

We hadden een druk gezin en enorm veel aanloop van vrienden, kennissen en de broeders en zusters uit de gemeente. Ik herinner me nog goed dat toen ik ons derde kind verwachtte en vlaste op een gezellige en rustige avond samen — we hadden een zeer drukke dag achter de rug — dat Leen naar boven kwam en zei: ‘Ik moet vanavond nog even naar zuster die en die. Er zijn daar moeilijkheden.’ Wat een teleurstelling voor mij. Later in bed mopperde ik en riep: ‘Er zijn vandaag wel honderd mensen in ons huis geweest.’ Waarop Leen rechtop ging zitten en zei: ‘Honderd? Hoe kom je daar nu bij?’ Het was inderdaad lichtelijk overdreven. Naderhand hebben we er hartelijk om kunnen lachen. We zijn nooit gaan slapen alvorens het tussen ons weer in orde was. Stel je voor dat één van ons eens niet meer zou ontwaken?

Na de oorlog vatten we het plan op om een Israelavond te houden in Alphen. We huurden daarvoor het Nutsgebouw. Spreker op die avond zou ds. Grolle zijn. Mevrouw Samsom zou enige liederen zingen en ik zou haar daarbij begeleiden. De datum was bepaald op 14 mei 1948. Gezien de vele avonden dat het gebouw verhuurd werd, moesten wij deze datum al lang van de voren laten vastleggen. Mevrouw Samsom en ik hadden wat toepasselijke Israel-liederen uitgezócht, één daarvan was lied 700 uit de zangbundel van Johannes de Heer: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, voorheen met eer gekroond.’ De laatste twee regels van elk couplet luidden: ‘Jeruzalem, Jeruzalem, wij wenen om uw lot.’

Op exact 14 mei kwam Leen onverwacht naar boven rennen en riep uit: ‘Rebecca, de staat Israël is uitgeroepen. En Ben Goerion is president.’ Ik vond het geweldig. Israël, een officiële staat, in het land der vaderen. We maakten samen een rondedansje. Toen Leen weer naar beneden ging en ik dus alleen achterbleef, realiseerde ik me dat we juist vandaag de Israëlavond zouden hebben. Maar na dit blijde nieuws zouden we lied 700 niet kunnen zingen. Ik belde mevrouw Samsom op en vertelde het haar. Ze was het direct met me eens, maar wat moest ervoor in de plaats komen? We kwamen er niet uit, maar spraken af allebei naar een goed vervangend lied te zoeken, Israel- liederen waren er namelijk niet veel. Nu staat er in Jacobus 1:5 dat wanneer iemand wijsheid ontbreekt, hij erom mag bidden en dat God het ‘mild geeft, zonder verwijt’. Dus vroeg ik God mij een passend lied in gedachten te geven. Ik nam de zangbundel en sloeg lied 783 op. Ik begon te lezen en dacht: Wat moet ik daar nu mee aan? Zes coupletten, maar Israël komt er niet in voor. De woorden van het koor spraken mij wel erg aan. Ineens kreeg ik de volgende woorden in mijn hart:

‘Ik weet niet hoe dat Israël strak” zijn Messias ziet,

noch hoe het door de kracht daarvan Gods Woord de wereld biedt,

Maar ik lees het in Gods Woord en ik geloof het, en ik geloof het, ja, ik geloof het.

Ik lees het in Gods Woord en ik geloof het, en dat is al wat ik moet doen.’

Zodoende was het zevende couplet geboren, het werd die avond door de hele zaal enthousiast en staande meegezongen. Na de oorlog was er uit het gezin van mijn zuster Bep nog maar één kind over; Maurits. We wilden deze neef graag bij ons in huis nemen. Ik zie hem, 9 jaar oud, nog komen, op de verjaardag van Leen, 8 augustus 1945. In wezen begreep je niet wat zo’n kind doormaakte. Ondergedoken geweest bij diverse gezinnen en dan nu bij oom en tante wéér helemaal opnieuw beginnen.

In 1955 wefd Leen ernstig ziek. Hij was 68 jaar. De situatie werd zo ernstig dat we de familie erbij riepen, het einde naderde. Hij was opgenomen in het Elizabeth ziekenhuis in Leiden met een dubbele pleuritis en een longontsteking. Ik was dag en nacht bij hem. Het waren donkere dagen. Heel Alphen leefde en bad mee, maar niet alleen in Alphen, ook elders in het land. Bij ons in huis was een lieve zuster van het Zendingsdiaconessenhuis in Amerongen, zuster Alida. Zij verzorgde de kinderen. Ook Theo was ziek, hij moest kuren. God beproefde ons zwaar. Op zondagmorgen werd de familie gewaarschuwd, de dokter kon geen hoop meer bieden. Leen was buiten bewustzijn en kreeg alleen nog zuurstof toegediend.

Terwijl de familie op de gang wachtte — de zuster wilde niemand meer bij hem laten — werd er geklopt. Ik ging op mijn tenen naar de deur en daar stond een Joods echtpaar uit Amsterdam. Ze vertelden dat ze zich gedrongen voelden om te komen en met en voor Leen te bidden. Ik keek schichtig de gang op, waar de familie zat te wachten, maar had niet de moed deze twee mensen de toegang te weigeren. We zijn neergeknield en zij baden. Van het gebed heb ik niets gehoord. Bij het weggaan zei de vrouw; ‘Rebecca, ga God maar danken, want de Here heeft gehoord.’ Ik keek naar Leen, die nog steeds lijkbleek in bed lag. Toen heb ik mij aan haar geloof opgetrokken.

Die nacht — ik lag in dezelfde kamer met een scherm ertussen — was ik erg onrustig. Ik wilde wat in mijn bijbeltje lezen en stapte mijn bed uit. Er was geen andere plaats om te lezen dan het toilet, want daar brandde licht. Ik sloeg Psalm 143:8 op: ‘Doe mij uw goedertierenheid in de morgenstond horen, want ik vertrouw op U. Maak mij bekend de weg die ik gaan moet, want ik hef mijn ziel tot U op.’

Nu had Leen al dagenlang tussen 39 en 40 graden koorts. Maandagmorgen kwam de zuster de temperatuur opnemen en ik hoorde haar zeggen: ‘Als het nou maar uit is.’ Ik vroeg haar wat ze daarmee bedoelde. ‘Uw man heeft 37 graden/ antwoordde ze. Ik dacht meteen aan Psalm 143: Verblijd ons in de morgenstond.’ De internist kwam erbij en zei tegen mij: ‘Ik acht het acute levensgevaar geweken.’

Er werden natuurlijk ettelijke röntgenfoto’s gemaakt en daaruit bleek dat er een groot abces in de long zat. Mijn geloof werd zeer op de proef gesteld. Leen was uiterst zwak en de internist stelde mij op een dag voor dat abces weg te laten halen, want het begon opnieuw op te spelen en de temperatuur steeg weer naar 39 a 40 graden. Ik schrok erg en vroeg of hij het dan maar zelf aan Leen wilde zeggen. Ik nam gauw afscheid om de dokter gelegenheid te geven voor dit gesprek. Toen ik ’s middags bij hem kwam zei Leen: ‘Zeg Rebecca, ze willen een stuk van mijn long wegnemen. Maar dat doe ik niet. Ik ben alleen op God teruggeworpen. Vraag de broeders en zusters om voor mij te bidden.’

Een professer van het Academisch Ziekenhuis zou de volgende morgen komen, samen met de internist. Nu hadden wij een vriend die longspecialist was. Ik belde hem op en vertelde wat er met Leen aan de hand was. Hij kwam onmiddelijk naar ons toe. Het was een gelovige man en wist dat de Here God machtig was om te genezen. Hij stelde zich met de internist in verbinding en ging de röntgenfoto’s bekijken. Toen hij bij me terugkwam zei hij: ‘Rebecca, jullie moeten goed naar de artsen luisteren.’ Zijn gezicht stond ernstig. Dezelfde avond nog kwamen we bij elkaar om voor Leen te bidden en veel vrienden van elders baden gelijktijdig met ons mee. De volgende morgen was ik al om negen uur in het ziekenhuis. Ik keek direct op de temperatuurlijst en zag een dalende lijn van 39,7 naar 37 graden. Daar kwamen de dokters aan. Ook zij bekeken de temperatuurlijst en gingen naar de gang voor een bespreking. Resultaat daarvan was dat ze voorstelden de operatie nog even uit te stellen. Ze wilden het nog even aanzien, zeiden ze. Veertien dagen later werd Leen uit het ziekenhuis ontslagen.

Uiterst zwak ging hij toen naar het Zendingsdiaconessenhuis in Amerongen om daar bij te komen. Samen met zoon Theo, die ook de boslucht nodig had. Dankzij de liefdevolle zorgen en verpleging daar herstelden beiden. De Here God had onze eenparige gebeden verhoord. Toch wil ik hier direct aan toevoegen dat God niet in een bepaald systeem te vangen is en dat Hij ons niet altijd verhoort. We hebben ook meegemaakt hoe Hij meegaat naar de operatietafel en welke vertroosting en innerlijke blijdschap Hij dan gaf, door alle pijn heen. ‘Vele zijn de rampen der rechtvaardigen, maar uit die alle redt hen de Here’ (Ps. 34:20).

11. De ‘sjabbesjongen’

Leen had naast zijn baan als directeur van de bank ook de leiding van een groep gelovigen die naderhand uitgroeide tot een baptistengemeente. Voordien was hij scriba in de Nederlands Hervormde Kerk. Hij leidde een grote bijbelkring in ‘De Hoorn’ en deed veel huisbezoek. Hij vertelde mij wel eens over de gesprekken die hij had en ook dat hij innerlijk in conflict kwam met dingen als de kinderdoop. Ouders geloofden eigenlijk niet, maar waren wel lid van de kerk. Omdat het zo hoorde lieten zij hun kinderen dopen, omdat hun ouders dat ook gedaan hadden. Wij bespraken samen het doopformulier van de kerk, waarin onder meer staat: ‘Aangezien de doop in de plaats van de besnijdenis is gekomen…’

Ik vroeg Leen: ‘Waar staat dat eigenlijk in de bijbel?’ Hij kon mij daarop geen antwoord geven, omdat het namelijk nergens in de bijbel te vinden is. Wel staat er dat God met Israël een verbond heeft gesloten en als teken daarvan de besnijdenis heeft gegeven als een eeuwige inzetting. Daar is niets voor in de plaats gekomen. Dat hebben de kerkvaders zo aan- of ingepast, omdat zij meenden dat de kerk in de plaats van Israël was gekomen. En dat terwijl Psalm 87 het toch heel anders zegt: De volken zijn bij Israël ingelijfd. Bij God is het niet of-of maar en-en. Wanneer ik op iemands plaats wil zitten moet die ander eraf voor ik erop kan. Bij God zijn gelukkig meer stoelen. Zacharia 2:4 (Statenvertaling) zegt het zo mooi: ‘Jeruzalem zal dorps- gewijze bewoond worden vanwege de talrijkheid der mensen en der beesten.’ ‘Dorpsgewijs’ wil zeggen: ‘zonder muur, kom er maar bij.’ Dus niet ‘in plaats van’ maar ‘erbij’. Zo handelt God. ‘Jullie gedachten zijn niet mijn gedachten en jullie wegen zijn niet mijn wegen,’ zegt Hij zelf.

De besnijdenis blijft dus een eeuwige inzetting voor Israël. De volken die erbij komen, komen erbij door geloof. Iemand drukte het eens zó uit: ‘Israël komt door het verbond tot het bloed (Leviticus), de volken komen door het bloed tot het verbond.’ Of met de woorden uit Genesis 12:3: In het nageslacht van Abraham, Izak en Jacob (het volk Israël dus) worden alle geslachten van de aarde gezegend.’ De gelovigen uit de volken komen op individuele basis tot het verbond. Door het geloof. Paulus zegt het in Romeinen 3:30 zo mooi: ‘Die de besne- denen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof.’ De volken worden dus ingelijfd bij dat deel van Israël dat gelooft dat Jezus de beloofde Messias is. En wie zijn dat dan wel? Dat zijn de twaalf volgelingen van rabbi Jesjoea — Simon Petrus, Andreas, Jacobus de zoon van Zebedeüs, zijn broer Johannes, Filippus en Bartolomeüs, Tomas en Matteüs de tollenaar, Jacobus de zoon van Alfeüs en Taddeüs, Simon Kananites en Judas Iskariot (zie Matt. 10:1). In Jezus de Messias is de God van Israël niet opgehouden met Israël maar er juist verder mee gegaan.

De kerken zijn vergeten, of hebben het niet gezien, dat ze bij het gelovige deel van Israël zijn ingelijfd (zie Ef. 2:11-22). Het is alweer Paulus die ons ‘niet onkundig wil laten over het geheimenis dat er een gedeeltelijke verharding over Israël gekomen is’ (Rom. 11:25). Met dat andere, niet verharde deel is God verder gegaan. Doordat men ze ‘christenen’, ‘christendom’ is gaan noemen, is er een Babylonische spraakverwarring-ontstaan. In wezen zijn Israël en de gelovigen uit de volken één gemaakt door de Messias. Dus niet twee godsdiensten, geen twee-wegenleer, maar, zoals er geschreven staat: ‘Hij, de Messias, heeft de twee, Jood en heiden, in zijn lichaam tot één nieuwe mens gemaakt’ (Ef. 2:14). Die nieuwe mens is de gemeente, bestaande uit Joden en heidenen. Paulus spreekt dan ook over een gebouw, waarvan het fundament is gelegd door apostelen en profeten, door Joden dus, en waarvan de Messias de uiterste hoeksteen is (Ef.2:20).

De Messias houdt en bindt dus de profeten, de apostelen en de drie- a vijfduizend Joden van de eerste pinksterdag, samen met de gelovigen uit alle volken, tesamen. Dat is de echte gemeente. Geen Israël zonder de gelovigen uit de volken en geen gelovigen uit de volken zonder Israël. Het is Gods bedoeling die twee, die gescheiden waren, één te maken. Dat is gebeurd op Golgota. En wat Hij daar samengevoegd heeft scheide de mens niet. Toch zijn velen daar nog steeds mee bezig. Bijvoorbeeld door uitdrukkingen als ‘Kerk en Israël’, en dan vooral de ‘kerk’ voorop terwijl het eigenlijk andersom moet zijn. ook hier geldt de goede volgorde: Eerst de Jood en (dan) ook de Griek.’

Ons denken moet vernieuwd worden. Israël moet niet tot de kerk komen, maar de kerk is bij Israël gekomen, bij het niet verharde deel van Israël. Messiasbelijdende Joden, zoals Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Petrus, Paulus en ook Abraham Capadose en Isaac da Costa, ja alle Joden die belijden dat Jesjoea de Messias is, heten Israël. Ze heten niet ‘christenen’. Die naam heeft men, in Antiochië voor het eerst, wel aan hen gegeven, maar dan alleen als scheldnaam.

Door hen toch christenen’ te noemen is de wissel verkeerd komen te staan. Als de wissel verkeerd staat, gaat de trein ook verkeerd. Het één volgt uit het ander.

Al deze zaken bespraken Leen en ik samen. Het is wonderlijk dat als een mensenkind heeft leren luisteren naar God en daar dan ook naar handelt, hij steeds opnieuw frisse, nieuwe dingen ontdekt. Het Woord van God is niet in regels of statuten te vatten of in te passen. Het is: ‘Mijn schapen horen mijn stem en zij volgen Mij’ (Joh. 10:4 ). Die stem, die leiding van God, is beweeglijk en niet statisch. Er staat geschreven dat Gods kinderen ‘door Gods Geest geleid worden’ (Rom. 8:4). Wat verrassend is dat vaak. Kortgeleden ontmoette ik een jongeman van 19 jaar. Hij was voor de tweede keer in Israël geweest. We raakten in gesprek. Hij vertelde dat hij niet in God geloofde. Mijn reactie was dat het toch juist God was die het volk Israël had uitverkoren en het ook nog het land gegeven had. Hij had net zo goed de Chinezen kunnen kiezen om zijn lof op aarde te verkondigen. Maar dat deed God niet.

Deze jongeman dacht goed over de dingen na. Hij studeerde Grieks en Latijn. Zijn argumenten tegen het bestaan van God waren dat er zoveel onrecht gebeurde. Bovendien spraken wij over de bijbel als het enige juiste boek. En al die andere godsdiensten dan? Wij wezen hem op de tien geboden. Al waren het alleen maar die tien woorden die God door Mozes aan zijn volk gegeven had, en men zou zich daaraan houden, dan zou de wereld er heel wat anders uitzien. ‘Nou ja,’ zei hij, ‘die tien woorden die daar opgekwakt zijn.’ Ik vroeg hem of hij ze al eens gelezen had. ‘Nee,’ antwoordde hij. Hij kende de bijbel niet. ‘Nu,’ zei ik, ‘dan gaan wij samen die tien woorden, die er volgens jou opgekwakt zijn, eens lezen.’ En we lazen met elkaar Exodus 20. Hoe wonderlijk simpel en duidelijk staat het daar. Het maakte op ons allen indruk.

Wij wezen hem er op dat een zichzelf respecterend intellectueel de bijbel toch minstens éénmaal gelezen moest hebben. Hij wilde er wel een aanschaffen. Wij boden hem een bijbel aan, de volgende dag kon hij hem komen halen. De volgende dag gebeurde er iets verrassends, iets wat ik altijd ‘leiding’ noem. Het was een nogal klemgedrukte uitgave en ik vroeg of dat geen bezwaar voor hem was. Hij droeg namelijk een bril. ‘Nee, helemaal niet,’ was zijn antwoord. Ik nam de bijbel en sloeg zomaar wat op om eens uit te proberen of ik het ook kon lezen. Ik las Psalm 11. Het ging best. Daarna begon ik, nietsvermoedend, Psalm 14 te lezen: ‘De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God.’ We schoten allemaal in de lach. Zijn reactie was: ‘Dat hebt u uitgezocht.’ Ik ontkende dat en hij nam het van me aan. Toch was het volgens mij niet toevallig. Dat is nu wat ik zo dikwijls heb mogen ervaren. De Geest van God is namelijk bij ons, tot het uiterste der aarde, om ons in alle waarheid te leiden.

Maar laat ik terugkeren tot ons huwelijk. Juist door onze verschillende achtergronden — hij uit de volken, ik uit Israël — kwam telkens weer de eenheid naar voren die wij hadden in de Messias. Dan pas leer je de tekst verstaan dat er ‘in Hem noch van Jood, noch van Griek sprake is, noch van man, noch van vrouw, noch van werkgever, noch van werknemer’ (Gal. 3:28). In de Messias zijn we, ieder naar onze aard, in volledige balans gebracht. En zo kunnen we tot volle ontplooiing komen. Dat geldt niet alleen voor de verhouding tussen Jood en heiden, maar ook tussen werkgevers en werknemers, man en vrouw — balans in Hem. Wel onderscheiden, maar niet gescheiden. Zo behoren we in de gemeente, het lichaam van de Messias, met elkaar te verkeren. Elkaar respecterend, ieder naar zijn geaardheid en bestemming. De Jood wordt geen Griek (‘christen’) en de gelovige uit de volken wordt geen Jood. Ik hoor zo vaak zeggen: ‘Maar dan zijn we dus toch geestelijk Israël?’ Daar is naar mijn oordeel geen bezwaar tegen, mits het niet betekent: ‘in de plaats van’. We mogen die uitdrukking best gebruiken, zolang we maar blijven inzien dat de gelovigen uit de volken worden ingelijfd bij Israël, en wel bij dat deel van Israël dat Hem als Messias mag zien. Dan blijft het door God gemaakt bestek bestaan.

Ook aan ons huwelijk kwam een einde. Op ruim 90-jarige leeftijd nam de Here Leen tot zich. De dag voordat hij heenging — wij hadden dat niet door, want hij was al geruime tijd erg zwak — riep hij mij bij zich en zei: ‘Denk erom, Rebecca, dat als ik er niet meer zijn zal, ik toch verder leef.’ Een Engelse vriendin schreef ons eens: ‘Het is als een roos die erst aan de ene kant van de schutting groeit en bloeit om daarna aan de andere kant van de schutting, aan ons oog onttrokken, verder te groeien.’ Leen vroeg toen of ik 2 Korintiërs 5:1-10 wilde lezen. Ik nam mijn bijbel maar hij zei: ‘Liever in het Duits.’ En zo las ik hem deze perikoop in het Duits voor. Het laatste wat ik van hem gehoord heb, nadat we samen gebeden hadden, was: ‘Amen.’ ’s Nachts is hij ongemerkt ingeslapen.

Weken daarna, toen ik bij onze dochter gelogeerd had, kwam ik voor het eerst alleen thuis. Ik had het er niet best mee. Ik voelde me erg verlaten. De post had ik van beneden naar boven meegenomen en ik legde die op tafel. Mijn oog viel op een langwerpig pakje en nieuwsgierig begon ik dat te openen. En wat kwam eruit? Een mooie, met de hand getekende en ingelijste tekst, uit Marburg, van een Duitse diacones. De tekst was 2 Korintiërs 5:1-5. Het was net alsof op dat moment de Here God zijn hand op mij legde en zei: ‘Wees maar niet bedroefd, Rebecca, lk ben toch bij je? Wat een vertroosting.

Op de begrafenis is natuurlijk gesproken en iets daarvan wil ik niet onvermeld laten. De spreker zei: ‘Mijnheer De Graaf heeft hier in Alphen aan de Rijn de kaarsen aangestoken voor Israël. Hij was de sjabbesjongen. Hij had een goed zicht op Israël. Bovendien is hij nog net één dag voor de oorlog met Israël getrouwd.’

12. Eén kudde, één herder

Nu mag ik alleen verder gaan. Dezelfde God die ons samen door alles heen geholpen heeft, gaat ook nu met me mee. De tijd die mij nog rest in dit leven wil ik zo graag besteden in dienst van de God van Israël; uw God en mijn God. Het is mijn vurige wens dat de gelovigen uit de volken hun juiste plaats gaan zien en innemen ten opzichte van Israël, zodat zij dat volk tot jaloersheid kunnen verwekken; een opdracht waartoe zij ook geroepen zijn. ‘Opdat zij ontferming vinden door de u betoonde ontferming,’ zegt Paulus zo treffend (Rom. 11:31).

Maar dan moet er nog wel wat puin geruimd worden. De Heiland reikt het ons zelf aan. ‘Alles nu wat gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus, want dit is de wet en de profeten ‘(Matt. 7:12). Hij heeft de hele wet vervuld en nu raadt Hij ons aan in Matteüs 5:23-24, waarbij we niet mogen vergeten dat Hij daar citeert uit de Tora (het nieuwe testament bestond toen nog helemaal niet): ‘Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.’

Dit heeft ook een betekenis in verband met de verhouding tussen de gelovigen uit de volken en Israël. Wij weten dat onze broeder Israël iets tegen ons heeft. En als we eerlijk zijn, buigen we ons hoofd en zeggen het de profeet Daniël na: ‘Wij en onze vaderen hebben gezondigd.’ Dat moeten we eerst goedmaken. ‘Verzoen u eerst met uw broeder,’ zegt Jezus. Verzoenen kan betekenen dat we schuld moeten belijden. Niet eerst gaan evangeliseren of zending bedrijven, maar eerst verzoenen.

Ik kan mij indenken dat velen van de gelovigen uit de volken hier geen raad mee weten. Wat moet er dan precies gebeuren?, zult u vragen. Mag ik een paar tips geven. Geloven we dat God met zijn volk Israël gewoon is doorgegaan tot op de dag van vandaag, juist door Jesjoea en zijn volgelingen? Dat Hij het dus niet tijdelijk terzijde heeft gesteld, zoals zo vaak gezegd wordt? De Here God is met Israël verder gegaan, al was het alleen maar met het zogenaamde nieuwe testament, dat door Israëlieten is geschreven. We zijn de volgelingen van de Messias ‘christenen’ gaan noemen, omdat we van ‘de Gezalfde’, ‘de Messias’ — hetgeen de Nederlandse weergave is van het Griekse woord Christos — de eigennaam ‘Christus’ zijn gaan maken. Dit woord is een eigen leven gaan leiden en heeft tot een scheiding tussen Israël en de volken geleid, ja zelfs tot een twee-wegenleer. Terwijl Israels Messias aan het kruishout juist de verzoening tot stand heeft gebracht.

In Hem is God juist verder gegaan met Israël en de volken. Als we hier oog voor krijgen ontvangen we een andere bijbel. Dan gaan we beter begrijpen wat Paulus in Efeziërs 2:14 ons zo duidelijk schrijft: ‘De Messias heeft die twee één gemaakt.’ Die ‘twee’ zijn Jood en heiden. Dat gebeurde aan het kruishout. Op datzelfde moment scheurde het voorhangsel, dat scheiding maakte tussen Jood en heiden, van boven naar beneden. De weg lag open. De heidenen konden nu binnen komen. De burgers en huisgenoten waren er al. Nu werden de heidenen medeburgers en mede-huisgenoten.

In de verzen die aan deze tekst vooraf gaan heeft Paulus de Efeziërs aangeraden te bedenken (de Statenvertaling zegt ‘gedenken’) in welke omstandigheid zij vroeger verkeerden: ‘zonder de Messias, uitgesloten van het burgerrecht Israels en vreemd aan de verbonden en beloften’ (vers 12). Paulus moest toen al waarschuwend optreden. Hij zou dat nu nog steeds doen, want men heeft niet naar hem geluisterd. O, wat moeten de gelovigen uit de volken in hun denken vernieuwd worden als het gaat om hun verhouding tot Gods oogappel Israël!

Ik moet hierbij weer denken aan dat moment in 1944, toen Leen enthousiast de trap op kwam en uitriep: ‘Rebecca, het zuiden is bevrijd!’ Wat waren we blij. Maar wij waren nog niet vrij. Het zou nog tot 1945 duren voordat héél Nederland bevrijd was. Toen waren we pas écht blij! Zo zien we ook uit naar het heil voor geheel Israël Dan zal onze blijdschap volkomen zijn.

God is doorgegaan met het deel dat Jesjoea herkende en erkende als de beloofde Messias. ‘Totdat… de volheid der heidenen zal zijn ingegaan'(Rom. 11:25). Dan zal ook dat andere deel I lom aanschouwen en ‘rouw bedrijven over Hem, als over een eerstgeborene’ (Zach. 12:10). Dan zal ‘geheel Israël’ Hem zien (Rom. 11:26). Wat een uitzicht. Eén kudde en éen herder. Jood en heiden knielen dan samen neer in die ene Naam.

ISRAËL / DE GEMEENTE

13. Breekpunt of verbinding?

Dat ik als Jodin geloof, dat Jesjoea de Messias is, is een wonder. Het moest eigenlijk geen wonder zijn, maar iets vanzelfsprekends. Want aan Israël is de aanneming tot kinderen gegeven en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de dienst van God en de beloften (Rom. 9:4). Dat is me nogal wat! Alles aan één volk gegeven. Waarom juist aan Israël? Dat weet niemand. De Schepper van hemel en aarde heeft dit zo besloten. Hij had bijvoorbeeld ook de Chinezen kunnen uitkiezen. Dat heeft Hij niet gedaan. Dus handen af van Gods verkiezende genade!

Maar om op dat wonder terug te komen. Sinds de komst van Jesjoea, geboren uit Mirjam, een Joodse vrouw, werd Hij bedreigd door de heiden Herodes. In vroegere tijden werd Israël bedreigd door Farao, Haman, enzovoort. Ik leg hier de nadruk op het woord ‘heiden’. Het waren en zijn de heidenen (a-the-isten) die tegen Israël en zijn Gezalfde streden en nog strijden. Een typisch voorbeeld daarvan kunnen we lezen in Exodus 5:1-2, waar Mozes en Aaron tegen Farao zeggen: ‘Zo zegt de Here, de God van Israël: laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn een feest te vieren. Maar Farao zeide: Wie is de Here, naar wie ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de Here niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan.’

‘Ik ken de Here niet.’ Dat is de reden! Anti semiet is anti Sjem is anti-de Naam is anti-God. Let u maar op, alle atheïstische landen zijn tegen Israël.

Wanneer u het voorgaande goed op u in heeft laten werken, kunt u wellicht begrijpen dat er van ‘christelijk’ antisemitisme absoluut geen sprake kan zijn. Want juist in jesjoea is de Here God met zijn volk Israël doorgegaan. ‘Het heil is uit de Joden’ (Joh. 4:22). En toch heeft de vervolging van Israël zich constant voortgezet, ja door de hele kerkgeschiedenis heen. Die ga ik nu niet ophalen. Wij kunnen allen weten wat er ‘zoal’ gebeurd is. Daar is genoeg over geschreven. Maar wat dóen we met die wetenschap? Kunnen we op grond daarvan enigszins begrijpen dat Israël iets tegen de kerk heeft? Wat moeten we daaraan doen? Heeft iemand daar ooit raad in gegeven? Staat het ergens zwart op wit? Ik meen van wel. Niemand minder dan Jesjoea zelf reikt ons iets aan, dat beschreven staat in Mattëus 5:23-24: ‘Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, vóór het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.’

De gelovigen uit de volken vieren vele malen het avondmaal waarin zij gedenken dat Jesjoea door de dood heen ‘de weg tot God heeft vrijgemaakt’. Er is verzoening tot stand gekomen. Zij kunnen ‘ingaan’ en ‘uitgaan’ en weide vinden. Open verkeer! Wanneer er dan ook maar iets is tussen mij en iemand anders, dan moet ik dat in orde maken. Al heb ik niets tegen die persoon maar hij wél tegen mij, dan nog zegt de Heiland: ‘Maak het in orde.’ Er moet open verkeer komen! Verzoening! U zult zeggen: ‘Maar hóe dan? Ik zelf heb Israël lief. Ik steun het. Wat moet ik nog meer doen?’ Mag ik proberen u hierop een antwoord te geven?

Scheiding

Toen ik in 1934 in het openbaar beleed dat Jesjoea de Messias is —vanuit Mozes en de Profeten was ik dat gaan zien — ging ik naar een bijbelschool om meer van de bijbel te weten te komen. Bij een vertaling van één van de profeten zei een hoofd van de bijbelschool, onderweg naar huis:

‘Rebecca, ik ben zo blij dat je bij ons gekomen bent.’ Ik antwoordde: ‘Pardon juffrouw, u bent bij ons gekomen.’ Waarop zij opmerkte: ‘Nu moet je écht gaan slapen.’

Deze zo op het eerste gezicht niet zo bijzondere opmerking zette mij aan het denken. En ik ga nu, na 52 jaar, steeds meer zien dat daar die enorme denkfout zit die al bijna 2000 jaar scheiding heeft gebracht. Een scheiding die er nooit had mogen zijn. Een scheiding waar de Jood Paulus ons in Romeinen 11 zo ernstig voor gewaarschuwd heeft, zonder dat wij ernaar geluisterd hebben. Toen ik als Jodin ging ontdekken dat Jesjoea — Jezus — de beloofde Messias is, ben ik geen ‘christin’, maar eerst recht Jodin geworden en gebleven. Net als Paulus, die zich na zijn bekering een Israëliet noemt (Rom. 11:1 en Gal. 2:15). De belofte aan mijn volk, dat de Messias zou komen, werd vervuld in de komst van Jesjoea. Daarover spreekt het tweede gedeelte van de bijbel, geschreven door messiasbelijdende Joden.

Eigenlijk moeten die witte bladzijden (die een visuele scheiding maken tussen die twee delen) er gewoon tussenuit. Het is één boek, door Israël geschreven en aan de wereld gegeven volgens de opdracht van God dat Israël ‘tot een licht voor de heidenen’ zou zijn (Jes. 49:6).

Vertaling

Dat tweede deel van de bijbel is in het Grieks geschreven (vertaald?) omdat dat destijds de voertaal was. Zoals nu het Engels. En nu komt waar ik al jaren mee worstel. Bij het verder vertalen vanuit het Grieks in andere talen heeft men de naam ‘Christos’ (= Gezalfde, Messias) niet vertaald maar vergriekst, tot bijvoorbeeld Christ (Engels), Le Christ (Frans), Christus (Duits, Nederlands), enzovoort. Die ver- griekste naam is een eigen leven gaan leiden en daardoor is de identiteit van Israëls Messias verloren gegaan. Zodat men steeds moet uitleggen: ‘Ja, maar Jezus was een Jood.’ Zo’n 2000 jaar hebben de kerken dit — zeker voor Israël — verduisterd. Men heeft van Hem en zijn volgelingen een christen, christenen gemaakt.

Wat denkt u dat de engel gezegd zou hebben tegen die Joodse herders, daar in de velden van Efrata, bij de aankondiging van de geboorte van de Messias? ‘Zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk (Israël) ten deel zal vallen, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welk is ‘Christus’ de Here, in de stad Davids.’? Die eenvoudige herders verstonden geen Grieks, neem ik aan. Ook komt het mij vreemd voor dat vanuit de geopende hemel Grieks gesproken werd. In elk geval hebben de herders de taal uit de hemel verstaan, want ze zijn meteen gaan kijken en hebben gevonden waarvan de engel hen vertelde. Zij gingen het woord zien! En daar in de velden van Efrata werd weer in een paar zinnen — als het ware in een notendop – Gods plan met de wereld ontvouwd: Verkondiging van grote blijdschap voor heel het volk (Israël) en vrede op aarde, de wereld.

God heeft de hele wereld op het oog, waarin Hij Israël als zijn instrument gebruikt. Tot op de dag van vandaag! Door Jesjoea, Israëls Messias. Het staat er zo duidelijk: ‘Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in (door) de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in (door) de Zoon’ (Hebr. 1:2). Jesjoea en Israël horen bij elkaar en zijn niet los verkrijgbaar. Ik meen dat daar het grote schisma zit waar wij nu eeuwenlang mee zitten en blijven zitten, wanneer wij niet gewillig zijn om ons denken te laten vernieuwen (Rom. 12:2), hetgeen zo heel erg nodig is. Want de kerken hebben de beloften, die aan Israël gegeven zijn, toegeëigend voor zichzelf met uitsluiting van Israël. Men beschouwde zichzelf als in de plaats van Israël gekomen. Dat doet ons denken aan de klacht van Israëls God: ‘Die mijn land aan zichzelf ten erve hebben gegeven’ (Ez. 36:5).

Ik denk dat wij deze zaak eerst recht moeten zetten, op z’n plaats, op zijn plaats! Teruggeven, inleveren, dat is ook verzoenen! Niet de exegese van de Schriften, maar heel eenvoudig lezen wat er staat, geloven wat er staat en doen wat er staat.

Israël gebleven

Om een voorbeeld te noemen. Men heeft eeuwenlang over kleine woordjes heen gelezen. Men citeert en gebruikt Paulus, de apostel der heidenen, maar luistert niet naar wat hij ons zo duidelijk uitlegt en waar hij ons voor waarschuwt. In zijn tijd begonnen de gelovigen uit de volken, die door zijn prediking (en zijn leven, niet te vergeten), tot het geloof in Israels Messias waren gekomen, zich al te verheffen en zich in de plaats van Israël te stellen. Paulus legt in Romeinen 11 geduldig uit dat de Here met een deel van Israël gewoon dóórgaat, volgens zijn plan. Hij zegt: ‘Broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen is binnengegaan’ (11:25). Een deel van Israël is verhard. Dat wil dus zeggen dat er ook een deel van Israël niet verhard is. Toch heeft men eeuwenlang zo geëxegetiseerd: Israël heeft de Messias (Christus) verworpen, gekruisigd. Israël is ongehoorzaam. Enzovoort. Men is, en dat is heel belangrijk, het niet verharde deel van Israël — dus ook de schrijvers van het nieuwe testament — ‘christenen’ gaan noemen. Men is volkomen vergeten dat dit messiasbelijdende Joden waren, dus Israël, dat er op de pinksterdag 3000 en twee weken later nog eens 2000 Joden tot het geloof in de Messias kwamen!

De watergeuzen waren Nederlanders. Wat ze ook deden of zeiden, ze bleven Nederlanders. Ze vormden een aparte groep, dat wel. Ze zullen best voor het eerst ‘watergeus’ genoemd zijn. Maar de naam ‘Nederlander’ bleef bestaan. Dat was hun nationaliteit! Zo is dat deel van Israël — hoewel een klein deel — dat in zijn eigen Messias is gaan geloven, Israël gebleven. De naam ‘christen’, die als scheldnaam bedoeld was voor de ‘mensen van de weg’, is eigenlijk een eigen leven gaan leiden. Daar is de wissel verkeerd komen te staan. Daar wringt de schoen.

De dichter van Psalm 87 heeft het goed begrepen. In de berijming luidt vers 3: ‘De Filistijn, de Tyriër, de Moor (en de Nederlander) zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht. Van Sion zal het blijde nageslacht haast zeggen: Deez’ en die is daar geboren.’ En dan vervolgt vers 4: ‘God zal hen zelf bevestigen en schragen. En op zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen als bij Israël ingelijfd, en doen de naam van Sions kind’ren dragen.’

En dat is nu juist niet gebeurd. Daar ligt het schisma. De twee-wegenleer! Ja, juist in die naamgeving ‘Joden-christenen’. In de kerkgeschiedenis zijn ze nota bene tegenover elkaar komen te staan. Wat de Here God als een eenheid bedoelde hebben mensen weer gescheiden (zie Ef. 2:15b). De kerkvaders hebben Jesjoea zogezegd uit Israël gelicht en voor zichzelf geannexeerd. Men heeft door de kerkgeschiedenis heen Jesjoea voor Israël verduisterd. Dat kan gebeuren. Jeremia klaagt: ‘Hoe is het goud zo verdonkerd?’ (Klaagl. 4:1).

Ik wil niet verwijten, alleen constateren. U zult misschien zeggen: ‘Toch geloof ik dat het alles zo heeft moeten gaan. Want door hun val (van het grootste deel van Israël) is het heil naar ons toegekomen (zie Rom. 11:11). Dat is zo. Toch moet ik denken aan wat Jesaja zegt: ‘Ik ben tegen mijn volk toornig geweest, Ik heb mijn erfdeel ontwijd en het in uw macht gegeven; doch gij hebt het geen barmhartigheid bewezen; op de grijsaard hebt gij ook uw juk zwaar doen drukken’ (47:6). Denken we alleen maar aan de kruisvaarders, die met het kruis van Christus (!) voorop ontelbare Joden hebben gedood, afgeslacht. Het kruis werd een zwaard… En dat terwijl Jesjoea aan het kruis riep: ‘Het is volbracht.’ Hij heeft de verzoening tussen Jood en heiden teweeggebracht, ‘naar de bepaalde raad en voorkennis van God’ (Hand. 2:23-24). Maar de gelovigen zijn nog steeds bezig te scheiden wat Hij aan het kruis heeft samengevoegd. Dat dit alles is kunnen gebeuren is mijns inziens door het niet luisteren naar, niet goed lezen van wat de Jood Paulus ons in Romeinen 9-11 en Efeziërs 2 tot waarschuwing heeft geschreven.

Eén kudde, één Herder

Zoals men in de kerken gelukkig al een hele tijd teruggekomen is van de gedachte dat de kerk in de plaats van Israël gekomen is, zo hoop ik dat we verder gaan met het herzien van deze ‘exegese’ en dat aandurven tot aan de bron toe. Dat heeft wel consequenties. Maar liet is de moeite waard! Dan is Jesjoea, Jezus van Nazaret, geen breekpunt (hetgeen de kerk van Hem gemaakt heeft) maar een verbinding naar de volken toe. De Heiland zegt daarvan: ‘Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet ik leiden (de Statenvertaling zegt ‘toebrengende zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder’ (Joh. 10:16).

Deze waarheid kwam me nog eens helder voor ogen te staan door een telefoongesprek dat ik had met een dame uit de Koptische, orthodoxe kerk van Egypte. Ik meende dat zij ‘dus’ tot de christelijke kerk in Egypte behoorde, maar zij antwoordde dat in Egypte de namen ‘Christus’ en ‘christenen’ niet bestaan. Zij en haar man worden messihijien genoemd, hetgeen betekent: volgelingen van de Messias. Hier is nu precies wat ik duidelijk wil maken. In dat woord ‘messihijien’ is de eigen naam, de eigen identiteit van Jesjoea bewaard gebleven. Dat is de verbinding. Zoals het gezegd word in Jesaja 19:23: ‘Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur…’ Hier is al een begin van een gebaande weg, de verbinding tussen Israël en de volken!

14. De grootste kraakactie aller tijden

Telkens weer komt er een golf opzetten van gelovigen die luidkeels verkondigen: ‘Wij als nieuwtestamentische gemeente zijn in de plaats van Israël gekomen.’ Zij hebben blijkbaar niet door dat ze in feite bezig zijn om de woorden, gesproken door Mozes en de profeten, van hun kracht te beroven. Wanneer God door de mond van Noach spreekt: God breide Jafet uit en hij wone in Sems tenten’ (Gen. 9:27), dan wordt daar een plan ontvouwd dat tot op de dag van vandaag ook uitgevoerd is, ondanks alle uit- of inlegkunde van kerken en kringen door de eeuwen heen.

Toch, wanneer je zo rondkijkt, lijkt het of dat niet waar is. Want wat zien we over de hele wereld? Dat de nakomelingen van Jafet breeduit zijn gaan zitten in de tenten van Sem en zich tot hoofdbewoners hebben uitgeroepen. Dat wil dus eigenlijk zeggen: Sem eruit en Jafet erin!

Ternauwernood mag er eens een Semiet in de tent van Jafet komen, als hij of zij zich maar gedraagt als de Jafetieten. Zij hebben de tenten van Sem gekraakt. Sem heeft afgedaan, zo menen zijn. Wanneer wij echter naar Mozes en de profeten luisteren en naar de apostelen, dan gaan we zien dat wat Noach geprofeteerd heeft in wezen gebeurd is. Laten we dat eens nader bezien.

Noach profeteerde dat ‘Jafet zal wonen in Sems tenten’. Mozes profeteerde: ‘Een profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren’ (Deut 18:15). Micha profeteerde: ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid’ (5:1). Mijns inziens is dit vervuld geworden met de geboorte van Jezus in Betlehem Efrata. Het leven van deze Jezus is de letterlijke vervulling van wat de profeten over Hem gesproken hebben. Met name van wat Jesaja over Hem zegt: ‘Doch het behaagde de Here hem te verbrijzelen. Hij maakte hem ziek Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien’ (53:10). Het heeft God behaagd om uit alle volken het volk Israël te verkiezen.

Deze Jezus, geboren uit een Joodse moeder, is een Jood, een Semiet. Deze Jezus, deze semiet, heeft gezegd: ‘Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’ (Matt.11:28). Dit zei Hij tot zijn volk. Sommigen hebben dit gedaan, anderen niet. Op het tempelplein roep een klein groepje Joden: ‘Kruisigt hem!’ De Heiland heeft aan het kruis evenwel uitgeroepen

‘Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Dat dit gebed niet onverhoord is gebleven blijkt uit Gods vergevende liefde op de pinksterdag, waar 3000 Joden tot geloof kwamen. Later lezen we dat het er 5000 werden. Zij namen Jezus aan als de hun beloofde Messias.

In het begin dachten zij dat dit alleen voor Israël was, alleen voor Joden. Maar God maakte hun duidelijk dat de Messias ook voor de volken, voor de hele wereld gekomen was. Petrus kreeg daar nog een speciaal visioen over. Dat had hij blijkbaar nodig, en anderen ook (zie Hand. 11:1-18). Bij de bekering van Cornelius wordt de gemeente pas compleet, Jood en heiden saam! Het gaat precies volgens Gods plan, zoals daarover gesproken is door Mozes en de profeten. Jesaja zegt: ‘Het is mij te gering dat gij (Israël) Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken’ (49:6). Dat is wat God bedoelt. Gods genade is verschenen, redding brengend aan alle volken. Jezus, Israels Messias, is de Heiland der wereld. Daarom, wie deze Jezus, de Messias, aanneemt, komt in de tenten van Sem. Zo was het en zo is het.

Wat is er gebeurd?

Maar wat is er dan gebeurd waardoor men dat niet meer ziet? Om antwoord te kunnen geven op deze vraag moeten we ver terug gaan in de (kerk)geschiedenis. In het begin bestond het overgrote deel van hen die zich achter Jezus schaarden uit Joden. Er was geen sprake van een ‘christelijke kerk’. Er waren gemeenten die uit Joden en heiden bestonden. Paulus de Jood, die een speciale bediening voor heidenen had, heeft een ernstige waarschuwing gericht aan zijn gelovige broeders en zusters uit de volken. U kunt dat lezen in Romeinen 11. Deze gelovigen gingen zich blijkbaar verheffen boven hun Joodse broeders en zusters, en wel zó dat Paulus al in het eerste vers moet schrijven: ‘Ik vraag dan, heeft God zijn volk verstoten? Dat zij verre (volstrekt niet). God heeft zijn volk niet verstoten dat Hij tevoren gekend heeft.’ Kennelijk waren dit soort gedachten opgekomen onder de gelovigen uit de heidenen. En daar begonnen ze al de tent van Sem te kraken. Want Paulus zegt in vers 18 van datzelfde hoofdstuk:

Beroem u niet tegen de takken. Indien gij u ertegen beroemt; niet gij draagt de wortel, maar de wortel u.’ Met andere woorden: jullie zijn geen hoofd- maar medebewoners, medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods (Ef. 2:11).

Door de eeuwen heen heeft er een ontwikkeling plaatsgevonden in de christelijke kerk, waarvoor Paulus in zijn brief aan de Romeinen al zo gewaarschuwd had. De kerken hebben zich in de tent van Sem genesteld als waren zij de hoofdbewoners. Er zijn andere naambordjes op Sems tent aangebracht: roomskatholiek, Grieks-orthodox,… ach vult u zelf maar verder in. Men is volkomen vergeten dat Sems naambordje op de deur staat en doet alsof het erop heeft gestaan. Nu is het zo dat God waarmaakt wat Hij eenmaal gesproken heeft. Hij weet wat voor maaksel wij zijn. Aan Israël zijn de woorden Gods toevertrouwd. In Psalm 89 wordt het handelen van God met zijn volk zo kernachtig onder woorden gebracht. Van Gods kant uit is er een eeuwige trouw, ondanks Israëls ontrouw. Ik citeer vanaf vers 31:

‘Indien zijn zonen mijn wet verlaten, en niet naar mijn verordeningen wandelen; indien zij mijn inzettingen ontwijden en mijn geboden niet onderhouden, dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen; maar mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden, mijn trouw zal Ik niet verloochenen, mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. Eenmaal heb Ik bij mijn heiligheid gezworen, Hoe zou ik tegenover David liegen! Zijn nakroost zal voor altoos bestaan, zijn troon zal als de zon vóór mij zijn; als de maan zal hij voor altoos vaststaan en de getuige aan de hemel is getrouw.’

Het droevigste van alles is de houding die Jafet aanneemt tegenover Sem. Heeft Paulus niet aan de gemeente in Efeze geschreven: ‘Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees en onbesneden genoemd werd door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij te dien tijde zonder Messias (Christus) waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld’ (2:11-12).

Misschien zult u zeggen: is dat nu zo nodig om dit allemaal naar voren te halen. Ik meen van wel. Ik las het boek ‘Israël, je kunt er niet omheen’, geschreven door Evert van der Poll. De schrijver heeft het mijns inziens goed begrepen. Hij zegt, in een oproep tot steun aan Israël: ‘In Gods plan met deze wereld neemt Israël een centrale plaats in. Want elke zegen die Hij de mensheid gaf, gaf Hij via Israël: het oude testament en de tien geboden, Jezus de verlosser en het nieuwe testament. Het verlossingswerk van Jezus en de uitstorting van de Heilige Geest vonden plaats in Jeruzalem. Het waren Joodse apostelen en evangelisten die hun leven gaven voor de verspreiding van het evangelie onder de heidenen…’ Deze Van der Poll, een Jafetiet, ziet het naambordje van Sem wèl op de deur staan! Misschien kunnen zij die de tent van Sem nog steeds bezet houden, van het bovenstaande iets leren, namelijk een bescheidener houding tegenover Israël, dat nog steeds Gods volk is.

Er is bij God enorm veel plaats. ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen,’ zegt Jezus (Joh. 14:2). Daar heeft de profeet Zacharia van geprofeteerd, toen hij zei: ‘Jeruzalem zal dorpsgewijze gebouwd worden’ (2:8 Statenvertaling), dat wil zeggen zonder muur. Hiervan spreekt ook Efeziërs 2: ‘Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap weggebroken heeft’ (2:14). Geen kraakactie dus van de tent van Sem, want God heeft het zo mooi ontworpen om er samen in te wonen: ‘In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest’ (Ef. 2:21-22).

15. Op één been kun je niet lopen

In een normaal, gezond lichaam zitten alle ledematen op hun plaats en doet elk lid datgene, waartoe het gesteld is. Het hoofd (de hersenen) zendt impulsen uit en zo functioneert liet lichaam goed en regelmatig. Men spreekt dan van een gezond lichaam. Je gaat dat pas echt waarderen wanneer niet alles meer goed zit en er gebreken komen. Soms van binnenuit, onzichtbaar dus. Wanneer we daarmee naar een goede dokter gaan, dan zal deze eerst de oorzaak van het euvel opsporen, om daarna de juiste diagnose te kunnen stellen tot genezing.

Als ander beeld zou je een huis, een gebouw kunnen nemen. Beide beelden komen in de bijbel voor. Zo lezen we in Kolossenzen 1: ‘Hij (de Messias) is het hoofd van het lichaam, dat is de gemeente. I lij is het begin, de eerstgeborene uit de dood, opdat Hij in alles de eerste zou zijn’ (vers 18). En in Efeziërs 2 staat: ‘In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij (Efeziërs) mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest’ (vers 21-22). Onze God en Vader, de Schepper, de Bouwmeester, heeft een woonstede gebouwd, zéér bekwaam. Er ontbreekt niets aan! Hij heeft dit al aan Mozes gezegd bij de oprichting van de tabernakel. ‘Ziet nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daarvan op de berg getoond is’ (Ex. 25:40, 26:30).

Wanneer wij dit aandachtig lezen gaan we ontdekken dat in de tabernakel de gemeente, het lichaam al wordt uitgebeeld. Alles wordt Mozes nauwkeurig aangegeven. Om maar eens iets te noemen. In de Statenvertaling staat met betrekking tot het ophangen van de grote gordijnen hoeveel striklisjes er precies gemaakt moeten worden. Die grote gordijnen hangen er bij de gratie van die striklisjes. Als er één striklisje los zit of gemist wordt, hangt het gordijn niet goed. Zo is het ook in de gemeente. De een kan niet zonder de ander. Dat is precies wat Paulus ons zegt: ‘Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden. Indien de voet zeggen zou: omdat ik niet het oog ben behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? En indien het oor zeggen zou: omdat ik niet het oog ben behoor ik niet tot het lichaam, behoort het daarom niet tot het lichaam?’ (1 Kor. 12:14-15). Evenals het lichaam is ook de gemeente een levend organisme. Door de gemeente heen werkt God op aarde. Hij is met een heel uitgewerkt plan gekomen. Zoals er staat geschreven: ‘Naar de bepaalde raad en voorkennis van God’ (Hand. 2:23). En wat zijn hand eenmaal begonnen is, dat zal Hij ook voleinden. Dwars door alle ongehoorzaamheid en ongeloof van de mensenkinderen heen.

Het fundament

U zult zich ongetwijfeld afvragen wat het opschrift van dit hoofdstuk nu eigenlijk wil zeggen. Ik wil proberen dit duidelijk te maken. Zoals gezegd, het is en was Gods voornemen de wereld weer met zichzelf te verzoenen, de wereld die door de zonde van Hem afgevallen was. Vanaf het begin stond zijn plan vast: ‘verzoening’. Daartoe ontvouwde Hij een plan. De grote Architect maakte een bestek om een geestelijk huis te bouwen, een ‘woonstede Gods in de Geest’.

Laten we zien hoe dit plan ontvouwd werd. Om te beginnen bij Abraham. God riep hem bij de afgoden vandaan en zette hem apart. God gaf hem de belofte dat in zijn zaad alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden. Ja, dat hij zelf tot een groot volk zou worden. Daartoe had Hij al een plek uitgekozen waar de wieg van dit grote volk zou staan. Hier tekende de Here God het fundament van dit geestelijke huis: God-land-volk.

Daarna komt er een wet voor dit land en dit volk. Dat staat zo mooi in Psalm 147: ‘Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja’ (vers 19-20). Paulus verwoord het zo goed in Romeinen 9 ‘Immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften’ (vers 4). Kortom, dit volk is toegerust om tot een licht voor de volken te zijn. En dat is ook gebeurd. Mozes zegt: ‘De Here zei tot mij: een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken’ (Deut. 18:15). Op dit laatste wil ik attenderen — ‘uit het midden van Israël’. Later gaat Micha ook nog zeggen waar deze profeet geboren zal worden, namelijk in Betlehem Efrata (Micha 5:1).

God is doorgegaan

Deze dingen zijn allemaal geschied zoals Mozes en de profeten gezegd hebben. Jesjoea is geboren, alles volgens het gemaakt bestek, op een goed fundament. Tijdens zijn omwandeling op aarde heeft Hij als een echte Jood trouw de wet volbracht, daar is geen tittel of jota van vervallen. Tot op het kruis. Daar stond in de drie wereldtalen van die tijd — Hebreeuws, Grieks  en Latijn: ‘Jesjoea, de Koning der joden.’ Hij is nooit losgekomen van zijn volk. Maar moest dat dan? Zeer zeker niet. Alleen, ‘men’ heeft Hem losgeweekt van Israël, terwijl Hij zelf met zijn eerste twaalf gezondenen — allen Joden! — juist is doorgegaan met Israël. Israël hing als het ware aan een zijden draadje. Maar laten wij niet vergeten dat de God van Israël dat zijden draadje vasthield. Evenals in Jesaja 11:1 geschreven staat: ‘En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen.’ Wat is nu een rijsje? Een slap, nietig ding. En toch, zijn naam is wonderbaar (Jes. 9:5).

Vaak krijg ik, wanneer ik zeg dat God met Israël gewoon doorgegaan is, als tegenwerping te horen: ‘maar niet met Israël als volk.’ Alleen maar met een rest zeggen ze dan. Bemerken zij dan niet dat dit nu juist Gods handelen met zijn volk is? Paulus durft zich garant te stellen voor het hele volk. Leest u maar wat hij in Romeinen 11:1 zegt: ‘Heeft God dan zijn volk verstoten? Volstrekt niet. Ik ben immers zelf een Israëliet?’ Met andere woorden: ‘al was ik er alléén maar, dan nog heeft God zijn volk niet verstoten.’Wij bemerken dus dat Israels God nooit dat fundament veranderd heeft en het ook niet anders is gaan noemen. Israël blijft Israël. ‘Men’ is het anders gaan noemen, maar de Here God heeft dat niet gedaan. Dat kunnen wij trouwens ook nagaan. Want zoals de verstrooing (de ballingschap) voor Israël door de eeuwen heen gegaan is zoals voorzegd is en men daar géén bezwaar tegen maakte, zo hebben wij ook kunnen constateren dat ze nu naar het land terugkeren overeenkomstig de voorzegde beloften daarover. Dit moet ons opmerkzaam maken en blij. Dat gaat ons geloof in de trouw van de Gods van Israël versterken, de God die, ondanks alles, doorgaat met zijn plan.

Schisma

Wij zouden ons zelfde vraag kunnen stellen of laten stellen: Waren de eerste volgelingen van de Messias ‘Joden’? In welk land leefden ze? Waar heeft zich alles afgespeeld? Is er een opdracht aan de twaalf eerste volgelingen gegeven en zo ja, wat hield die opdracht dan in? Waar moesten ze beginnen en waar eindigen? Toen de eerste twaalf gezondenen van de beloofde Messias het goede nieuws gingen vertellen aan hun broeders in Israël, waren het toen ineens geen Joden meer? Kan iemand mij daar een antwoord op geven? Ik zou zeggen: Toen werden ze eerst recht compleet Jood. De beloofde Messias was gekomen, en dat geloofden ze. En daar gingen ze van vertellen, zoals God het bevolen had, om te beginnen bij Jeruzalem en dan tot de einden der aarde.

Israël zelf ging zo ver dat het de Tora in het Grieks vertaalde. Daar werkten vele rabbijnen aan mee. Dat is een goede zaak geweest! Maar het verder vertalen vanuit het Grieks in andere talen is niet goed gedaan. Sommige namen zijn daarbij onvertaald gebleven. Bijvoorbeeld: ‘apostel’, ‘discipel’, ‘evangelie’, ‘Christus’ en het daarvan afgeleide ‘christenen’. Het was zo net alsof er iets heel anders gekomen was. Daar is de breuk, het schisma ontstaan. En wel zo diepgaand, dat het is alsof er nooit meer geheeld kan worden. Maar ik weet wel beter, want de God van Israël laat nooit varen wat zijn hand eenmaal begon! En Hij is daar nu, in deze tijd, mee bezig.

Er werd mij eens gevraagd: ‘Hoe moet je de profeten lezen?’ Een merkwaardige vraag eigenlijk, vindt u niet? Het antwoord hierop vind ik heel eenvoudig, en het is: lezen wat er staat en geloven wat er staat. Dan heb je wat er staat. Wanneer de Here God tot Israël spreekt, dan spreekt Hij tot Israël. Dan moeten wij er geen ander woord voor in de plaats zetten. Wèl mogen de gelovigen uit de volken door de uitroep van de Heiland aan het kruis, ‘het is volbracht’, zich bij Israël ingelijfd weten. De profeet Zacharia drukt zich hierin zó uit: ‘Jeruzalem zal dorpsgewijs gebouwd worden’ (2:4 Statenvertaling). Dat betekent: zonder muren, open, volken kom er maar bij. Eén kudde, één herder. Dat is, naar ik meen, Gods plan en Gods doel. Opdat Hij alles en in allen zal zijn, verenigd tezaam.

Partner

Wanneer we ons allen eens eerlijk voor God stellen en met onze (voor)vaderen gaan zeggen: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten en zie of bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg, dan kan het niet anders of wij laten ons ook inderdaad leiden. Dan zullen wij bereid zijn om de schadelijke dingen, die eeuwenlang gemaakt zijn, af te leggen en de nieuwe mens aan te doen, ‘die vernieuwd wordt naar het beeld van zijn Schepper’ (Kol. 3:10).

Nu ik zo’n tachtig jaar op deze planeet mag vertoeven, ben ik langzamerhand enige schadelijke dingen gaan zien, die er in het lichaam van de Messias, onze Heer, niet mogen zijn. En dan kom ik bij het opschrift van dit hoofdstuk. Het lichaam loopt op één been. Dat is geen goede gang. Zo’n lichaam loopt mank. En gaat u nu bij uzelf eens na of dit inderdaad zo is. Hebben de kerken niet eeuwenlang Gods volk Israël, het volk dat Hij verkoren heeft, uitgeschakeld of uit willen schakelen en naar dat streven hun kerkordes gemaakt? Het overgrote deel van de kerken heeft daar althans aan meegedaan. Uitzonderingen waren onder andere de ‘oude schrijvers’ van de Nadere Reformatie (Smytegelt, Van der Groe, A Brakel, enz.), die hier telkens weer tegen waarschuwden. Wanneer ik de Schriften goed lees, zie ik dat de Messias, de Gezalfde, tot in de dood toe gehoorzaam is geweest aan zijn Vader, de God van Israël. En dat zijn volgelingen van begin af aan Hem daarin gevolgd zijn. Zo is dan de blijde boodschap door Israël aan de volken verkondigd, naar de bepaalde raad en voorkennis van God. En aan het kruishout heeft de Heiland Jood en heiden met elkaar verzoend. Daar heeft Hij alles volbracht. Daar ging de nieuwe mens (Ef. 2:15) op twee benen lopen.

Ik meen dat de kerken zich hierover eens moeten gaan bezinnen en erkennen dat zij op dit punt een schadelijke weg zijn ingeslagen. Afgebogen van dat deel van Israël dat de Messias volgde. In de Schriften is en blijft de richting echter: ‘Eerst de Jood en ook de Griek’ (Rom. 1:16). Elk mensenkind dat tot geloof in Jezus de Messias komt, wordt ingelijfd in Israël. En elke jood die tot geloof in Jezus de Messias komt wordt dan eerst recht compleet jood.

En nu mijn vraag aan de gelovigen uit de volken. Zoudt u nu eens goed willen inschikken en plaats maken voor uw broeders en zusters uit Israël, die in de Messias geloven, zodat u samen in de tent van Sem gaat wonen om samen gemeente te zijn, een lichaam dat eindelijk op twee benen gaat lopen, zoals het bedoeld is? Ik mis namelijk uw partner die u van Godswege gegeven is.

Rebecca de Graaf van Gelder

Plaats een opmerking

Send this to friend

Spring naar toolbar