Eens gered, altijd gered?
september 6, 2016
De verlamde man – C.H. Spurgeon
september 7, 2016
Show all

Schapen, die niet verloren gaan

Toespraak door C. H. Spurgeon

“En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal ze uit Mijn hand rukken”! Joh.10:28.

Sommigen zullen zeggen, dat dit een gemengde vergadering is, en dat een leerstelling als deze niet in de tegenwoordigheid van ongodvruchtige mannen en vrouwen behandeld moet worden. Hieruit blijkt slechts hoe weinig zij, die zulke tegenwerpingen maken, de Bijbel lezen, want onze Heiland heeft deze zelfde tekst niet gesproken tot zijn liefhebbende discipelen, maar tot zijn vijanden. Leest het 31e vers van dit hoofdstuk, en gij zult de gezindheid begrijpen van hen, voor wie Jezus Christus over dit onderwerp heeft gepredikt. – “De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen” Zodat de Heiland dit de vertoornde menigte van dwepers in het aangezicht wierp, dat, schoon zij Hem verwierpen, en hoewel zij door hun moedwillige hardnekkigheid de zegeningen der genade zouden derven, die zegeningen toch rijk en kostelijk waren. Hij wilde hun doen weten, dat hetgeen zij verloren, van onuitsprekelijk grote waarde was, en dat zij zijn boodschap niet konden versmaden zonder grote schade voor hun ziel. Indien het dus een gemengde vergadering is tot wie ik heden het woord richt – en ik vrees dat die veronderstelling maar al te juist is, en dat er velen hier zijn, die de dierbaarheid der dingen Gods niet kunnen begrijpen – zullen wij toch om dezelfde reden, die er de Heiland toe drong deze leer te prediken voor de oren der goddelozen van zijn tijd, heden hetzelfde doen, opdat zij mogen weten wat het is, hetgeen zij verliezen door Christus te verwerpen, hoe heerlijk en troostrijk de dingen zijn, die zij versmaden; wat onwaardeerbare schatten zij moeten missen, die de schatten van deze wereld zoeken en hun God en hun Zaligmaker voorbijgaan.

Wij hebben geen tijd om te talmen; laat ons dan, gelijk de bij honing zuigt uit de bloem, het liefelijke zoeken van de tekst: “Ik geef hun het eeuwige leven”. Het tekstverband zegt ons, dat het voornaamwoord “hun” op de schapen van Christus ziet, op zekere mensen, die Hij heeft verkoren om Zijn schapen te zijn, en die Hij daartoe ook heeft geroepen. Opdat wij nu zouden weten, wie dat zijn, heeft onze Heiland ons in zijn genade de kentekenen gegeven, waaraan zij te ontdekken zijn. De geheime rol der uitverkiezing kunnen wij niet lezen, en evenmin kunnen wij het hart doorgronden; maar wèl kunnen wij op het uitwendige gedrag der mensen letten, en het vers, dat wij thans te samen overdenken geeft ons de tekenen aan, waaraan wij Gods volk herkennen. “Mijn schapen horen mijn stem, en Ik ken ze, en zij volgen Mij”. Die tekenen zijn het horen naar Christus, en daarna het volgen van Christus; ten eerste door het geloof in Hem, en daarna door een werkdadige gehoorzaamheid aan zijn geboden. “Geloof door de liefde werkende dat is het merk van Christus’ schapen; en het is van ware gelovigen, dat Hij spreekt, als Hij zegt: “Ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijn hand rukken”. Gave God, dat wij allen de livrei der uitverkorenen droegen, welke bestaat in werkzaam, heiligmakend geloof! O mochten wij allen luisteren naar de stem van de Grote Herder; dat wij de waarheid mochten aannemen, die Hij verkondigt! En mochten wij dan genade hebben om te besluiten Hem te volgen waar Hij ook heen gaat, gelijk de schapen hun herder volgen.

Aldus aangeduid hebbend aan wie de tekst rechtmatig toekomt, zullen wij hem thans op drieërlei wijze behandelen. De tekst behelst ten eerste iets betreffende het verleden van deze mensen; de tekst zegt in de tweede plaats zeer veel over het heden van deze mensen, en de tekst geeft in de derde plaats duidelijk wenken betreffende hun toekomst.

De lezer zal dan in de eerste plaats bemerken, dat de tekst IETS bevat OMTRENT HET VERLEDEN VAN HET VOLK VAN GOD.

Er wordt gezegd: “Ik geef hun het eeuwige leven”. Hierin ligt dus opgesloten, dat zij het eeuwige leven hadden verloren.

Allen, die tot Gods volk behoren, zijn gevallen in Adam; en allen zijn ook gevallen door hun eigen, dadelijke zonde. Dientengevolge kwamen wij onder de veroordeling, en Christus Jezus heeft voor ons gedaan, wat Hare Majesteit de Koningin soms voor een veroordeeld misdadiger gedaan heeft. – Hij heeft ons gratie, vergeving geschonken. Hij heeft ons het leven geschonken. Toen hetgeen wij verdiend hadden een eeuwige verwoesting was voor het aangezicht des Heeren, kwam Jezus Christus tussen beiden, en zei: “Gij zijt begenadigd; het vonnis zal aan u niet voltrokken worden; uw overtreding is uitgedelgd; gij zijt rein”. Ja, ik geloof dat de tekst nog iets meer behelst; er was ook voltrekking van straf. Wij waren niet slechts veroordeeld om te sterven; geestelijk waren wij reeds dood. Jezus heeft niet slechts het leven gespaard dat verbeurd was, en het ons in die zin geschonken; maar Hij heeft ons ook een leven gegeven, dat wij te voren niet hebben gekend! De tekst geeft te kennen, dat wij geestelijk dood waren; ja wij zijn hieromtrent geenszins aan onze eigen gissingen overgelaten, en zelfs niet aan onze eigen ervaring, want de apostel Paulus heeft gezegd: “U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden”. Hoe! Paulus dood? Vergist gij u niet? Zij waren misschien slechts een weinig ziek? Ja, wij willen zelfs wel erkennen, o apostel, dat zij ziek waren, ziek tot stervens toe; maar er was toch voorzeker nog een weinig levenskracht in hen, een beetje vermogen om zichzelf te helpen! “Neen,” zegt de apostel,

“gij waart dood door de misdaden en de zonden”. Het werk der verlossing geldt niet slechts het helen van de kwalen, maar ook de werkelijke opstanding van een dode uit zijn graf. Al de heiligen, die thans voor God leven, waren eens even dood als de anderen, en vanwege hun zonden evenzeer een stank in de neusgaten der Goddelijke Gerechtigheid, als ook de meest verdorvenen van hun medegenoten. Allen zijn wij afgeweken, te samen zijn wij gruwelijk geworden, want “er is niemand, die goed doet, ook niet één”. Toen wij allen besloten waren onder de zonde, is Jezus Christus in het gebied van de dood gekomen en heeft ons leven en onsterfelijkheid aangebracht. Alle heiligen hadden het leven verbeurd; geestelijk leven bezat niemand van hen: Jezus De Levendmaker, heeft hen voor God levend gemaakt.

Ligt hier ook niet zeer duidelijk in opgesloten, dat deze mensen, ver van eeuwig leven te bezitten, het leven niet anders konden verkrijgen dan door schenking. Het is allen, die de Schriften onderzoeken, wel bekend, dat in het Woord van God geen onnodig wonder is te vinden, dat geen wonder geschiedde, waar de gewone loop der natuur volstaan zou hebben. Welnu, broeders, het grootste van alle wonderen is de verlossing van een ziel. Indien die ziel zichzelf kon verlossen, dan zou God haar niet verlossen, Hij zou haar zelf laten doen wat zij kon. En indien de geestelijke doden zich zelf levend konden maken, zo kunt gij uit de overeenkomst met andere goddelijke handelingen er van verzekerd zijn, dat Jezus Christus niet gekomen zou zijn om hun leven te geven. Ik geloof, dat het voor iemand van ons volkomen onmogelijk zou zijn de hemel binnen te gaan, hoe wij er ons ook voor zouden inspannen, indien Jezus Christus niet van de hemel gekomen was om ons de weg te wijzen, de grendels en sloten voor ons weg te nemen, en ons in staat te stellen het pad te betreden, dat naar de heerlijkheid en onsterfelijkheid heenvoert. Verloren! verloren! verloren! Het geslacht was geheel en volkomen verloren; niet gedeeltelijk verloren; niet in een toestand gebracht, waarin het verloren zou gaan, tenzij het alle krachten inspande om zich zelf zalig te maken; maar zo verloren, dat, zonder de verschijning van God in het vlees, zonder de ontzettende gebeurtenis op Golgotha en zonder het werk van de Heilige Geest in het hart, geen enkele dode ziel ooit tot leven zou kunnen komen. Het eeuwige leven zou niet het bijzondere werk van de Heere Jezus kunnen zijn, indien de mens er ook iets mee te doen had; maar nu is de macht van de mens buitengesloten, en de genade heerst.

Bij een weinig nadenken zal men in de tekst duidelijk kunnen zien, dat het eeuwige leven geen verdienste was van iemand uit Gods volk, want er wordt gezegd, dat het ons is gegeven. Nu is een gave het tegenovergestelde van een betaling. Wat iemand ontvangt als een gave, heeft hij beslist niet verdiend. Indien het ons gegeven wordt, dan is het geen schuld geweest; maar als het een schuld is, dan kan het geen gave zijn. Niemand van ons verdient het eeuwige leven, of kan het ooit verdienen. Het bloot onsterfelijk leven is een gave van de goddelijke genade; wij verdienen het niet. En wat betreft het eeuwige leven, waarvan in de tekst gesproken wordt, het is een geschenk, te hoog dan dat de vingers van de menselijke verdienste kunnen hopen haar te bereiken. Al zou iemand ook uit alle macht er naar streven, op grond van de wet zou het hem toch onmogelijk zijn het te verkrijgen. De mens verdient niets dan de dood, en het leven moet de vrije gave van God zijn. “De bezoldiging der zonde is de dood”; dat is: de dood wordt verdiend en teweeggebracht als iets, dat verschuldigd is; “maar de genadegift Gods”, de gave van de vrije genade Gods “is het eeuwige leven”. Nu weet ik wel, dat dit een zeer verootmoedigende leer is, maar zij is waar, en ik wens, dat gij er allen van doordrongen zult zijn. Kinderen Gods, ik weet, dat gij dit gevoelt. Gij kent de holte van de bronput, waaruit gij gegraven zijt. Ziet gij haar? Of zijt gij in de laatste tijd hoogmoedig geworden? Zijt gij u op uw fraaie gevoelens en schone gebeden gaan verhoogmoedigen? Ik bid u, bedenk wat gij geweest zijt! Gij hoogmoedig! Vergeet de mesthoop niet, waarop gij geteeld zijt. Herinnert u het modderig slijk, waaruit God u opgericht heeft, en in plaats van de scharlaken klederen van de hoogmoed te dragen, mag het rood van de schaamte uw wangen bedekken! O moge God het eens en voor altijd verhoeden dat wij in iets zouden roemen; immers, wat hebben wij om in te roemen? Wat hebben wij, dat wij niet ontvangen hebben?

Het is ook duidelijk uit de tekst, dat zij, die thans rechtvaardig zijn, zonder Christus verloren gegaan zouden zijn. Christus zegt: “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Beloften worden nooit geschonken als overtolligheden; er is voor deze belofte dus ook een noodzakelijkheid. Er was gevaar, een ernstig gevaar, dat ieder van hen, die thans verlost en behouden zijn, voor eeuwig verloren zouden zijn gegaan. De zonde heeft hen tot erfgenamen van de toorn gemaakt, gelijk ook de anderen. Dat leert ons de Schrift. En de gerechtigheid zou hen hebben moeten verpletteren, indien de onderscheidende genade Gods het niet voorkomen had. Gij leeft, maar gij zoudt in geestelijke zin geen uur geleefd hebben, indien de Heilige Geest niet voortgegaan was met levenskracht uit te storten in uw ziel. Gij zult bewaard worden, doch merk het wel op, het wordt gezegd als een belofte, en daarom is het volstrekt niet iets, dat noodzakelijkerwijs en als vanzelf had moeten geschieden. Zonder de genade zijt gij in ontzettend gevaar van afvallig te worden, en waarschijnlijk komt vrees hiervoor thans op in uw hart: evenals de apostel, die beducht was, dat hij anderen gepredikt hebbende, zelf verwerpelijk zou worden. Dit is een zeer gepaste vreze, die dikwijls de ziel der oprechten zal vervullen, die een heilige ijver over zichzelf gevoelen. Maar als wij tot Gods belofte komen, behoeven wij niets te vrezen, want zo wij waarlijk in Christus zijn, dan is onze veiligheid gewaarborgd, daar Christus zelf gezegd heeft: “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. De belofte was stellig gegeven omdat er behoefte aan was. Er is gevaar van verloren te gaan; de Almacht alleen kan de vurige pijlen van satan uitblussen. Het vergif zou ons doden, indien de gezegende Geneesmeester ons niet het tegengif gaf. Hij, die gezworen heeft ons veilig thuis te zullen brengen, beschermt ons tegen duizend vijanden, die ons anders kwaad zouden berokkenen. “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”.

Hierin ligt mee opgesloten, dat de kinderen Gods van nature tienduizend vijanden hebben, die hen uit Christus’ hand zouden willen rukken. Eens waren zij in de hand van de vijand, de gewillige slaven van satan. Dit alles weten zij, en allen zijn gewillig het te erkennen. Gave God, dat sommigen, hier tegenwoordig, de waarheid gevoelden van hetgeen ik heb gezegd. Gij, eigengerechtigen, zult zeggen: “Met mij is alles wel, ik doe mijn best, ik ga naar de kerk”. Welaan, ziel, dat is op zichzelf zeer goed, maar zo gij hierop roemt, dan is dit een blijk, dat gij noch God, noch uzelf kent. Als ik sommigen heb horen zeggen, dat zij geen aangeboren zonde in zich gewaar worden, dan heb ik wel eens gewenst, dat zij de geschiedenis lazen van de Farizeeër en de Tollenaar. Op een bidstond is het gebeurd, dat een broeder om het gebed van de gelovigen verzocht, omdat hij het bederf van zijn eigen hart zozeer gevoelde, en zich zo blootgesteld wist aan de verzoekingen van satan, en inzonderheid aan de snoodheid van zijn eigen natuur. Toen stond een andere broeder op, die zei God te danken, dat dit zijn ervaring niet was; want hij gevoelde generlei bederf in zich; zijn hart was niet verdorven. De eerste antwoordde hier niet op; maar een vriend, die daar ook tegenwoordig was, las deze woorden: “Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden, de een was een Farizeeër, en de andere een tollenaar. De Farizeeër staande, bad dit bij zichzelf: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles, wat ik bezit. En de tollenaar van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! Ik zeg ulieden: deze ging al gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die: want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden”[9]. De bewustheid van zonde is een gezegend teken, hetzij van reeds ontvangen vergeving, of van vergeving, die nog geschonken zal worden. Wie zegt, dat hij niet gezondigd heeft, maakt God tot een leugenaar, en de waarheid is in hem niet. Wie zijn zonde niet wil belijden, zal geen vergeving ontvangen; maar wie met een verbroken, sidderend hart naar de voet van het kruis gaat, zal er vergeving vinden. Dit voor zoveel het de vroegere toestand van de erfgenamen van de hemel aangaat.

Naderen wij thans tot het onderwerp. DE TEKST STORT EEN STROOM VAN LICHT OP DE TEGENWOORDIGE TOESTAND VAN IEDER GELOVIGE.

In plaats van een uitvoerige verklaring zullen wij u slechts wenken kunnen geven. Beschouwt dan de eerste volzin, die spreekt van EEN GAVE TE ONTVANGEN. “Ik geef hun het eeuwige leven”. Deze gave is in de eerste plaats leven. Gij zult het Woord Gods op vreemde wijze misverstaan, zo gij leven verwart met bestaan, want dat zijn zeer verschillende zaken. Alle mensen zullen eeuwig bestaan; maar velen zullen verwijlen in de eeuwige dood; zij zullen van het leven hoegenaamd niets kennen. Leven is iets, dat geheel en al onderscheiden is van bestaan; in het Woord Gods wordt er bedrijvigheid, werkzaamheid en geluk mee te kennen gegeven. In de tekst, die wij thans behandelen, zijn er velerlei zaken in opgesloten. Let op het verschil tussen een steen en een plant. De plant heeft een plantaardig leven. Gij kent het onderscheid tussen dier en plant. Hoewel de plant een plantaardig leven heeft, is zij toch volstrekt dood in de zin, waarin wij van levende schepselen spreken. Zij kent de gewaarwordingen niet, welke tot het dierlijke leven behoren. En wederom: wenden wij ons tot een hogere graad van leven, namelijk het verstandelijk leven, dan is het dier, voor zoveel het dit betreft, dood. Het kan in de geheimenisvolle berekeningen van de wiskundige niet inkomen; het kan zich in de verhevene heerlijkheid der poëzie niet verlustigen. Het dier heeft niets van doen met het verstandelijk leven van de geest; ten opzichte daarvan is het dood. Nu is er een graad van leven, dat nog hoger is dan het verstandelijk leven – een hoger leven, dat de wijsgeer volstrekt onbekend is, waarvan in Plato niets wordt gevonden, en waarvan door Aristoteles geen gewag wordt gemaakt; maar dat door de geringsten van Gods kinderen wordt begrepen. Die gestalte van leven wordt genoemd “geestelijk leven”. Het is een geheel nieuwe vorm van leven dat de mens van nature niet eigen is, maar dat hem door Jezus Christus wordt geschonken. De eerste mens, Adam, is geworden tot een levende ziel, en al zijn nakomelingen zijn hem gelijk gemaakt. De tweede Adam is geworden tot een levendmakende geest, en vóórdat wij de tweede Adam gelijkvormig gemaakt zijn, weten wij niets van geestelijk leven! Ons lichaam is van nature geschikt gemaakt voor een ziellijk leven. De apostel zegt ons in dit wondervolle 15e hoofdstuk van zijn eerste brief aan de Korinthiërs, dat het lichaam is – wat? “Een natuurlijk lichaam”. In het Grieks staat hier: “Een ziellijk lichaam” – maar “het wordt opgewekt” – wat? “Een geestelijk lichaam”. Er is een ziellijk lichaam en er is een geestelijk lichaam. Er is een lichaam, dat geschikt is voor het lagere leven dat aan alle mensen gemeen is, een bloot verstandelijk bestaan; en er zal een lichaam zijn, dat aan allen gemeen zal zijn, die geestelijk leven ontvangen hebben, en die in dat lichaam zullen wonen in de hemel als in het huis van hun volmaakte geest. Het leven, dat Jezus Christus geeft aan zijn volk, is geestelijk leven, en daarom is het een verborgen leven. “Gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt, en waar hij heengaat: alzo is een ieder, die uit de Geest geboren is”. Gij, die verstandelijk leven hebt, kunt aan het paard of aan de hond niet duidelijk maken wat het is; en evenmin kunnen wij, die geestelijk leven hebben, verklaren wat het is aan hen, die het niet hebben. Gij kunt hun zeggen wat het doet, en wat het uitwerkt, maar wat die “vonk van de hemelse vlam” is, weet gij zelf niet, al zijt gij er u ook van bewust, dat het in u aanwezig is.

Het is geestelijk leven, dat Jezus Christus geeft aan zijn volk; maar het is meer nog dan dit, het is goddelijk leven. Dit leven is als het leven Gods, en daarom is het verheffend. “Opdat gij”, zegt de apostel, “aan de goddelijke natuur deelachtig zoudt worden”. “Die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad”. Wij worden niet goddelijk, maar wij ontvangen een natuur, die ons in staat stelt met God te sympathiseren, behagen te scheppen in de dingen, die de Eeuwige Geest bezig houden, en te leven naar dezelfde beginselen als waarnaar de heilige God leeft. Wij hebben lief, want God is liefde. Wij beginnen heilig te zijn, want God is driemaal heilig. Wij smachten naar volmaaktheid, want Hij is volmaakt. Wij verlustigen ons in goed doen, want God is goed. Wij komen in een nieuwe atmosfeer. Wij verlaten de oude kring van bloot verstandelijke vermogens; onze geestelijke vermogens maken ons verwant aan God. “Laat ons mensen maken”, zei Hij, “naar ons beeld, naar onze gelijkenis”. Dat beeld heeft Adam verloren; dat beeld heeft Christus hersteld, en Hij geeft ons het leven, dat Adam verloren heeft ten dage dat hij heeft gezondigd, toen God tot hem zei: “Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven”. In die zin is hij gestorven; het vonnis werd niet verdaagd; geestelijk is hij gestorven op het zelfde ogenblik, dat hij de vrucht aanraakte. Dit lang verloren leven nu geeft Jezus Christus terug aan elke ziel, die in Hem gelooft.

Uit hetgeen ik gezegd heb zult gij bemerken, dat dit leven hemels is. Het is hetzelfde leven, dat zich uitbreidt en ontwikkelt in de hemel. De Christen sterft niet. Wat zegt de Heiland? “Die in Mij gelooft zal niet sterven in eeuwigheid”. Sterft het verstandelijk leven niet? Gewis! Sterft het bloot lichamelijk leven niet? Voorzeker! Maar het geestelijk leven sterft niet. Het is hetzelfde leven hier, dat het hiernamaals zal zijn, slechts is het hier nog niet ontwikkeld, en het bederf staat haar werking in de weg. Broeders, niets van ons zal als vlees en bloed naar de hemel gaan, maar alleen als het door de invloed van het geestesleven onderworpen, opgeheven, veranderd en volmaakt is. Weet gij niet, dat “vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet”. Wat is dan het “ik”, dat de hemel binnen zal gaan? Wel, indien gij in Christus een nieuw schepsel zijt, dat nieuwe schepsel en niets anders dan dat nieuwe schepsel; het leven, dat gij hier in deze tabernakel hebt geleefd; het leven, dat ontsproten is en gebloeid heeft in de hof der gemeenschapsoefening met God; dat leven, hetwelk u geleid heeft om de zieken te bezoeken, de naakten te kleden, de hongerigen te spijzigen; dat leven, hetwelk tranen van berouw uit uw ogen deed stromen; dat leven, hetwelk u in Jezus heeft doen geloven, – dat is het leven, dat naar de hemel zal gaan; en zo gij dit niet hebt, dan bezit gij ook het leven van de hemel niet; en dode zielen kunnen daar niet binnenkomen. Alleen levende mensen kunnen het land der levenden binnentreden. “En gelijk wij het beeld van de aardse gedragen hebben, [alzo] zullen wij ook het beeld van de hemelse dragen”. Reeds nu werkt dit hemelse leven in ons binnenste.

Ik denk, dat uit dit alles ook afgeleid mag worden, dat het leven, hetwelk Christus zijn volk geeft een krachtig leven is. Indien iemand geestelijk leven is ingestort, dan heft het hem op boven zijn vroeger bestaan en boven de kring van bloot vleselijke begrippen. Hij zelf wordt door geen mens onderscheiden. “Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God”. Gij kunt niet verwachten, dat de wereld dit nieuwe leven zal begrijpen. Het is een verborgen zaak. Het zal een geheimenis zijn voor u zelf, een groot wonder voor uw eigen hart. Maar o! hoe werkzaam zal het zijn! Het zal strijden tegen uw zonden, en zal niet rusten, voor het ze gedood heeft. Indien gij mij zegt, dat gij nooit strijd hebt van binnen, dan zeg ik u, dat ik niet begrijp, hoe gij het goddelijk leven kunt hebben, want dat moet terstond in botsing komen met de oude natuur, en zo zal er een onophoudelijke strijd zijn. De man wordt een nieuw mens in zijn woning. Zijn vrouw, zijn gezin bemerken dit; hij is een nieuw mens in zijn beroep; hij is geheel en al veranderd, hetzij gij hem beschouwt in verband met zijne medemensen of in betrekking tot God. Hij is een nieuw schepsel. Hij gevoelt, dat het nieuwe en wondervolle leven, dat hem is ingeplant, hem dus doet behoren tot een geheel verschillend ras, en zo wandelt hij onder de kinderen der mensen met de bewustheid dat hij een vreemdeling en bijwoner onder hen is. “Geliefden! nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is”.

Ik wenste meer tijd te hebben om dit innerlijk leven te beschrijven, maar dit moet volstaan om de zegen aan te duiden, die Jezus de gelovige schenkt door het werk van de Heilige Geest.

Er is in de tekst een woord, dat er de hoedanigheid van aanduidt: “Ik geef hun het eeuwige leven”. “Eeuwig” betekent “eindeloos”. Indien Christus het leven Gods in een mens legt, dan kan het hem niet ontnomen worden. Het kan niet sterven, dat is onmogelijk. Toen ik iemand hoorde zeggen, dat gij heden een kind Gods, maar in de volgende week een kind van de duivel kunt zijn, heb ik gedacht, dat naar zijn opvatting het woord “eeuwig” slechts vijf of zes dagen kan betekenen.

Maar volgens het woordenboek, dat ik gebruik, overeenkomstig de mening van de Geest, betekent “eeuwig” “zonder einde”. Als iemand nu zegt: “Ik heb eens het eeuwige leven bezeten; maar thans bezit ik het niet”, dan is het duidelijk, dat hij zich of thans vergist, of dat hij het eeuwige leven nooit gehad heeft. Indien Jezus gezegd had: “Ik geef hun leven, dat zeven jaar duren zal, maar dat misschien onder een verzoeking uitgeblust zal worden” dan zou ik het kunnen begrijpen, dat iemand zegt, dat hij van de genade vervallen is; maar als het “eeuwig” leven is, dan moet het ook “eeuwig” zijn, dan is er geen einde aan, dan moet het altijd duren. Wij geloven, dat het blote bestaan der ziel nooit zal ophouden, maar dat zal voor de goddelozen geen weldaad zijn. Het is voor Christus niet betamelijk, dat Hij ons bloot onsterfelijkheid van bestaan geeft, want dat zal voor sommigen een ontzettende vloek zijn. De veroordeelde zielen zouden blij genoeg zijn om zich van hun onsterfelijk bestaan te kunnen ontdoen; maar Christus geeft ons een eeuwig, heilig en gelukkig leven, dat oneindig meer is dan bestaan. Het bestaan kan een vloek zijn, maar het leven is een zegen. Dit leven begint hier: “Ik geef hun”. Niet “Ik zal geven”, maar “Ik geef’. Niet “Ik zal het hun geven als zij sterven”, maar “Ik geef het hun hier, Ik geef hun het eeuwige leven”. Welaan, mijn hoorder, gij hebt heden of dit eeuwige leven ontvangen, of gij zijt nog in de dood. Indien gij het niet ontvangen hebt, dan zijt gij “dood door de misdaden en de zonden”20, en uw deel zal schrikkelijk zijn; maar indien God u het eeuwige leven geeft, zo vrees de u omringende legerscharen van de hel niet, noch de verzoekingen van de wereld, want de eeuwige God is u een woning en onder u zijn Zijn eeuwige armen.

Dit leven is geschonken als een vrije gave aan een ieder van Gods kinderen; het wordt geschonken door de Heere, en door niemand anders.

Keren wij ons nu tot het tweede gedeelte van de zegen. Hier is ons bewaring verzekerd. “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Sommigen, die de leer van de volharding tot het einde toe niet kunnen verdragen, pogen zich van de volgende zinsnede: “en niemand zal ze uit mijn hand rukken” af te maken door te zeggen: “Maar zij kunnen er zich op eigen beweging uit los maken”. Neen! neen! neen! want de tekst zegt: “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. De volzin, die wij thans overdenken doet alle veronderstellingen van het verderf van één van Gods schapen te niet. “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Beschouw de zin woord voor woord. “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Sommigen van hun gevoelens en denkbeelden kunnen wel verloren gaan; sommigen van hun genoegens, van hun vertroostingen, van hun ervaringen kunnen verloren gaan; maar Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid. Datgene wat het wezen uitmaakt van de mens, zijn ware ziel, zijn innerlijke, vernieuwde natuur zal nooit verloren gaan. Zie dan, Christen, hoe gij van duizend dingen beroofd kunt worden, zonder dat deze belofte ook maar in het minst wordt geschonden. De belofte luidt niet, dat het schip niet zal zinken, maar wel dat de passagiers aan land zullen komen. De belofte luidt niet, dat het huis niet zal verbranden; de belofte is, dat gij, die in het huis zijt, zult ontkomen. “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Neemt een ander woord: “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Zij zullen wellicht zeer nabij de toestand komen van verloren te gaan. Zij zullen hun blijdschap en hun vertroosting verliezen, maar “zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Het leven in hen zal nooit door honger of geweld uit hen gedreven kunnen worden. Als gij eens zuurdeeg in een stuk brood hebt, krijgt gij het er nooit weer uit.

Gij kunt het koken, of braden, of bakken, of roosteren, gij kunt er mee doen wat gij wilt, maar het zuurdeeg is er in, en gij kunt het er niet uit krijgen. Laat eens de ziel geheel en al doordrongen zijn van Gods genade, en gij kunt die genade niet bij hem uitroeien. De mens zelf zal nooit verloren gaan. Hij kan denken, dat hij verloren gaat; de duivel kan hem zeggen, dat hij verloren zal gaan; zijn vertroostingen kunnen hem ontnomen worden; hij kan vol angst en benauwdheid op zijn sterfbed liggen, maar hij zal niet verloren gaan in eeuwigheid. Eén van beide nu … dit is waar, of het is niet waar. Gij, die denkt, dat het niet waar is, zeg dit aan de Heere; maar ik geloof, dat het een volkomen zeker, ontwijfelbaar feit is, want Jahweh zegt het. Ik weet niet, hoe het is, dat zij niet verloren gaan in eeuwigheid. Het is een wonderlijke zaak; maar het is ook van het begin tot het einde een wonder. Neemt nu de woorden “in eeuwigheid’. Wij hebben u aangetoond, hoe lang die bewaring duurt: “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid’. “Maar, als zij nu eens zeer oud werden, en dan nog in zonde vielen?” “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. “O! maar zij kunnen wel eens aangevallen worden van een zijde, vanwaar zij dit niet verwacht zouden hebben; of zij kunnen aangevochten en als belegerd worden door een verzoeking”. Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid. “Maar iemand zou wel een kind van God kunnen zijn en toch naar de hel gaan”. Hoe zou dat kunnen, indien hij niet verloren gaat in eeuwigheid? Wel, in die woorden liggen de tijd en de eeuwigheid opgesloten; zij omvatten leven en sterven, de berg en het dal, de storm en de stilte. “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Onder de vleugels van de almachtige God kan de nacht met haar pestilentie, die in de donkerheid wandelt, hen niet aanraken; kan de dag met zijn zorgen hen niet verderven. De jeugd met haar hartstochten, de middelbare leeftijd met zijn drukke werkzaamheden zullen zij veilig doorgaan; de ouderdom met zijn gebreken en zwakheden zal hun het land Beulah (“Het getrouwde”. Zie Jes 62:4) worden; de donkere doodsvallei zal verlicht worden door de glans van de toekomstige heerlijkheid: het ogenblik van scheiden zal een droogvoets heengaan zijn door de rivier. “Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken, spreekt de Heere”. “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”.

Ik denk, dat men wel alles kan wegredeneren; maar in waarheid weet ik toch niet, hoe de tegenstanders van de leer der volharding van Gods heiligen, deze tekst kunnen verklaren. Zij kunnen er mee doen wat zij willen; maar ik zal blijven geloven wat ik hier vind, namelijk dat ik niet zal verloren gaan in eeuwigheid, indien ik tot Christus’ volk behoor. Indien ik verloren ga, dan heeft Christus zijn belofte niet gehouden; maar ik weet, dat Hij aan zijn woord getrouw moet blijven. God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou. Elke ziel, die rust en betrouwt op het zoenoffer, is veilig en zalig tot in eeuwigheid; “zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid’.

Nu komt de derde volzin, waarin wij een veilige positie vinden – “in Christus’ hand’. De tijd ontbreekt ons om dit te verklaren; het is in de ereplaats te zijn; wij zijn de ring die Hij aan zijn vinger draagt. Het is een plaats van de liefde: “Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij”. Het is een plaats van macht; zijn rechterhand omvat al zijn volk. Het is een plaats van bezitting: Christus houdt zijn volk. Het is een plaats van vrijmacht: wij zijn aan Christus overgegeven en Hij regeert ons naar zijn welbehagen. Het is een plaats van leiding en bestuur, een plaats van bescherming. Gelijk schapen gezegd wordt in de hand van de herder te zijn, zo zijn wij in de hand van Christus. Gelijk pijlen in de hand zijn van de sterke om door hem gebruikt te worden; gelijk juwelen in de hand zijn van de bruid, om haar tot sieraad te strekken, zo zijn wij in de hand van Christus. En wat zegt de tekst nu verder? Hij doet ons gedenken, dat er sommigen zijn, die ons van daar weg zouden willen rukken. Er zijn lieden, die, indien het mogelijk was, met hun valse leer en uitlatingen zelfs de uitverkorenen zouden willen bedriegen. Er zijn woedende vervolgers, die

Gods heiligen zouden willen verschrikken, en hen terug zouden willen doen keren ten dage van de strijd. Er zijn listige verleiders – de agenten van de hel, die ons graag tot het verderf zouden willen voeren. En dan is er ook nog ons eigen hart, dat ons vandaar weg zou willen rukken. “Niemand zal ze uit mijn hand rukken”. Niemand – geen mens en geen duivel. Niets, dat tegenwoordig is, zal dit doen; niets in de toekomst zal dit doen; geen overheid, geen macht, hoegenaamd niets. “Niemand zal ze uit Mijn hand rukken”. Hiermee worden niet slechts mensen bedoeld, die soms onze ergste vijanden zijn, want de ergste vijanden, die wij hebben, zijn soms onze eigen huisgenoten; maar hierin zijn mee begrepen de gevallen geesten. Doch niemand zal ons uit zijn hand rukken. Met geen enkele mogelijkheid zal iemand van hen door hun listig beraamde plannen ons kunnen verwijderen, zodat wij zijn gunstgenoten, zijn verkregen eigendom, zijn geliefde kinderen, zijn beschermde en bewaarde kinderen niet zouden zijn. Welk een zalige belofte!

Terwijl ik over deze dingen tot u sprak, heb ik een weinig gedacht aan mijn eigen geschiedenis, voordat ik de Heere kende. Eén van de dingen, die mij deden verlangen een Christen te worden, was dit. Ik had enige jongelingen gezien, met wie ik ook naar school gegaan ben. Het waren voortreffelijke jonge lieden, en sommige van hen werden mij en anderen als voorbeelden ter navolging aangewezen. Ik zag hen, die slechts weinige jaren ouder waren dan ik, zo ijdel en ongodvruchtig mogelijk worden; en toch wist ik, dat zij als knapen zeer goede neigingen hadden; ja een voorbeeld waren voor anderen; en toen kwam deze gedachte bij mij op: “Is er geen middel om te voorkomen, dat mijn leven op deze wijze schipbreuk zal lijden?” Toen ik er toe kwam om de Bijbel te lezen, scheen hij mij vol van deze leer: “Indien gij op Christus betrouwt, dan zal Hij u verlossen van alle kwaad. Hij zal u bewaren bij een leven van oprechtheid en heiligheid, terwijl gij hier op aarde zijt, en Hij zal u daarna veilig in de hemel brengen”. Ik voelde, dat ik op geen mens kon betrouwen, want ik had sommigen van de allerbesten van de waarheid zien afwijken. Indien ik op Christus betrouw, dan is er niet maar een kans, dat ik in de hemel kom; maar dan is dit volkomen zeker; en ik begreep, dat, zo ik met mijn ganse zwaarte op Hem steunde, Hij mij zou bewaren, want ik bevond, dat er geschreven is: “De rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen”. Ik bevond, dat de apostel zegt: “Vertrouwende dit, dat Hij, die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus”, en dergelijke uitdrukkingen meer. “Wel” zei ik bij mijzelf, “ik heb een kantoor van levensverzekering gevonden, en een heel goed ook; ik zal daar mijn leven gaan verzekeren. Ik zal tot Jezus gaan, zoals ik ben, want Hij zegt mij tot Hem te komen, en ik zal mij aan Hem toevertrouwen”. Indien ik het oor had geleend aan de leerstelling van de Arminianen, dan zou ik nooit bekeerd zijn, maar zij had nooit enige bekoorlijkheid voor mij. Een Zaligmaker, die zijn volk verstoot; een God, die zijn kinderen verloren laat gaan, zouden mijn aanbidding niet waardig zijn; en een verlossing, die niet werkelijk verlost, is niet waard, dat er over gepredikt of er naar geluisterd wordt. Als ik hier sta, en tot deze vergaderde menigte zeg: “Vertrouw op mijn Meester”; gelooft Hem dan en er is geen twijfel aan of gij zult behouden worden, want Hij heeft gezegd: “Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden”. Als ik dit zeg, dan voel ik, dat ik iets te zeggen heb dat waard is om naar te luisteren. Waarde hoorder, met een nieuw hart en een vaste geest zult gij een nieuw mens zijn. Zoals gij nu zijt, zoudt gij, indien gij heden vergeving zoudt ontvangen, morgen weer veroordeeld worden, want de neiging van uw natuur is om af te dwalen. Maar zo God een nieuwe natuur in u schept, zal uw oude natuur er niet over kunnen heersen. Het nieuwe, onsterfelijke beginsel zal de overhand verkrijgen; gij zult teruggehouden worden van te zondigen, gij zult bewaard worden in heiligheid; en ofschoon gij zult hebben te treuren over uw onvolmaaktheid zult gij toch weten, dat Gods leven in u is. Ofschoon gij volkomen beseft, dat gij niet volmaakt zijt, zult gij het toch wensen te zijn, en deze begeerte zal het teken van genade zijn in uw ziel. Die wensen en begeerten zullen toenemen en sterker worden, totdat gij door de kracht van de Geest de zonde overwonnen hebt, en dan zal de dag komen, wanneer dit lichaam afgelegd wordt, en het nieuwe leven, ontdaan van de vuile lompen, die het hier beneden gedwongen was te dragen, tot volkomenheid zal geraken. Dan zal het wachten op het bazuingeschal, waarop het lichaam zelf, gereinigd en geschikt gemaakt voor een hoger leven, opnieuw bewoond zal worden: en zo zullen beide, lichaam en ziel, verlost van alle zonde, een eeuwig getuigenis zijn van de belofte van Christus. Want, zij, die rusten in Hem, zullen het eeuwige leven hebben en niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal hen uit zijn hand rukken.

En daarmee ben ik eigenlijk reeds begonnen te spreken over het laatste punt: DE BLIK, DIE ONZE TEKST ONS GEEFT IN DE TOEKOMST.

Indien God u het eeuwige leven heeft gegeven, dan omvat dit de gehele toekomst. Uw geestelijk bestaan zal nog bloeien, als koninkrijken en keizerrijken te niet gedaan zullen zijn. Uw leven zal voortleven, als het hart van deze grote wereld koud wordt, als de polsslag van deze grote zee zal ophouden, als het oog van de schitterende zon verdonkerd zal zijn door ouderdom. Gij bezit eeuwig leven. Wanneer het gans heelal, evenals het schuim versmelt in de golf die het droeg, voorbij zal gegaan zijn, en zelfs geen wrak achter gelaten heeft, zal het wèl zijn met u, want gij hebt het eeuwige leven. Gij hebt een bestaan, dat gelijklopend zal zijn met het bestaan van God. Eeuwig leven! O welk een verschiet van heerlijkheid opent zich bij deze woorden Eeuwig leven! Omdat ik leef, zegt Christus, zult gij leven. Zo lang er een Christus is, zal er een zalige ziel zijn, en die zalige ziel zijt gij. Zo lang er een God is, zal er een zalig bestaan zijn, en dat zalig bestaan zal uw deel zijn, want Jezus geeft u het eeuwige leven. Blijft u voortwentelen, aloude wereld, totdat uw as versleten is. Spoed u heen, o tijd, totdat uw uurglas gebroken is, en gij zult ophouden te bestaan! Kom, machtige engel! plant uw voet op de zee en het land, en zweer bij Hem, die leeft, dat de tijd niet meer zijn zal, want ook dan zal ieder Christen leven, omdat Christus hun het eeuwige leven geeft.

En geeft de volgende zinsnede ons niet mee een blik in de toekomst? – “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”. Zij zullen niet ophouden te bestaan in eeuwige gelukzaligheid; nimmer ophouden als God te wezen in hun natuur; nimmer. Denk u duizend jaren in de hemel geweest te zijn – kunt gij het u voorstellen? Duizend jaren van zalige gemeenschap met Jezus! Duizend jaren aan zijn borst! Duizend jaren, waarin het gezicht op Hem uw geest in verrukking brengt! Maar gij zult daar zó lang zijn, alsof gij nooit begonnen waart, want gij zult niet verloren gaan, niet omkomen in eeuwigheid. Als het duizendjarig rijk komt, of als het oordeel begint, en wanneer alle de grote voorzeggingen van de profeten in vervulling gaan, dan behoeft dit u niet te benauwen, want indien gij op Christus betrouwt, zult gij IN EEUWIGHEID niet verloren gaan. Welk een eeuwigheid van heerlijkheid, welk een onuitsprekelijke zaligheid ligt er opgesloten in deze belofte; “Zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid”.

En dan is er gewis nog een blik in de toekomst: – “Niemand zal ze uit mijn hand rukken”. Wij zullen voor eeuwig in zijn hand zijn; wij zullen voor eeuwig in zijn hart zijn; wij zullen eeuwig in Hem Zelf, in zijn wezen zijn – één met Hem, en niemand zal ons daarvan wegrukken. Zalig, zalig is de mens, die zich deze belofte kan toe-eigenen.

O! ik wenste, dat deze belofte aan sommigen van u mocht toekomen! Zij is zeer rijk en vol van vertroosting; ik wenste, dat zij u mocht toebehoren. Zegt gij: “Ik wenste, dat ze mij toekwam?” O mijn vriend, het verheugt mij u dit te horen zeggen! Weet gij, dat er slechts één sleutel is om deze schatkamers te openen? Het is de sleutel van het kruis van de Heere Jezus. Wat zegt gij? Kunt gij op Hem betrouwen? Iemand zei mij onlangs, dat zij niet op Christus kon vertrouwen, en toen zag ik haar aan en zei: “at heeft Hij gedaan, dat gij niet op Hem kunt betrouwen? Kunt gij mij vertrouwen?” “Ja”, zei zij, “mijn medemensen kan ik vertrouwen, maar op God kan ik niet betrouwen”. O! dacht ik, welk een ontzettende Godslastering! Het was in oprechtheid gesproken door iemand, die niet besefte hoe grote zonde daarin lag opgesloten; maar ik weet niet, dat er iets ergers gezegd kan worden dan dit: “Ik kan niet op God vertrouwen”. Wel, mijn vriend, dan hebt gij God tot een leugenaar gemaakt! Dat is er het praktische gevolg van; want indien hij van iemand gelooft, dat hij eerlijk en oprecht is, dan kunt gij hem altijd vertrouwen. Kan ik wel mijn medemens vertrouwen, en niet vertrouwen op God? O hoe afschuwelijk is deze gedachte! Daar is zoveel Godslastering in opgesloten dat ik het niet nogmaals mag uitspreken. Niet op Christus vertrouwen! “Wel”, zegt iemand, “maar kunnen wij niet een bloot natuurlijk vertrouwen koesteren en dus bedrogen zijn?” Ik ken geen vertrouwen op Christus buiten een geestelijk vertrouwen, en ik geloof ook niet, dat er een an der vertrouwen is. Indien gij op Christus vertrouwt, dan hebt gij dat niet uit uzelf gedaan. Er was nooit een ziel, die op Christus vertrouwde, of zij werd door God de Heilige Geest daartoe in staat gesteld; en indien gij eenvoudig en ten volle op Christus vertrouwt, dan behoeft gij geen vragen op te werpen omtrent een natuurlijk of een geestelijk vertrouwen. Indien gij geheel en al op de Heere Jezus vertrouwt, dan staat het recht met u. Vertrouw dan op Hem; rust enig en alleen in Hem, en zo gij dan verloren gaat, dan versta ik het Evangelie niet, dan kan ik niet begrijpen, wat de Bijbel bedoelt. Ik zal u iets zeggen, en daarmee eindig ik. Indien gij op Christus vertrouwt, en dan verloren gaat, dan moet ik zeer gewisselijk verloren gaan, en dan moeten alle de broeders en zusters, hier tegenwoordig, die in Jezus geloofd hebben, verloren gaan. Als gij in het verderf gestort wordt, dan moeten wij allen in het verderf gestort worden. Als er een storm ontstaat op zee, dan kan een passagier, die in het schip is, niet zinken, of allen, die in het schip zijn, moeten met hem zinken. Wij gaan tezamen, wij zijn lotgemeen. Wij zijn in de reddingsboot gegaan en indien deze reddingsboot vergaat, dan moet zij vergaan met al de heiligen, die er in zijn, en ook met alle de apostelen en alle martelaars. Zij zijn vertrouwende op Christus naar de hemel gegaan, en indien gij rust in Christus, zult gij er ook heengaan.

O zondaar! mocht gij er heden toe gebracht worden om op Jezus alleen te vertrouwen, en neem dan de tekst voor uzelf. “Ik geef mijn schapen het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijn hand rukken”.

Uit “De gelijkenissen van de Heiland” van C.H.Spurgeon

Send this to friend

Spring naar werkbalk