levend water vanuit Jeruzalem
juli 1, 2016
Zijn heilige Naam vertrouwen
juli 2, 2016
Show all

Het gedicht “Op de dood van een begenadigd kind” staat centraal in de cantate “Kinderen Sions”. Het werd geschreven door Robert Murray MacCheyne, wiens gedicht “Eens was ik een vreemd’ling”, wel tot zijn bekendste werken mag worden gerekend. Laatstgenoemd gedicht is ook door Arie Loonstra op muziek gezet en te beluisteren op zijn CD “Liederen Sions”. De predikant Ds. C.J. Meeuse, thans verbonden aan de Gereformeerde Gemeente te Nunspeet, houdt zich al jaren bezig met het herdichten van de werken van MacCheyne, wat in 1993 resulteerde in een door uitgeverij Den Hertog te Houten uitgegeven gedichtenbundel “Liederen Sions”.

Op de dood van een begenadigd kind

Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: het is wel (2 Koningen 4:26).

Is het wel met uw kind? – Ja, zo antwoordt zijn geest,
jullie kind, droeve ouders, is thuis.
Want mijn ziel is gekomen in ’t hemelse feest
en verliet waar ’t een balling, vol zorg is geweest;
in het graf rust mijn tijdelijk huis.

’t Droeve lijden verdonkerde ’t sterfbed op aard
en het smartte uw hart, maar ’t vlood heen.
In ons land is geen stroom waarin zorg wordt vergaard,
ook geen schaduw des doods die slechts duisternis baart;
ja, hier is zelfs geen wolk als beneên.

Wie hier woont werd verlost uit des doods slavernij,
werd gedragen door d’ engelen Gods.
En mijn ziel sloeg haar vleugels wijd uit en was vrij
en kwam bij haar Heiland, Die haar licht maakt en blij.
Ik woon hier in de eeuwige Rots.

In Zijn dierbare bloed waste Hij mij zo wit
als de sneeuw, die vers viel van omhoog.
En mijn kleding hier is van een hemelse snit,
met een glans, als was ik van het eng’lenkoor lid,
ja, wij schitt’ren om strijd voor Gods oog.

Ook kreeg ik nog een harp uit Zijn hand van fijn goud
en Hij stemde ze af op Zijn lof.
Daarop speel ik een lied dat Gods roem meer ontvouwt
dan der engelen zang, want ik prijs mijn behoud
en daardoor heb ik heerlijker stof.

O, hoord’ ú, lieve ouders, door uw zoon zo bemind,
toch mijn harpzang vol vreugd’ en genot,
u zou vurig verlangen te zijn, waar uw kind
zingt zijn loflied en wensen om, hemelsgezind,
in te stemmen met ’t prijzen van God.

Op mijn hoofd plaatste Hij een geheel gouden kroon
die gelijkt op de kroon die Hij draagt.
Och, zag u deze kroon, die God gaf aan uw zoon
bij het graf waar zijn stof, bleek en koud, vond haar woon,
dan plengt u nu geen traan meer die klaagt.

Ik ontkwam uit een wereld, die droomt van het land
waar ik woon aan het Koninklijk hof.
Ik heb deel aan Zijn vreugde en Hij leidt aan Zijn hand
mij, gevoed door Zijn manna, naar het hemelse strand,
waar de Levensbron welt tot Gods lof.

Nu bewoon ik de glorie, waar geen dood meer bestaat,
en ‘k geniet eindeloos Gods genâ.
In de taal van de aarde is niemand in staat
te verstaan, lieve ouders, hoe het mij hier vergaat:
Het is wèl met uw kind, staar hem na!

Maar ik vraag: Is het wèl, liefste moeder, met u?
Is het wèl met mijn vader op aard’?
Is het wèl met de kinderen? Zij missen mij nu,
maar komt er eens een weerzien voor eeuwig met u,
in Immanuels glorie vergaard?

Och, vertel ze van mij, die zij missen in smart
en verhaal van Gods zegen, zo rijk!
’t Zou geen vreugd’ zijn maar pijn, ja, wat viel het mij hard
weer te toeven op aarde door zorgen benard,
weer aan zondaars, met ziekten, gelijk.

Och, vertel hun van mij, dat hun tedere zorg,
hoewel liefdevol aan mij besteed,
toch veel minder is dan dat ik hier van de Borg
Die ook kinderen zaligt, ondervindt door Zijn zorg,
’t is de liefde van Die voor mij leed.

Met mijn tong heb ik nooit nog hun namen genoemd,
want ik leerde op aard’ nog geen woord.
Maar hier thuis heb ik Hem met Hosannah’s geroemd
en verrukt Hem geloofd, Die mij niet heeft verdoemd,
Die mij mint en mijn lofzangen hoort.

Want al had nog mijn denken op aarde geen macht
te begrijpen wat men tot mij zei,
hier nu kan ik bevatten wat God uit heeft gedacht:
de verlossing van mensen uit hun zondige nacht,
tot Zijn eer, tot hun heil, ook voor mij!

Ja, gezegend de dag, die mijn ziel heeft bevrijd
van de aardse besmetting en smart!
En gezegend het Lam, Dat voor mij in de strijd
heeft geleden, en jullie, o kinderen, op tijd
nog kan geven vernieuwing van ’t hart.

O, zoek Hem in je jeugd, nu je jong bent, op tijd,
want wie Hem vroeg zoekt, vindt gewis.
Maar wie Hem veracht, zich in zonden verblijdt,
die zal hier niet komen, door Christus bevrijd,
zij sterven in angst en gemis!

Het is wèl met uw kind, nu dan ouders, laat na
te bewenen uw kleine die stierf.
Maar zie hen die God liet, geef uw zorg vroeg en spa,
opdat ook Gods huis bij hun dood openga!
Want ik kreeg reeds wat Christus verwierf!

Is het wèl met je, kind? – wees dan zeker dat jij
Christus dient in je jeugd als je Heer.
In de hemel maakt God je in eeuwigheid blij,
en gewassen in ’t bloed glanst je kleed als van mij
en je harp die stemt Hij tot Zijn eer!

Send this to friend

Spring naar werkbalk