Deze hebben geen wortel
januari 11, 2016
Je bent van Christus
januari 12, 2016
Show all

Tiende brief van John Newton aan een edelman. Maart, 1772,

Mijn heer!

Wanneer ik mij heb voorgenomen om u te schrijven, zijn mijn gedachten meestal enige dagen van te voren ingespannen, om een onderwerp te bedenken; ik wil niet zeggen, hele dagen lang, maar toch iederen dag meer of minder. Maar ik moet mijzelf deze moeite eigenlijk besparen; ik kan toch tot geen besluit komen, en ik begin meestal te schrijven, zonder een onderwerp gekozen te hebben.’ ‚ Omdat ik vooraf niet bedenken kan, wat ik zal voortbrengen, bidt mijn hart, dat het mij in het zelfde uur gegeven mag worden. Een eenvoudig afhangen van het onderwijs en de invloed van Gods goede Geest, zonder het gebruik van de verordende middelen ter zijde te stellen, zou, indien wij het bestendig konden in acht nemen, elk gedeelte van onzen plicht ligt en voorspoedig maken; het zou ons bevrijden van veel ongerustheid, en ons bewaren voor vele misslagen. Mij dunkt, ik heb reeds een onderwerp in het oog; een onderwerp van veel belang voor mijzelf, en hetgeen misschien uw Lordschap niet onaangenaam zal zijn: Hoe men, namelijk, met God wandelen zal, in de dagelijkse voorvallen en omstandigheden van dit leven, zodat men alles doet om des Heeren wil, en door Zijn kracht. Wanneer wij gerechtvaardigd worden door het geloof, en begenadigd in de Geliefde, dan worden wij erfgenamen van het eeuwige leven; doch wij kunnen de rechte waarde van onze voorrechten niet volkomen bevatten, vóór dat wij in de staat der heerlijkheid zullen gesteld zijn. Hierop moeten de meeste van Gods kinderen enige tijd wachten, nadat zij bekeerd, en in de staat der genade gekomen zijn. Schoon de Heere hen bemint, de zonde haat, en hen haar leert haten, vindt Hij nochtans goed, hen enige tijd in een zondige wereld te doen blijven, en hen te laten zuchten onder de last van een bedorven natuur, Hij zou hen direct in het bezit van de hemelse gelukzaligheid, waartoe Hij hen aanvankelijk bekwaam gemaakt heeft, kunnen stellen; maar Hij doet dit niet. Hij heeft hier werk voor hen, een eer, die alles wat zij te lijden hebben, rijkelijk kan opwegen, en waartoe in de eeuwigheid geen gelegenheid meer zal zijn; namelijk, dat zij werktuigen zullen zijn tot bevordering van Zijn oogmerken, en ter openbaring van Zijn genade in de‘ wereld.

Nauwkeurig gesproken, is de ganse bezigheid die wij hier hebben, en de enige reden waarom het leven verlengd wordt, of om welke het waarlijk begeerlijk is, deze, dat wij de plichten van onze stand en van onze betrekkingen zó mogen vervullen, en van onze voor en tegenspoeden zulk een gebruik maken, dat God in ons en door ons verheerlijkt zal worden, omdat Hij een goedertieren Heer en ontfermend Vader is, behaagt het Hem, ons veel tijdelijke zegeningen te schenken, die onze dienst verzoeten, en die, als geschenken van Zijn hand, zeer te waarderen zijn, maar, op zichzelf beschouwd, geenszins verdienen dat wij daartoe zouden leven, omdat noch onze begeerten voldoen, noch ons van kwelling bevrijden, noch ons onder deze staande houden kunnen. Dat licht van Gods aanschijn, dat door de dikste muren heen dringen, en de akeligheden van een sombere kerker verdrijven kan, is oneindig meer te waarderen, dan alles wat men, zonder hetzelve, in een koninklijk paleis genieten kan. Het ware doel van het leven is, niet onszelf te leven, maar Hem die voor ons stierf, en, terwijl we ons geheel aan Zijn dienst wijden op aarde, ons te verheugen in het vooruitzicht, eeuwig met Hem te zullen leven in de zalige hemel.

Deze dingen zijn de belijderen van het Christendom in het algemeen bekend, en worden ook van hen erkend; doch er zijn maar weinige gelukkigen, die overeenkomstig hun erkende grond
beginselen te handelen, die oprecht, naarstig, en zonder uitzondering proberen, om hun gaven en krachten te besteden tot ’s Heeren dienst, en geen oogmerken of inzichten in zich dulden, dan
die kennelijk daaraan ondergeschikt en dienstbaar zijn. Ja, ik geloof, dat de beste dienaars van de Heere oorzaak genoeg vinden, om te belijden, dat ze niet slechts onnut zijn, in vergelijking van hetgeen zij wenste te zijn, maar ook in vele opzichten ontrouw. Zij vinden zoveel strikken, beletselen en verzoekingen buiten hen, en zoveel verhinderingen door de zonde in hen; dat zij zelfs op die tijden, wanneer zij het meest ernstig en meest nuttig lijken, meer de reden vinden om zich te verootmoedigen, dan om met zichzelf voldaan te zijn. En evengoed hebben wij geen grond in Gods Woord, om te denken dat wij enigszins de Heere dienen, dan voor zover wij een hebbelijke begeerte en toeleg in ons zelf vinden, om Hem geheel te dienen. Hij ziet op onze onvolmaaktheden en zwakheid met een ontfermend oog neer; Hij eist echter het gehele hart, en wil niet voor de helft gediend worden, noch behagen scheppen in hetgeen met een verdeelde geest verricht wordt. Onlangs las ik enige heilloze spotternijen van Voltaire, over het denkbeeld, van alles te doen tot eer van God; hoedanig men van zulk een mens verwachten moet. Intussen is dit zekerlijk de ware Alchymie, waardoor alles tot goud gemaakt wordt, en de gewone verrichtingen van dit leven in daden van Godsdienst worden veranderd; 1 Kor. 10:31.

Er is ook in het minst geen ware goedheid in de schoonst schijnende daden, die verricht worden zonder uitzicht op Gods eer. Dit kan de wereld niet begrijpen; maar het zal ten hoogste redelijk voorkomen aan hen, die hun denkbeelden van God aan de Heilige Schrift ontlenen , en die de noodzakelijkheid van de Verlossing gevoeld hebben, en haar zalige vruchten gesmaakt hebben. Wij zijn schuldenaars ‚ in veel opzichten. De Heere heeft recht op ons, uit kracht van schepping, van verlossing, van overwinning toen Hij ons bevrijdde uit de macht van de Satan, en onze harten in bezit nam door Zijn genade; en eindelijk ‚ uit kracht van onze vrijwillige overgave, op de dag, wanneer Hij ons leerde onze keuze te bepalen tot Hem, als onze Heer en ons deel. Toen voelden wij de kracht van onze verplichtingen; wij zagen de schoonheid en de eer, die in Zijn dienst gelegen zijn, en dat niets waardig was in het allerminst daarbij in aanmerking te komen. Dit is en blijft altijd even waarachtig; hoewel ons gevoel daarvan niet altijd even sterk is. Maar waar het eens waarlijk gekend is, kan het niet geheel vergeten worden, of ophouden het heersend beginsel van onze werkzaamheden te zijn; en de Heere heeft beloofd, de indruk daarvan te verlevendigen in hen die op Hem wachten, en daardoor hun kracht‘ te vernieuwen. Want naarmate wij gevoelen door welke banden wij de Zijnen zijn, zullen wij Zijn dienst als volmaakte vrijheid verkiezen.

Wederom; wanneer het oog dus eenvoudig is, zal het gehele lichaam verlicht zijn. Het grondbeginsel, om eniglijk voor God werkzaam te zijn, zal over het geheel de weg van plicht effen maken, duizend andere twijfelachtige vragen oplossen, ons leiden tot de meest gepaste, en gerede middelen, en ons bewaren voor die pijnlijke angstvalligheid over de uitkomsten, die op geen andere wijze te vermijden is. De liefde tot God is de beste raadgeefster, voornamelijk, zoals ze ons leidt tot zorgvuldig achtgeven op Zijn bevelen, tot vertrouwen op Zijn beloften,en onderwerping aan Zijn besturenden wil. De meeste van onze verlegenheden ontstaan uit een onbetameljke, hoewel misschien onopgemerkte, verkleefdheid aan het eigen Ik. Wij hebben een of ander zelf uitgedacht plan , al te nauw verknocht met ons algemeen doelwit om de Heere te dienen; of wij leggen enig gewicht op ons eigen beleid; waarop wij, ofschoon wij geloven dat het ons zou kunnen bedriegen, echter niet geheel en al kunnen nalaten te steunen. In deze opzichten laat de Heere Zijn dienaars nu en dan hun zwakheid gewaar worden; maar als zij oprecht aan Hem overgegeven zijn, dan zal hen hieruit voordeel leren, trekken, en hen trapsgewijz brengen tot eenvoudigheid in hun afhangkelijkheid van Hem, zowel als in hun bedoelingen. Dan valt alles gemakkelijk. Uit liefde werkende, en door het geloof wandelende, kunnen zij nooit teleurgesteld, nooit ontmoedigd worden. De plicht is hun zaak; de zorg is des Heeren, en zij worden geleerd deze op Hem te werpen. Zij weten, dat wanneer hun hulpmiddelen schijnen te mislukken, Hij nochtans algenoegzaam blijft. Zij weten, dat terwijl zij Zijn zaak voorstaan, zij geen gevaar lopen; en dat, schoon ook hun pogingen in sommige dingen schijnen te mislukken, zij verzekerd kunnen zijn, bij Hem gunst te zullen vinden, en dat Hij hun diensten niet schatten zal naar haar dadelijke uitwerking, maar naar het godvruchtig beginsel, en de begeerten, die Hij in hunne harten gelegd heeft; 2 Kron. 6:7, 8.

Ik ben met alle mogelijke hoogachting, enz.
Maart, 1772.

Send this to friend

Spring naar werkbalk