De les van de pinguïn
augustus 3, 2015
Over de roeping
december 16, 2015
Show all

De Heere Jezus is het algenoegzame Hoofd van de Kerk, de enige Heere, de enige Meester. Omdat Hij waarachtig God is, heeft Hij geen hulp van mensen nodig om Zijn Kerk te vergaderen en te besturen. Maar de Heere werkt gewoonlijk door middelen, en heeft daarom herders, leraars, ouderlingen, opzieners en voorgangers in Zijn Kerk gesteld. De tekst zegt: ‘Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden.’ Laat iedere leraar zich eens voor de Heere afvragen: ‘Ben ik wel van God gezonden of ben ik zelf gaan lopen? Wist ik wat dit ambt inhield? Was ik ervan overtuigd dat ik enige bekwaamheid had in uiterlijke kennis, kennis van geestelijke ondervinding, wedergeboorte, geloof, hoop en liefde, heiligheid, van de handelingen van God met de ziel, van verschillende staten van de ziel, om uit de schat van mijn harten oude en nieuwe dingen voort te brengen en ieder zijn bescheiden deel te geven en van hart tot hart te spreken? Had ik een bijzondere liefde om Christus te prediken en de Kerk op te bouwen? Voelde ik drang in mijn hart om dat werk te doen? Was ik wel bekommerd of de Heere mij zond, en heb ik wel veel gebeden om dat te weten? Kwelden mij bijoogmerken, die telkens verdwenen door het gevoelen van de tegenwoordigheid van de Heere? Voelde ik een verloochenende gestalte van mijn hart, om goed, eer en leven voor de Heere Jezus en Zijn kerk op te geven? Of heb ik alleen gekeken naar eer en aanzien, en naar de verbetering van mijn uiterlijk bestaan?’
En ten opzichte van de uitwendige roeping: ‘Hoe ben ik aan deze plaats gekomen? Heb ik de ouderlingen van de gemeente gevleid en hun gunst gezocht? Heb ik vrienden willen maken? Zijn er geschenken gegeven? Is er geld beloofd, om naar deze plaats te komen?’
Indien iemand ervan overtuigd is dat hij zich door verkeerde middelen ingedrongen heeft, die vernedere zich op het diepst voor de Heere en zoeke verzoening in het bloed van Christus. En zo niet, ik raad hem ermee uit te scheiden, al moest hij zijn brood bedelen, want zo iemand hangt het schrikkelijkste oordeel boven het hoofd. Maar is iemand overtuigd van zijn zending, die gebruike zijn zending tot ondersteuning in zijn onbekwaamheid, tot vrijmoedigheid in het bedienen van zijn ambt, tot lijdzaam vertrouwen in alle gebeurtenissen die hem in zijn bediening ontmoeten.

De lidmaten moeten een leraar als een gezant van Christus erkennen. Ze kunnen zich niet bewust zijn van de inwendige zending van de predikanten, daarover hebben ze zich niet te bekommeren. Ook hebben ze de uitwendige roeping van de leraar niet te nauw te doorzoeken. Als iemand door de opzieners der gemeente beroepen is, de classis het beroep goedgekeurd heeft en hij in de gemeente bevestigd is, hebben ze hem voor een gezant van Christus te erkennen. Is de leraar een Judas, dan komt dat voor zijn eigen rekening. De tekst zegt: ‘De schriftgeleerden en de farizeeën zijn gezeten op den stoel van Mozes; daarom, al wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt dat en doet het, maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.’
Het gezag van de leraars, namelijk dat ze gezanten zijn van Christus, heeft grote kracht op de harten. Daarom moeten de lidmaten wel toezien dat ze niets doen waardoor de zending van de dienaars uit het oog raakt. Dit gebeurt door de predikdienst na te bootsen; als iemand een deel volk vergadert, daar een tekst afleest en die verklaart en toepast in de vorm van een preek, en daarop (ik schrik ervan) leven en dood aankondigt. Dat is lopen zonder gezonden te zijn. Gewoonlijk is er hoogmoed en eigenbedoeling bij; dikwijls worden de handen van de goddelozen gesterkt en of de harten van de eenvoudige vromen geslingerd en bedroefd door de onvoorzichtige stellingen van zulke sprekers. Och, dat de Heere hen dat spreken deed staken!
Ik ben niet tegen bijzondere samenkomsten van de leden. Ik maak er mijn werk van om ze daartoe op te wekken, en ze tezamen te brengen. Dat vereist de gemeenschap der heiligen, maar ik ben tegen onordelijke vergaderingen. Men moet daar geen meesterschap tonen, maar allen als gelijken behandelen. Het moet gebeuren door onderlinge samensprekingen waarin iemand de leiding heeft. Daarin moet men een hoofdstuk uit Gods Woord lezen, elkaar ondervragen, een Psalm of geestelijke liederen zingen, een preek herhalen, elkaar opwekken en vertroosten, en met elkaar bidden. Over zulke samenkomsten zal de zegen van de Heere zijn, en de Heere Jezus zal volgens Zijn belofte bij hen zijn.

Uit: Dagboek “De redelijke Godsdienst” van Wilhelmus A. Brakel

Pastorale adviezen - 3 delen
Pastorale adviezen - 3 delen
€39,99
4 - 5 dagen
Gratis verzending!
Klik om dit product bij bol.com te kopen

Send this to friend