En zie, Ik ben met u al de dagen. Mattheüs 28:20
mei 11, 2016
Ik zal Mijzelf aan hem openbaren. Johannes 14:21
mei 12, 2016

IETS NIEUWS VOOR ISRAEL

DOOR

REBECCA DE GRAAF – VAN GELDER


VOORWOORD

De tijd is voorbij dat het Nieuwe Testament door ons, Joden, als een verboden boek werd beschouwd. Een groot deel van ons volk leest het nu, al was het alleen maar voor algehele ontwikkeling. Dit geschriftje wil aantonen, dat het Nieuwe Verbond (Testament) in eerste instantie aan ons, Joden, is gegeven. Ik ben mij bewust van de onvolkomenheid van dit schrijven. Doch wanneer het er toe mag dienen dat wij onze eigen Schriften gaan lezen en over de drempelvrees heen komen bij het lezen van het Nieuwe Testament als een aan ons gegeven boek, dan heeft dit boekje zijn taak volbracht. R.d.G. – v.G.

Met grote dank aan God voor de ontvangst die de beide vorige uitgaven gevonden hebben, gaat deze 3e druk in zee. Dat dit eenvoudige boekje verder mag bijdragen tot een beter begrip tussen de Joden en de gelovigen uit de volkeren is mijn vurige wens. REBECCA DE GRAAF-VAN GELDER – Alphen aan de Rijn 1972 –


EEN NIEUW VERBOND VOOR ISRAËL

Aan wie is het Nieuwe Verbond beloofd en door wie is het tot ons gekomen? Deze vraag heeft mij lang bezig gehouden en niet meer met rust gelaten, na een gesprek met een gelovige joodse leraar en een gelovige leraar uit de heidenen. De joodse leraar verzekerde mij dat het Nieuwe Testament voor hem geen gezag had en dat hij zich alléén aan het Oude Testament hield. De andere leraar uit de „gojiem” (de volkeren), antwoordde mij op mijn vraag, aan wie nu eigenlijk het Nieuwe Testament gegeven was, héél stellig: „Aan de Gemeente”. Trouwens, hoe vaak heb ik niet meegemaakt dat christenen eigenlijk alleen maar het Nieuwe Testament lazen, het Oude Testament zou alléén voor de joden, voor Israël zijn. Maar hoe meer ik het Oude Testament onderzocht, des te duidelijker zag ik de tekening van onze grote Bestekmaker, Israëls God, zoals Hij die door zijn knechten, de profeten, heeft laten optekenen. En niet alleen zag ik de tekening op de blauwdrukrol van dit gemaakt bestek, maar ik zag en zie dit ook in de geschiedenis, tot op de dag van vandaag. Vooral de profetie van jeremia 31:31-34 ging voor mij leven en liet mij zien was Israëls God beloofd, maar óók gedaan heeft, zoals alles wat Hij voorzegt heeft zal gebeuren op Zijn tijd! Er werd als ’t ware een gordijn voor mij weggeschoven, waardoor ik een blik naar binnen mocht slaan, en er kwam een grote vreugde in mijn ziel om de trouw van Israëls God (die Hij aan Israël gezworen had), dat Hij altijd Zijn verbond zou gedenken (Psalm 105:8). En als ik ooit aan het bestaan van een God mocht getwijfeld hebben, dan was het de profeet Jeremia, die mij alle twijfel ontnam, omdat ik in die paar verzen alleen al een profetie zag die vervuld is! Immers, hoe kan men weten of een profetie écht is? Toch alleen, wanneer er gebeurt wat er geprofeteerd is! (Deut. 18:20). In bovengenoemde tekst van Jeremia staat: „Ziet, de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken”. Hier staat duidelijk dat God met Israël een nieuw verbond (het Latijnse woord is „testament”) zal maken. Hier is toch het volk Israël mee bedoeld, zoals dit volk zich tot op de dag van vandaag manifesteert. Het heerlijke, het enige houvast hierin is, dat dit geheel van Gods kant uitgaat. God kent zijn volk wel: „Het is een weerspannig volk” zegt Hij, „noch- thans maak ik een nieuw verbond (testament) met hen”. „Niet naar het verbond (testament) dat Ik met hun vaderen gemaakt heb toen Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren”.

Voor het oude verbond (testament), dat God door Zijn knecht Mozes heeft laten bekend maken, komt dus blijkbaar iets nieuws in de plaats. God zegt duidelijk: ,,niet naar het oude verbond”. Hij gaat dus kennelijk andere lijnen doortrekken in Zijn gemaakt bestek. Israëls God wil verder met Zijn volk! Het is niet zijn bedoeling dat dit volk blijft staan bij de wetten, die Hij door Mozes op de stenen tafelen liet maken, want Jeremia gaat verder: „Maar dit is het verbond dat ik na die dagen met het huis van Israël maken zal. Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven”. (Welke dagen? Dit wijst m.i. op een periode, een afgesloten tijdperk.)

ISRAËLS BESTEMMING

Zoals ik het zie is Gods plan: verlossing, voor de gehele mensheid! Daar gebruikt Hij een orgaan voor. Dit orgaan is Israël. Het kleine volk Israël heeft zichzelf niet uitverkoren; dat heeft God gedaan. In de dagen van 1940—1945 hebben wij wel eens horen zeggen: „Laat nu een ander volk maar eens uitverkoren zijn”. God nam in Zijn soevereiniteit uit alle volkeren dat kleine volk Israël; niet om Israël, maar opdat het Gods lof zou verkondigen op de ganse aarde. „Ik doe het niet om uwentwil, o huis Israël, maar om Mijns groten Naams wil” (Ezechiël 36:22). Dit was en is de opdracht aan het volk Israël. Deze opdracht blijft, want God is de Opdrachtgever – daarin ligt alles vast! Oók als Israël zich aan die opdracht zou willen onttrekken. Daarom heeft God een oneindig geduld met Zijn volk. Hij heeft dit volk getrouwd (Jeremia 31:32 en 3:14) en Hij is geen echtbreker, ook al is een deel van het volk Israël niet trouw, er is altijd een overblijfsel geweest dat Hem door alle eeuwen heen is trouw gebleven.

MOZES MIDDELAAR TUSSEN GOD EN ZIJN VOLK

Nu heeft God door Mozes zijn wetten bekend gemaakt, opdat Israël daarnaar zou leven en een voorbeeld voor de omliggende volkeren zou zijn. Vóór mij zie ik als ’t ware Mozes daar staan met het „bulletin” van God; de stenen tafelen. Men kon er twee dingen mee doen: lezen en dan naar huis gaan en het al of niet in praktijk brengen. Bij het wèl in praktijk brengen was er de belofte, bij het niét in de praktijk brengen de vloek. Maar zoals ik al eerder zei: God wil verder met Israël. Hij gaat nu, volgens Jeremia 31:33, Zijn wet in hun binnenste geven; in hun hart. Dit is niet meer vrijblijvend, want God komt als ’t ware „woning” bij ons maken; dan zijn de rollen omgekeerd. Wij keken naar God, naar zijn bulletin; nu kijkt God naar ons, nee, Hij komt bij ons, in ons: Immanuël, God met ons (Jesaja 7:14). Diezelfde Jeremia zegt: „Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen” (Jeremia 24:7). Het „kennen” wordt vaak weergegeven door het beeld van het huwelijk, waar twee samen komen en waaruit leven geboren wordt. De levende God van Israël komt nu wonen in de harten van Zijn volk. Trouwens, Mozes zelf zegt in Deuteronomium 18:18: „Een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen als u, en Ik zal Mijn woorden in zijn mond geven en Hij zal tot hen spreken alles wat Ik hem gebieden zal”. Zegt Mozes nu niet zélf om niet bij hem te blijven staan, maar te luisteren naar wat God zegt: „één uit uwe broederen en naar hém zult gij horen?” Nu is de vraag of Israël deze opdracht heeft vervuld; heeft Israël gelóófd wat Zijn God heeft gesproken en is het gebeurd wat God door de profeten voorspeld heeft? Want het is een voornaam punt dat een belofte of profetie uitkomt. Dan is mijn antwoord: „ja, het is gebeurd”. Het Nieuwe Verbond dat God aan Israël beloofde, is gekomen!

DE BELOFTEN ZIJN VERVULD

Het oude verbond staat vól over de beloften van God aan Israël dat ze weer in het hun door God gegeven land zouden wonen. Eeuwenlang heeft Israël moeten wachten op de „vervulling” van deze profetieën. Het wonder is gebeurd in onze tijd; 1948 – de Staat Israël! De geschiedenis moet de profetie bevestigen. Nu las ik in Micha 5:1-4 een profetie of belofte: „En gij Bethlehem Efrata! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn in Israël en Wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Daarom zal Hij hen overgeven tot de tijd toe, dat zij die baren zal, gebaard heeft; dan zullen de overige zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israëls. En Hij zal staan en zal weiden in de kracht des Heren, in de hoogheid van de Naam des Heren zijns Gods; en zij zullen wonen; want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde. En Deze zal Vrede zijn   ”

Is er in de geschiedenis iets gebeurd in dat kleine Bethlehem- Efrata? Laten wij er de Bijbel naast leggen en diegenen die oren hebben om te horen en ogen om te zien, ontdekken dan, dat alles wat in het oude verbond gesproken is door de profeten, gebeurd is en, voor zover nog niet gebeurd (bv. de vrede van Jeruzalem), zéker geschieden zal!

GEBOORTE

De profeten hebben gesproken over „een profeet die komen zal; de komende Verlosser”. Ik stel mij voor dat deze „verwachting” bij de gelovigen in Israël, van mond tot mond ging (mondelinge overlevering). Daar waren geen kranten, radio of televisie. Stelt u zich nu eens voor, dat in die dagen, ik bedoel na de profeet Maleachi (het laatste boek van de profeten), er wèl een krant was. Dan zou ik bv. „de Jeruzalem Post” pakken en de Israëlische berichtgevingen opslaan en ja, daar staat: „En er waren herders in diezelfde landstreek (in de omgeving van Bethlehem) die zich ophielden in het veld en des nachts de wacht hielden bij hun kudde. En plotseling stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen en zij vreesden met grote vreze. En de engel zeide tot hen: „Weest niet bevreesd, want zie ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk (Israël) zal ten deel vallen. U is heden geboren de Heiland (namelijk de Messias), welke is Christus de Here, in de stad van David” (Lucas 2:1-10).

Deze joodse mannen (de herders) gingen terstond zien of het waar was wat de engel gezegd had. Ja, je moet in beweging komen, niet blijven zitten en er alleen over praten of discussiëren. Wij mogen de God van Israël gaan controleren of het waar is wat Hij gezegd heeft. En deze mannen vonden het Kindje, gelijk hun gezegd was en zij keerden terug, God lovende en prijzende! Zo gaat het als je God gelooft en kinderlijk doet wat Hij zegt. In een ander artikel, geschreven door Mattheüs, nl. in hoofdstuk 2:1-12 staat: „Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, Wijzen uit het oosten kwamen te Jeruzalem en vroegen: „Waar is de Koning der joden die geboren is? Want wij hebben Zijn ster in het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen”.

De mensen van buiten, de „gojiem”, zijn naar Israël gekomen om die pasgeboren Koning van Israël te zien! De toenmalige koning Herodes proeft concurrentie. Hij gaat naar de mensen die het weten kunnen. Zij, die de Schriften dagelijks lezen, antwoorden op de vraag van de koning, waar dit wel gebeurd kon zijn: „Te Bethlehem, in Judea. Zo is er geschreven door de profeet”. En zij citeren Micha 5:1-4! Merkwaardig, zij sturen de gojiem er heen, maar zélf gaan ze niet. Ontroering grijpt mij aan over het feit, dat je dagelijks de Schriften kunt lezen, ze bestuderen en toch aan de bedoeling die God daarmee heeft, voorbijgaan. Je kunt ogen hebben en niet zien en oren, maar niet horen (Jeremia 5:21). Er wordt geschreven dat deze baby nota bene in een stal geboren is (er was geen plaats voor Hem in de herberg). Nu, voor de herders van Israël was een stal niet zo iets bijzonders, daar waren ze niet vreemd, ze kwamen er dagelijks, alleen… voor hun beesten! En die Wijzen uit het oosten moeten wel gedacht hebben: „We gaan maar naar Jeruzalem, daar zal de geboren Koning der joden wel zijn!” Ze komen bij een stal terecht! Een geheimenis. Ik moet denken aan wat Jesaja zegt in hoofdstuk 11: „En er zal een rijsje voortkomen uit de stronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen”. Een rijsje, nietig, klein maar met levenskracht!

Een stronk, iets dat staan blijft, als de boom afgehouwen is. Alleen al in dit eerste vers ligt het gehele leven van dit Knaapje voorgesteld en als ik verder lees zie ik wat uiteindelijk zal gebeuren: Israël zal als de voortbrenger van dit Kind nog een grote rol spelen! Israël en de Messias zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zowel de Messias als het volk Israël zijn „de lijdende Knecht des Heren”. Vaak wordt er gezegd door mijn joodse broeders en zusters: „Dat zijn wij, die lijdende Knecht des Heren”. Wij zijn het ook, maar óók de Messias! Het is niet óf, óf, maar èn, èn.

Ook wordt beweerd: „Wanneer die Jezus de Messias zou zijn, dan zou het vrede zijn”. Maar het wordt pas vrede wanneer alle mensen (w.o. ook Israël, want daar is Hij voor gekomen; Mattheüs 15:24) Hem aannemen en geloven wat God gegeven heeft. Want een rijsje, zoals Jesaja voorspelde, moet nog groeien, bladeren en vruchten voortbrengen Zoals reeds eerder gezegd is: „God heeft Israël uitverkoren. Hij heeft behagen in Zijn volk, vandaar deze „gave”; de Messias. Slechts een gedeelte van het volk geloofde dat dit Kindeke de beloofde Messias was. Dit gelovige gedeelte is de garantie dat God zijn volk niet verstoten heeft. Daar in die stal te Bethlehem kwamen jood en heiden samen om Israëls Messias te aanbidden. Een klein voorsmaakje van wat het eens zal zijn; de ganse aarde vol van de kennis des Heren! De heidenen kwamen naar Israël, Gods instrument, om daar de geboren Koning der Joden te zien zoals door de profeten voorspeld was.

LEVENSLOOP

De berichtgevingen uit die dagen spreken verder over de vlucht van Zijn vader en moeder naar Egypte. Diezelfde Mattheüs schrijft daarover. Daarvan staat óók iets in de profeet Hosea, hoofdstuk 11:1: „Ik heb mijn zoon uit Egypte geroepen”. Nu weet ik wel dat men daarover zegt: „dat zijn wij”. Dan sluit wéér het één het ander niet uit; Messias en Israël zijn wezens-een. „Eén uit uwe broederen”, zegt Mozes. Maar laat ik verder lezen. Hij ging in Nazareth wonen, vandaar naar Galilea. Ik denk aan Jesaja 8:23 en 9:1, 5, 6. Dan lees ik verder hoe Hij het land doorgaat, goed doende, zieken genezende, bovenal een echte Jood zijnde, door Zijn God te loven. Het woord Jood betekent immers Godlover. Wat een erenaam! Ik sla Jesaja 35 op en ook dat klopt met wat er over Hem geschreven is; eeuwen tevoren door Jesaja voorspeld. Maar ik lees ook droevige dingen aangaande Hem en Zijn Volk. Hij spreekt sommige leidslieden aan in Israël, die geen goede wegwijzers naar God zijn (Hosea 6:6, Micha 6:8, Jesaja 42:18-25).

Eerlijk gezegd heb ik vroeger altijd gedacht dat in het Nieuwe Testament antisemitische uitdrukkingen voorkwamen. Ik hoor dat nu ook wel eens. Maar waren de profeten antisemieten? Nee toch zeker! Het wonderlijke van de gehele Bijbel is zeker wel dit: niets wordt verdoezeld, alles wordt openbaar, óók de dingen die niet goed zijn. Er is echter één onderscheid: een antisemiet gebruikt deze dingen alleen om zijn wandaden met een schijn van waarheid te omgeven. Zo doet Israëls God niet. Daar is altijd een nochtans! Precies zoals bij onze eigen kinderen; ze kunnen nóg zo fout gaan, het blijven je kinderen. Dat is de Goddelijke lijn. Zo handelt God met Zijn volk Israël, zo handelt God met de volkeren. God wil niet dat er één verloren gaat, maar dat allen behouden worden!

Ik kom nog even terug op het spreken van Jezus tot de leidslieden van Israël. Die nemen het niet wat Hij tot hen zegt. En zij hadden het in die dagen voor het zeggen. In een ander bericht lees ik dat ze Jezus gevangen hebben genomen, op grond van beschuldiging dat Hij beweerde door God gezonden te zijn; ja, Hij beweerde dat Hij Gods Zoon was (Mattheüs 26, Marcus 14, Lucas 22, Johannes 18). En Hij werd door de Hoge Raad veroordeeld tot de dood door kruisiging. Wanneer ik dit lees ga ik weer controleren of in dit verband door Israëls profeten geprofeteerd is; of het klopt! Ik kom bij Jesaja 53. Ik hoor u al zeggen: „maar dat zijn wij, wij zijn geplaagd, geslagen en verdrukt, God wéét het, het is zo. Ook dit heeft de geschiedenis ons geleerd: we zijn verdrukt, zelfs door mensen die zich „christenen” noemen. Maar ook hier in Jesaja 53 weer die wezenseenheid met de Messias. Toch wordt in dit 53e hoofdstuk niet in de éérste plaats het volk bedoeld, maar die Ene; „één uit uwe broederen”, volgens Mozes. Toen ik worstelde met deze vraag, heb ik een Opperrabbijn hierover geraadpleegd. Wij lazen samen dit hoofdstuk 53. Ook hij zei: „Dat zijn wij”. Ik stelde toen voor om samen weer dat hoofdstuk hardop te lezen en overal waar het woordje „Hij” staat het woord „Israël” uit te spreken.

Ach, dat klopte niet en het klopt nóg niet. Héél bijzonder bij vers 9 bleven we steken. Maar ook al eerder, bij vers 4 en 5. Om nu op vers 8 en 9 terug te komen: Hier wordt over Israëls Messias gesproken en wanneer ik nu de berichten uit Israël van 2000 jaar geleden naga, dan zie ik daar de vervulling van wat de profeet Jesaja heeft voorzegt. Leest u maar na: Mattheüs 27:57 etc., Marcus 15:43 en Johannes 19:38. Ik citeer nu Mattheüs: „En als het avond geworden was kwam een rijk man van Arimathea (Jozef), die ook een volgeling van Jezus was. Deze kwam tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam zou gegeven worden. En Jozef, het lichaam nemende, wond het in zuiver fijn lijnwaad en legde het in een nieuw graf, dat in een steenrots uitgehouwen was. En een grote steen daartegen gewenteld hebbend, ging hij weg”. Vergelijk dit nu eens met vers 8 en 9 van Jesaja 53. In vers 9 staat: „Men stelde zijn graf bij de goddelozen!” De kruisdood was in die dagen de ergste straf voor het zwaarste misdrijf. Toch staat er verder: „En hij is bij de rijken in zijn dood geweest!” Jozef van Arimathea vervulde in zijn liefde tot zijn Messias, die hij volgde, de Schriften, zoals Jesaja eeuwen tevoren geprofeteerd had. Het staat er zó precies, door 3 verschillende joodse berichtgevers opgetekend, eeuwen nadat Jesaja leefde. Dit zijn feiten die in de geschiedenis van deze wereld gebeurd zijn!

ISRAËL NU EN IN DE TOEKOMST

Nu, in onze tijd, vermelden kranten, radio en televisie alle gebeurtenissen. Vroeger gebeurde dit door mondelinge overlevering en geschriften (rollen). Maar feiten zijn het! In Hosea 3:4 staat: „Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten zonder koning, zonder vorst, zonder offer, zonder opgericht beeld, zonder efod en terafim”. Naar ik meen leven wij in deze tijd. Wij zijn zonder Koning, d.w.z., de vertegenwoordigers van ons volk hebben Hem niet aangenomen en daarin wordt „het volk” gerekend. Maar velen geloofden en geloven wèl in Hem. Ik heb mij laten vertellen dat percentsgewijze meer joden dan heidenen tot het geloof in de Messias zijn gekomen. Geen wonder, zij komen „thuis”.

De jood Paulus die op weg was om degenen die deze Jeshua volgden, gevangen te nemen, werd onderweg door God gegrepen en tot staan gebracht. Paulus heeft Hem verstaan; hij werd van een vijand een vriend, een volgeling van Hem (Handelingen der apostelen 9). Velen van ons volk hebben Hem gezien als de Messias, de Koning der joden. Velen echter hebben Hem niet aangenomen. Paulus schrijft in een brief aan de gelovigen in Rome: „Broeders, ik wil niet dat u deze verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelve); dat de verharding voor een „deel” over Israël is gekomen”. Ons volk als gehéél zit nog zonder Koning. Ons volk als gehéél zit nog zonder offer. Waar is het lam, vraag ik u? In Israël was geen vergeving zonder bloedstorting. Overal in het oude verbond komen we het offer tegen. Leest u maar in Genesis 22:7: „Waar is het lam tot het brandoffer? God zal zichzelven van een lam voorzien” (vers 8). Ja, zo is het. En over de uittocht uit Egypte staat er dat het bloed van het lam Israël tot een teken zal zijn en dat de verderfengel voorbij zal gaan, wanneer Egypte geslagen zal worden. Maar het bloed van het geslachte lam was de voorwaarde! Hoe komt het toch dat het lam verdwenen is uit de diensten van Israël? Laten we hierover eens eerlijk nadenken en Israëls God hierin om licht vragen. „De oprechten gaat het licht op”. Ik heb dit ondervonden! In het volgende vers van Hosea 3 staat: ,,Daarna zullen de kinderen Israëls zich bekeren en de Here hun God en David hun Koning zoeken! En zij zullen vrezende komen tot de Here en Zijn goedheid in het laatste der dagen”. Dit schrijft een van Israëls profeten! Dat alle kinderen Israëls zich zullen bekeren! Ja, het staat er echt! En nu wil ik meteen zeggen dat het woord „bekeren” een vieze smaak heeft gekregen in de loop der eeuwen. Daar zijn ernstige zonden bedreven door hen die zich christenen noemen. Om maar iets te noemen: doop of dood (Portugal, Spanje).

Maar het is belangrijker te weten, wat de Heilige Israëls met „bekering” bedoelt. „Omkeren”; eerst ging je van God af; nu naar Hem toe met je gezicht. Paulus moest omkeren, ik moest omkeren, wij allen, jood en heiden, moeten weer met ons gezicht naar God toegekeerd zijn; dat is „bekeren”. Telkens lezen wij in het oude verbond, wanneer Israël terugkeerde tot zijn God, dat daar altijd die vergevende liefde was en dan waren er de beloften van Zijn trouw. Maar wij moeten ons laten richten door God. In Psalm 135:14 staat: „Want de Here zal Zijn volk richten en het zal Hem berouwen over Zijn knechten”. Laten wij maar „bevende” aankomen voor Hem (Hosea 11:10 en 11) en ons buigen (Jesaja 66:3); niet zo rechtop lopen. Dan komt Hij wonen in onze harten, dan regeert Hij als Koning. Hij moet als Koning heersen. „In de veelheid der onderdanen is des Konings heerlijkheid”; die heerlijkheid van Israëls Messias zal komen!

Menigmaal hoor ik zeggen: „Israël heeft geen middelaar nodig”. Dat is niet naar de Schriften van Israël. Mozes was ook middelaar tussen God en Zijn volk. Wij joden moeten weer terug tot de bron: onze eigen Bijbel! Die moeten we gaan lezen. Wanneer er in het Nieuwe Testament gesproken wordt van de Schriften, dan wordt daar alléén het Oude Testament mee bedoeld. Jezus heeft gezegd: „Dat gij Mozes en de profeten leest. Die zijn het die van Mij getuigen!” En wanneer wij onbevooroordeeld lezen, dan zullen wij Israëls Messias gaan herkennen. Niet in de z.g. christenen die een vertekend beeld van Hem gaven en geven, maar in de persoon van Jezus van Nazareth zélf! „Hij heeft de werken Gods geopenbaard”, niet alleen in het genezen van zieken, maar in de openbaring van Gods liefde. Zelfs in de benauwdste uren aan het kruis bad Hij: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Deze bede is de garantie voor ons volk! Zou God dit gebed van Zijn knecht „één uit onze broederen” niet verhoren? Immers ja.

SCHULD EN VERGEVING

Maar wanneer er van vergeving sprake is, dan is er ook sprake van schuld. Laten wij als volk ook onze schuld erkennen. In de kruisiging van Jezus waren de joden zéker niet alleen. Pilatus veroordeelde Hem (Mattheüs 27 vers 11 vv.), Romeinen hebben Hem vastgespijkerd, de krijgsknechten hebben een speer in Zijn lichaam gestoken toen Hij al dood was. En toch……. in Zacharia 12:10 staat geschreven: „en zij zullen Mij aanschouwen dien zij doorstoken hebben”. Dit wordt van ons, joden, gezegd. In hetzelfde verst staat: „doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden”. Het valt als ’t ware samen: Gods genade en zondebesef van Israëls kant. Er is geen andere weg! Er is een kleine groep in ons volk die de schuld van de kruisiging weg wil werken. De krijgsknechten hebben het toch gedaan. Ja, maar wij, de leidslieden, hebben Hem overgeleverd!

Schalom ben-chorin, schrijver van „je broeder Israël”, zegt op blz. 91: „Het conflict tussen Jezus en de farizeeërs en hogepriesters is een intern joods conflict”. En tóch aan de Romeinen overgeleverd? Ik zeg dit niet als een beschuldiging, maar om eerlijk voor God en mensen de zaak te bezien. Een mooi voorbeeld hiervan lezen wij in de geschiedenis van Koning David (zie 2 Samuël 11:15 etc.):

David was in zonde gevallen. Hij had overspel gepleegd met Bathséba, de vrouw van Uria, die in de nabijheid van zijn paleis woonde. Om dit feit te verheimelijken verzon hij een list. Tenslotte gaf hij aan zijn overste bevel om Uria vooraan te plaatsen, op een kwetsbare plaats. Deze opzet had succes. Uria werd gedood. Maar God, voor Wie niets verborgen is, had het gezien en zond na enige tijd de profeet Nathan naar koning David om hem zijn schuld aan te zeggen. Nathan zei: „Gij hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard verslagen en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouw genomen; en hem hebt gij met het zwaard der kinderen Ammons doodgeslagen”. David zei toen niet: „Dat heb ik zelf niet gedaan, dat is in de oorlog gebeurd”. Neen, er staat in 2 Samuël 12:13: „Toen zei David tot Nathan: „Ik heb gezondigd tegen de Here”, waarop de profeet Nathan hem de schuldvergeving aanzei. Alhoewel de gevolgen over zijn huis niet uitbleven!

Koning David heeft later o.a. de 51e Psalm geschreven. Welk een schuldbesef bij David en welk een schuldvergeving van God! Er wordt van David gezegd dat hij een man naar Gods hart was. Zo doet Israëls God bij berouw en schuldbesef. Wij als volk kunnen en mogen ook niet onder de schuld uit. Zo kon dan ook de jood Simon bar Jona (Petrus) later tot zijn tijdgenoten zeggen: „Jezus, de Nazarener, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen (de krijgsknechten) aan het kruis gehecht en gedood”. Wij zullen die schuld als volk (óók de leidslieden) moeten erkennen. Dan gaat in vervulling wat de profeet Zacharia in hoofdstuk 12 en 13 zegt: „En zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene” (Zach. 12:10). Leest u nu maar eens dóór. Sla uw Bijbel, uw eigen boek, op: „Te dien dage zal er een fontein geopend zijn voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid” (hoofdstuk 13:1). Dit is de belofte voor Israël. Welk een toekomst, welk een uitzicht!

SLOTWOORD

Wat de zogenaamde christenen, in naam van Israëls Messias, door de eeuwen heen gedaan hebben aan Zijn eigen volk, ligt als een schuld voor hen. En ook zij zullen dit individueel en ook collectief als schuld moeten belijden! Er is geen andere weg voor de gehele mensheid, dan met schuldbelijdenis te komen voor Gods aangezicht. Dan is er ook voor de gehele mensheid vergeving.

Nu heb ik nog een vraag aan mijn joodse broeders en zusters. Dezelfde die ik al eens eerder stelde: waar is het offer gebleven in Israëls diensten? Is dat zo maar weggebleven? Ik weet de verschillende antwoorden daarop wel. Toch moeten wij ons met deze vraag bezighouden. In Israëls diensten stond het offer centraal: Leest u Leviticus, het 3e Bijbelboek van het Oude Testament, maar. Het offer is een beeld, dat de mens vergeving nodig heeft en dat voor verzoening bloedstorting noodzakelijk is. Waarom is het offer verdwenen in de diensten? Jesaja zegt: „Als een lam werd Hij ter slachting geleid en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij zijn mond niet open”. Die Hij is een persoon, niet een idee”, zoals zo vaak gezegd wordt over de Messias. En de berichten, die ik na Jesaja heb gelezen van joodse schrijvers, wijzen toch wel héél erg naar die Jezus van Nazareth. Het is toch minstens de moeite waard om te onderzoeken or deze dingen aangaande Israëls Messias op waarheid berusten en laten wij daarom niet alleen afgaan op wat sommige leidslieden ons zeggen, maar zélf de Schriften gaan lezen; ons eigen Boek! Dan zullen we ontdekken dat alles wat voorzegd is door Israëls profeten ook gebeurd is. Ook dat nieuwe verbond (testament). Het is aan ons beloofd en gegeven en hierdoor aan de gehele wereld. Precies zoals God het heeft gezegd! De schrijvers van het nieuwe verbond waren – op Lukas na – allen joden.

Geve de God van Israël ons geopende harten om Zijn woord te verstaan.

Plaats een opmerking

Send this to friend

Spring naar werkbalk