Gemoedstoestand van pas overtuigde zielen
december 23, 2015
Beperkte kennis
december 24, 2015
Show all

Tweede brief van John Newton aan een edelman. April, 1766.

Mijn heer!

Ik zal, op grond van de vrijheid door uw Lordschap aan mij verleend, dit blad volschrijven. Wat het onderwerp betreft, zal ik proberen , om datgene voor u open te leggen wat al sinds enige tijd zeer vaak de stof van mijn overdenkingen is geweest — namelijk, merkbare en vernederende onderscheid, dat, naar ik meen, iedereen die zichzelf goed kent, in zichzelf zal ontdekken, tussen zijn verkregen, en zijn bevindelijke kennis; of, met andere woorden, tussen zijn oordeel, en zijn praktijk.

Diegene, die een gelovig mens hoort spreken van zijn begrippen over het verkeerde van de zonde, de ijdelheid ‚van de wereld, de liefde van Christus, ‘het schoone van de heiligheid, of het gewicht van de eeuwigheid, zou niet denken, dat hij tegen alle verzoeking bestand was? Wie zou, daar bij hem met de sterkste drangredenen de waakzaamheid, het gebed, de zachtmoedigheid, en onderwerping hoort aanprijzen, wanneer hij anderen onderwijst of raad geeft; wie zou, zeg ik, niet tot de ontdekking komen, dat hij ook zichzelf kon leren, en zijn eigen wandel regelen? Maar, helaas! Quam dispar sibi! Hoe ongelijk is hij aan zichzelf! De persoon, die, van zijn knieën opstond als hij in de morgen uit zijn kamer ging, een arm, behoeftig, machteloos, afhankelijk schepsel was; die zag en erkende, dat hij onwaardig was de lucht in te ademen, of het licht te aanschouwen, zal wellicht, voor de dag ten einde is, vele gelegenheden ontmoeten, om de verdorvenheden van zijn hart te openbaren, en te tonen hoe zwak en flauw zijn beste grondbeginselen en klaarste overtuigingen zijn, wanneer het op dadelijke beoefening aankomt. En dus beschouwd, hoe ijdel is dan de mens, en hoe strijdig is een gelovige met zichzelf! Hij wordt een gelovige genoemd, met nadruk, omdat hij Gods Woord van harte toestemt; maar, helaas! hoe vaak is hij die naam onwaardig! Wanneer ik zijn karakter volgens de Bijbel zou moeten beschrijven, zou ik zeggen: is iemand, wiens hart dorst naar God, naar Gods eer, zijn beeld, zijn nabijheid; zijn genegenheden zijn vast gehecht aan een Zaligmaker die hij niet gezien heeft; zijn schatten, en ook zijn gedachten, zijn omhoog, buiten het bereik van de zinnen. Omdat hem veel is vergeven, is hij vervuld met ingewanden van barmhartigheid naar allen die rondom hem zijn; en daar hij menigmaal door zijn hart bedrogen is geworden, durft hij zijn eigen hart niet meer te vertrouwen, maar leeft door het geloof van de Zoon van God, die hem wijsheid, rechtvaardigheid, en heiligmaking is, en uit wie hij volheid ontvangt, genade voor genade, zich bewust dat hij zonder Hem geen bekwaamheid heeft om zelfs iets goeds te denken. Met één woord gezegd — hij is gestorven aan de wereld, aan de zonde, en aan zichzelf, maar Gode levend, en werkzaam in Zijn dienst. Het gebed is zijn ademtocht, het Woord van God zijn spijze, en de godsdienstige instellingen zijn hem dierbaarder dan het licht van de zon. Zo is nu een gelovige in zijn eigen oordeel, en in zijn heersende begeerte.

Maar als ik hem moest beschrijven naar de ondervinding, vooral op sommige tijden; hoeveel zou die beschrijving dan verschillen? Ondanks dat hij weet, dat gemeenschapsoefening met God zijn hoogste voorrecht is, vindt hij het maar zelden zo; integendeel, als zijn plicht, zijn geweten, en de nood hem niet drongen, liet hij dag bij dag de Genadetroon onbezocht, neemt de Bijbel op, bewust dat het de fontein van leven en waren troost is; maar, terwijl hij dit wil doen, zal hij misschien een stille tegenzin voelen, die hem de Bijbel weer doet neerleggen, en de voorkeur geeft aan een krant. Men hoeft hem niet te zeggen, hoe ijdel en onbestendig al het aardse is; en evengoed laat hij zich door een kleinigheid zo hoogmoedig maken, of zo diep neerslaan, als zij, die hun deel in deze wereld hebben. Hij gelooft, dat alle dingen hem zullen meewerken ten goede, en dat de Allerhoogste al zijn belangen beschikt, bepaalt, en bestuurt; maar toch vindt hij zich aangedaan door vreze, zorg, en misnoegen, als of het tegen overgestelde waarheid was. belijdt, onkundig te zijn, en bloot te staan voor duizend misvattingen; nochtans laat hij zich lichtelijk vervoeren tot koppigheid en eigenzinnigheid, voelt zich een onnutte, ontrouwe, ondankbare dienstknecht, en daarom bloost hij bij de gedachte van enige achting en roem van mensen te begeren; en toch kan hij die begeerte maar niet uit zijn hart verdrijven. Eindelijk — want ik moet eenmaal ophouden — uit aanmerking van deze en vele andere onbestaanbaarheden, moet hij verstommen voor de Heere, en van alle hoop en vertrouwen buiten Gods vrije genade en ontferming in Christus geheel afzien; en evenwel keert zijn hart steeds weer terug, om te steunen op een Verbond der werken.

Er ontstaan natuurlijk twee vragen uit deze beschouwing van onszelf. Ten eerste: Hoe kunnen deze dingen er toch zijn, of waarom worden ze toegelaten? Daar de Heere de zonde haat, daar Hij Zijn volk leert haar te haten, en er tegen te roepen, en Hij beloofd heeft hun geroep te horen; hoe komt het dan, dat zij dus bezwaard daar heen gaan? Zeker, indien Hij het kwaad niet ten goede kon of wilde besturen, dan  zou Hij het zeker niet bij ons laten blijven. Maar door deze oefeningen leert Hij ons meer bevindelijk, de gehele verkeerdheid en het uiterste bederf van onze natuur kennen, en voelen, dat wij waarlijk van het kwaad geheel doordrongen, en geheel onrein zijn. Ook de weg van de Verlossing wordt ons daardoor uitnemend dierbaar; wij zien dat het uit genade, enkel en alléén uit genade is, en moet zijn, en dat de Heere Jezus Christus en Zijn volmaakte gerechtigheid, ons is, en zijn moet, alles in allen. Ook Zijn macht, in het staande houden van Zijn werk in ons, onaangezien onze zwakheden, verzoekingen, en vijanden, worden hierdoor in het helderste licht vertoond; Zijn kracht wordt geopenbaard in onze zwakheid. De Satan wordt tastbaarder beschaamd en teleur gesteld, wanneer hij dus aan zijn woede en list grenzen ziet zetten, buiten welke hij niet gaan kan; en dat zij, in wie hij zo veel vindt waarop hij kan werken, en over wie hij zo menigmaal voor een tijd de overhand heeft, ten laatste nog aan zijn handen ontkomt. Hij werpt hen neer, maar zij worden weer opgericht; hij verwondt hen, maar zij worden genezen; hij krijgt ‘zijn wil, om hen te ziften als de tarwe, maar het gebed van hun grote Voorspraak heeft zo veel kracht, dat hun geloof niet ophoudt. Door hetgeen godvruchtige mensen in zichzelf gewaar worden, leren zij trapsgewijs, hoe zij anderen zullen waarschuwen, met medelijden zullen behandelen, en verdragen. Een zachtmoedige, toegevende, en medelijdende geest, en bereidvaardigheid en vermogen, om anderen, die verzocht en gevallen zijn, te vertroosten en op te beuren, zijn misschien langs een anderen weg niet te verkrijgen. Uiteindelijk; kan niets, geloof ik, een kind van God meer hebbelijk met genoegen aan de dood doen denken, dan het moeilijke van deze strijd. De dood is verschrikkend voor de natuur — maar dan, en niet eerder, zal de strijd ten einde zjn. Dan zullen wij niet meer zondigen. Het vlees met al zijn aanklevende kwaden, zal in het graf gelegd worden — dan zal de ziel, die een nieuwe en hemelse geboorte deelachtig is, bevrijd worden van alle belemmering, en volmaakt staan in de gerechtigheid van de Verlosser, voor God, in heerlijkheid.

Maar omdat deze kwaden niet ten eenenmale kunnen worden weggenomen, is het toch zeker de moeite wel waard, dat wij, in de tweede plaats, onderzoeken, hoe zij verzacht kunnen worden. Dit is zeker niet hopeloos. Gods Woord leert ons, en spoort ons aan, om te wassen in de genade. En hoewel wij geestelijk zelf niets doen kunnen, wordt ons wel aangewezen, wat onze plicht is. Wij kunnen de hinderpalen, die ons in de weg liggen, door eigen kracht niet te boven komen; maar wel kunnen wij aanleiding tot die hinderpalen geven – en als wij dit doen, dan is het onze eigen schuld, en het zal ons tot droefheid strekken. De verschillen over het inklevend vermogen in het schepsel, zijn veel te ver gedreven. Ik voor mijzelf, zie het als een veilige weg , om mij aan de taal van de Bijbel te houden. De Apostelen sporen onsaan, om vlijtig te zijn, en de duivel te weerstaan, onszelf te reinigen van alle besmetting van het vlees en van onze geest; en aan te houden in het lezen, overdenken en bidden; te waken, en de gehele wapenuitrusting Gods aan te doen, en ons te onthouden van allen schijn des kwaads. Getrouwheid aan ontvangen licht, en een eerlijke poging om de middelen, die Gods Woord aan ons geeft, te gebruiken, met ootmoedige toevluchtneming tot het bloed van de besprenging, en de beloofden Geest, dit zal ongetwijfeld beantwoord worden door vermeerdering van licht, geloof, sterkte en vertroosting; en wij zullen kennen, indien wij vervolgen den Heere te kennen.

Ik hoef uw Lordschap niet te zeggen, dat ik ex tempore schrijf.

Ik liet mijn gedachten uitweiden over het stuk, waarvan ik in het begin melding maakte; doch thans keer ik weder, en onderschrijve mij‚ met ware hoogachting, enz.

Send this to friend

Spring naar werkbalk