Ik kan niet doen wat ik wil
december 28, 2015
Alles uit genade
december 28, 2015
Show all

Vijde brief van John Newton aan een edelman. Maart, 1772.

Mijn heer!

Ik meen dat mijn laatste brief ging over de gedachte van Paulus, Gal. 5:17: Gij kunt niet doen, hetgeen gij wildet. In een soortgelijke plaats, Rom. 7:19, wordt er nog een andere stelling bijgevoegd: Het kwaad dat ik niet wil, dat doe ik. Dit, bij het vorige gevoegd, zou de donkere kant van mijn ondervinding voltooien. Vergun mij, uw Lordschap een -klein gedeelte — want sommige dingen moeten niet, of kunnen niet gezegd worden — te verhalen, niet van hetgeen ik gelezen, maar van hetgeen ik gevoeld heb, tot opheldering van deze plaats.

Ik wil niet het spel en de prooi zijn van lichtzinnige, ijdele, dwaze, en nog erger inbeeldingen; maar toch leeft dit kwaad in mij. Mijn hart is als een boosaardige weg, als een stad zonder muren of poorten. Niets is zo vals, zo beuzelachtig, zo ongerijmd, zo onmogelijk, ja zo afschuwelijk, of het vindt toegang, en gebeurd op alle tijden, en aan alle plaatsen; noch de studie, noch de predikstoel, zelfs niet de tafel des Heeren bevrijdt mij van zulke lastige indringers. Ik vergelijk soms mijn woorden met de tonen van een muziekinstrument, die mijn gedachten begeleiden met een soort van bas, of liever gezegd, een tegenbas, die al de regels van de muziekale harmonie overtreedt, en alle mogelijke wanklanken en verwarring voort brengt, geheel strijdig en onbestaanbaar met de maat en tonen van het stuk dat gespeeld wordt. Ach‘! wat voor muziek zou mijn bidden en prediken soms maken in de oren van de Heere der Heirscharen, als hij ze alleen aanhoorde, zoals ze de mijnen zijn! Door de mensen wordt het buitenste gedeelte — om zo maar te spreken — slechts gehoord; en er is wienig reden, om mij geluk te wensen, schoon mijn werk door hen geprezen wordt, indien ondertussen mijn geweten mij zegt, dat zij verbaasd zouden staan en er van ijzen zouden, wanneer zij het in zijn geheel konden horen.

Maar als dit vreselijk uitwerksel van de verdorvenheid van het hart, in de tegenwoordige staat van de menselijke natuur niet geheel kan vermeden worden, dan wil ik er echter niet aan toegeven, noch het goed praten. En toch, ik vind dat ik dit doe. In tegenzin van mijn volkomen overtuiging en hartelijke wensen, vind ik iets in mij, dat deze boosheden, waarvoor ik zou moeten schrikken en vluchten, zoals ik zou doen voor een pad of een slang, die in mijn eten of in mijn bed gekomen was, begunstigt en voorstaat. Ach! hoe ondeugend moet het hart, althans mijn hart, zijn, dat heulen kan met zulke gruwelen, terwijl ik hun aard en strekking zo wel ken! Zeker, hij die zich daartoe bekwaam vindt, mag zonder dat hij zich daarom zeer ootmoedig behoeft te achten, — hoe schoon ook zijn gedrag naar het uitwendige mag zijn — zich vrij de minste van al de heiligen, en de grootste der zondaren noemen.

Ik wil mij, in geen geval, door een beginsel van verkeerde eigenliefde laten besturen; en nochtans, dit kwaad bedrijf ik menigmaal. Ik zie het lage en belachelijke van zulk bestaan zo helder, als het licht van de dag. Ik wil geen dunk van mij doen voeden alsof ik tien voet lang was; en ik weet, dat een begeerte om wijs of goed geacht te worden, net zo goed tegen de rede en de waarheid strijdt. Ik zou bedroefd of eigenzinnig worden, als mijn medeschepselen dachten, dat ik zulk een begeerte had; en daarom vrees ik, dat het beginsel van eigenliefde zelf, waarover ik klaag, voor een groot deel mij aandrijft om het zoveel mogelijk te verbergen. De hoogmoed van anderen stoot mij dikwijls, en maakt mij oplettend om de mijnen niet te laten blijken; terwijl de goede mening die zij van mij hebben, veelal daarvan afhangt, dat zij geen hoogmoed in mij bespeuren. Doch de Heer weet, hoe deze dode vlieg mijn beste verrichtingen besmet en bederft, en ze niet beter doet zijn, dan blinkende zonden.

Ik wil geen ijdele redeneringen in mij dulden, tegen de wegen en bestellingen van Gods Voorzienigheid. Nochtans ben ik hiertoe zeer gereed. Dat de Rechter van de ganse aarde recht zal doen, is mij zo duidelijk en noodzakelijk, als dat twee en twee vier is. Ik geloof‘, dat Hij een volstrekte macht en recht heeft, om met het Zijne te doen wat Hem behaagt, en dat deze opperste Vrijmacht slechts een andere naam is voor onbeperkte Wijsheid en Goedheid. Maar mijn redeneringen zijn vaak zodanig, alsof ik van die gewichtige grondstellingen nooit iets gehoord, of ze verloochend had. Ik voel de werkingen van een verwaande geest, die reden van alles wil geven, en durft tegen te spreken aan alles wat hij niet begrijpen kan.

Wat een kwaad is dit! dat een aarde potscherf zich meet, om te twisten met haar maker! Ik handel dus niet omtrent mijn medeschepselen; ik bekritiseer de uitspraken van een rechter, of de beschikkingen van een veldheer niet, omdat, schoon ik weet dat ze feilbaar zijn, ik echter veronderstel, dat zij, elk in zijn zaak, wijzer zijn dan ik. Maar menigmaal neem ik deze vrijheid, waar het alleronredelijkst en niet goed te praten valt.

Ik wil niet vasthouden aan een Werkverbond. Uit de opgegeven bijzonderheden, en vele andere, die ik zou kunnen noemen, zou men denken, dat ik redenen genoeg had, om mij daarvan af te schrikken. En evenwel, ik doe het geheel. ’t Is waar, ik zeg, en ik hoop het met geheel mijn hart: O Heere! ga niet in het gericht met uw knecht. Ik omhels het als een getrouw woord, en aller aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken; en het is het grootste vermaak en de voornaamste bezigheid van mijn leven, de noodzakeljkheid en algenoegzaamheid van de enigen Middelaar tussen God en de mensen aan te tonen, en Zijn gerechtigheid te vermelden, de Zijne alléén. Maar hier, zoals in alle andere zaken, vind ik een groot onderscheid tussen mijn oordeel en mijn beoefening. Ik word genodigd, om het water des levens te nemen, om niet; maar menigmaal ben ik onvrijmoedig, omdat ik niets heb om het te betalen. Wordt het mij somtijds vergund, van de boven gemelde boosheden enigszins vrij te zijn, dan geeft mij dit veel eerder een gunstiger denkbeeld van mijzelf, dan dat het mijn verwondering ‘over des Heeren goedheidtot zulk een onwaardig schepsel vergroot. En wanneer de wederkerende stroom van mijn verdorvenheden mij overtuigt, dat ik nog dezelfde ben, dan zou een ongelovige wettische geest mij bijkans doen besluiten, dat de Heere veranderd is. Ten minste, ik voel‚ een tegenzin, om Hem zulke aanhoudende, zulke menigvuldige vergeving te moeten schuldig zijn; en ik vrees, dat een gedeelte van mijn strjden tegen de zonde, en van mijn begeerte naar vermeerdering van heiligmaking, ontstaat uit een heimelijken wens, dat ik niet zo geheel en volstrekt alles aan Hem mocht verschuldigd zijn.

Dit, Mylord, is maar een flauwe schets van mijn hart, maar ze is naar het leven getrokken; het zou eerder een boek dan een brief vereisen, om het beeld te voltooien. Doch ik hoop dat het u niet onaangenaam zal zijn, dat ik het liefst over dat onderwerp thans niets meer zeg. Ondertussen, schoon mijn kwaal smartelijk is, is zij toch niet dodelijk. Ik heb een genadige en onfeilbare Geneesmeester. Ik zal niet sterven, maar leven, en de grote werken des Heeren vertellen.

Ik blijve, enz.  Maart, 1772.

avatar
 
smilegrinwinkmrgreenneutralarrowshockunamusedcooloopsrazzrollcryeeklolmadsadexclamationquestionideahmmbegwhewchucklesillyenvyshutmouth
  Inschrijven  
Abonneren op